BESTUURSRECHT – lesnotities
PPT1
DEEL 1 – PUBLIEKRECHT IN PERSPECTIEF
HOOFDSTUK 1. BASISBEGRIPPEN EN CENTRALE THEMA’S VAN HET PUBLIEKRECHT
INLEIDING
Bestuursrecht is niet enkel abstract maar ook in ons dagelijks leven:
Vb: intercommunales voor elektriciteitsdistributie (= vereniging/ verzameling van gemeentes)
Vb: bestuur van de VRT (= beheerscontracten over openbare dienstverlening)
vb: waterzuivering (= gewestbevoegdheden maar komt van Europese richtlijnen MAAR prijscontroles is
dan weer federaal)
vb: voedselvergiftiging (= samenwerking, controle-instantie en regelgeving)
vb: openbare wegennetwerken (openbaar ervoer, weg, veiligheid)
vb: KU Leuven (= private instelling maar overheid gestuurd)
- Bestuursrecht is verspreid over verschillende regels
• Privaatrecht: het recht dat de verhouding regelt tussen alle personen (soms ook van toepassing
op OH en burger)
• Publiekrecht: regels die afwijken van het algemene privaatrecht (= gemeenR) om het algemene
belang te behartigen.
I. Begrip en evolutie van het bestuur = UM
Trias politica (UM, WM en RM (Montesqieu)) en het principe van de machtenscheiding
-> waarschuwing vereniging macht = dictatuur
-> moet gescheiden zijn/ geen absolute scheiding (controle op anderen + zichzelf)
De 1ste manier om de macht vd OH te beperken zijn de rechten en de vrijheden vd burger:
- er zijn de klassieke liberale rechten die de vrijheid van de burger afschermen tegen de OH
- rechten die de OH verplichten om bepaalde beslissingen te nemen
De 2de manier is de machtenscheiding
Het goede bewind:
- kant van de zon = welvaart
- schaduwkant = oorlog/ geweld (slechte
bewind)
- vrouwe justitia -> touw via grijsaard
(regeringsleider en wereldse deugden – via 24
raadsleden naar vr just
-> beginselen van bestuur: vraag van alle
tijden – wereldse deugden: onpartijdigh/
proportional/ rechtszekerh/ redelijke termijn
(zandloper) / links: vooruitziendheid (lange
termijn)
Bestuur = organen en instellingen van UM (vooral een taak van tenuitvoerlegging) MAAR
ook lokale besturen vallen onder bestuursbegrip (gemeenten en provincies) ≠ UM
bepaalde bestuurlijke handelingen hebben een materieel wetgevende inhoud
bv: politiereglementen, personeelsstatuut, handelingen verpleegkundigen in KB
(WM of RM kunnen ook handelen als bestuur (aard handelen is hetzelfde)
bv. adm ambtenaren aanstellen, aankoop nieuwe computers RM)
1
, bestuurlijke of administratieve rechtscolleges (gerekend tot de uitvoerende macht) oefenen een
rechtsprekende functie uit en zijn dus geen besturen
In tweede helft 19e E is overheid steeds meer taken gaan opnemen (sterke uitbouw OHapparaat). Burgers
en ondernemingen komen dagelijks in contact met OHadministratie: openbaar vervoer, burgerlijke stand,
gezondheidszorg, onderwijs, pensioenen, sociale zekerheid, fiscaliteit, …
bestuur vervult normerende (materieel-wetgevende of verordenende) en uitvoerende en/of
rechtsprekende bevoegdheden
Max Weber (= grondlegger sociologie) heeft de kenmerken waaraan een moderne administratie moet
voldoen, naar voor gebracht (geen willekeur, iedereen gelijk voor de wet, …). Herkende bureaucratie als
de typische organisatievorm vd moderne staat, waarin rationaliteit (efficiënt/doelmatig gebruik van
middelen en gelegitimeerde macht) en depersonalisering van onderlinge verhoudingen centraal staan
= bureaucratie van Max Weber
primaat van de politiek (minister, niet ambtenaar, moet zich in parlement verantwoorden)
onderworpen aan formele regels en procedures
depersonalisering van onderlinge verhoudingen (=waarborg tegen ongelijkheid, vriendjespolitiek en
willekeur)
strikte hiërarchie (+ takenpakker tss politiek en ambtenarij)
Vandaag de dag wordt ‘bureaucratie’ geassocieerd met log, duur, niet flexibel, gebruiksonvriendelijk (><
moderne economie / pejoratief karakter)
“Government is not the solution of the problem; government is the problem”
Ronald Reagan, 20 januari 1981
gebruik andere organisatievormen en werkmethodes om aan de veelzijdige behoeften van moderne
samenleving te voldoen / performanter maken die gericht zijn op :
administratie te moderniseren naar beeld van private onderneming met rationele besteding van
middelen met resultaatgerichte en klantvriendelijke aanpak
verzelfstandiging: uitoefening taken overheid worden overgedragen naar gespecialiseerde
diensten met publiekrechtelijke, soms privaatrechtelijke vorm die zekere autonomie hebben t.o.v.
centrale gezag (= decentralisatie) => sneller
bv: private gevangenissen, asiel in handen van private onderneming (Griekenland)
kerntakendebat en privatisering van overheidstaken
verschuiving van besturende OH (reguleert, overheid die zelf touwtjes in handen heeft) naar sturende
overheid (steeds belangrijker door op te treden als regelgever)
verzorgingsstaat reguleringsstaat
II. Besturen in de gelaagde rechtsorde: decentralisatie en federalisme
Recht kan niet tot één bestuurslaag worden herleid:
burger maakt deel uit van verschillende OHverbanden; van lokale tot internationale niveau
verhoudingen tss de verschillende bestuursniveaus met eigen bevoegdheden en administratie
(+ naarmate het bestuursniveau toeneemt, neemt de invloed van de burger op beslissingen af: daarom
moeten beslissingen op en zo laag mogelijk niveau genomen worden =subsidiariteitsbeginsel)
Technieken van verticale machtenscheiding: decentralisatie en federalisme
Decentralisatie en federalisme zijn complementaire staatsvormen!!
bv: België: de organieke overheid wordt vaak overgeheveld naar de deelstaten
Decentralisatie: centrale overheid kent bepaalde taken toe aan ondergeschikte (lokale) besturen
-> toezicht bewaren/ deelstaten geen kracht van wet
2
,Federalisme: spreiding van bevoegdheden tussen verschillende autonome rechtsordes: deelstaten
kunnen zelf regels uitvaardigen die kracht van de wet hebben, hun decreten zijn niet ondergeschikt aan
de federale wetgeving (versch niveaus kracht van wet)
Eenheidsstaat: de soevereiniteit of Kompetenz-Kompetenz berust bij het centrale niveau (diegene
bepaald waar hoogste macht geldt)
Gecentraliseerde eenheidsstaat: al de OHfuncties (wetgeving, rechtspraak en bestuur) w
uitgeoefend door instellingen/organen die behoren tot het centrale bestuur bv: Romeinse rijk
Mogelijkheid tot deconcentratie (intern & extern): overdragen van bepaalde taken vanuit centrale
bestuur naar lagere instanties of ambten (deze hebben geen rechtspersoonlijkheid maar maken
deel uit van centrale niveau + staan onder hiërarchisch toezicht)
Gedecentraliseerde eenheidsstaat: er zijn ondergeschikte besturen de geen onderdeel uitmaken
van centrale overheid: ze hebben eigen rechtspersoonlijkheid en zijn onderworpen aan minder
verregaande vorm van toezicht (administratief of bestuurlijk toezicht).
Hun bevoegdheden zijn in de (grond)wet vastgelegd, bij de uitoefening zijn ze niet volledig
autonoom (blijven onderworpen aan regels van centrale niveau + hun regels hebben geen kracht
van wet) >< deelstaten
Territoriale decentralisatie: algemeen omschreven bevoegdheden wordt toegekend aan
overheden die voor bepaald grondgebied bevoegd zijn
Bv: gemeenten en provincies (organisatie gebaseerd op politieke vertegenwoordiging)
= laagste niveau van democratische inspraak (dicht bij de burger)
-> publiekrechtelijke lichamen, gesteund op politieke vertegenwoordiging
Functionele decentralisatie: centrale niveau kent specifieke bevoegdheden toe aan
overheidsdiensten die in bepaald beleidsdomein over nodige expertise beschikken
Doel: besluitvorming op efficiënte wijze en onafhankelijk van de politieke instellingen
organiseren (= organieke autonomie, niet gesteund op politieke vertegenwoordiging)
bv: vervoer (NMBS, De Lijn), radio en cultuur (VRT)
Dubbele betekenis van het begrip “centralisatie” en “centrale overheid”:
gezagsstructuur (binnen een staat): concentratie bevoegdheden bij 1/meer centrale organen
organisatiebeginsel (binnen één bestuurslaag vd gedecentr staat): de gedecentraliseerde besturen zijn zo
georganiseerd dat een centrale administratie ten dienste staat van de politieke organen bij het uitvoeren
van het lokale beleid.
-> evolutie naar meer verzelfstandiging op alle bestuursniveaus (ook lokaal)
III. Verhouding tussen regering en administratie
In overeenstemming met de principes van Weber: de overheidsdiensten zijn hiërarchisch gestructureerd
met aan het hoofd een topambtenaar die onder gezag staat van minister:
veelbeschreven spanningsveld in politieke wetenschap:
politisering van de ambtenarij: grote gespecialiseerde equipes drukken stempel op het beleid
politieke verantwoordelijkheid rust bij minister/ regering
- motie van wantrouwen = heel belangrijk
- ontslag van minister
bv eind ‘90: ontsnapping Dutroux: ontslag minister van Justitie, 1 j later: dioxidecrisis:
ontslag minister van landbouw en Volksgezondheid
Politieke verantwoordelijkheid minister >< grote afhankelijkheid minister van zijn administratie
Technieken om controle op administratie te behouden
“Spoils system” uit de VS (19e E): meest verregaande vorm: president mag administratie
vervangen door personen op wie hij kan vertrouwen dat ze zijn beleid (snel en goed) uitvoeren
3
, praktijk van partijpolitisering van de administratie: “merit system”: ambtenaren moeten examens
afleggen van bekwaamheid + oprichting federale commissie die de examens aflegt (niet zomaar
elke burger kan ambtenaar worden) MAAR meerdere personen kunnen slagen en dan wordt er
wel gekozen (overheidsbemoeienis blijft)
ministeriële kabinetten (= naaste medewerkers van de minister): slaan brug tussen politiek en
administratie
Administratieve rekenplichtigheid (accountability) staat meer dan ooit centraal
- enerzijds politisering gespec ambtenarij + anderzijds bureaucratisering politiek (meer tijd in technische
aangelegenheden dan beleid)
-> niet enkel minister ter verantwoording : ook administratie zelf
Verplichting om rekenschap af te leggen
- inzicht geven in beleid en motieven (openbaarheid bestuur)
- audits, rapporten en jaarverslagen (toelichting wijze vervulling plichten)
- zwijgplicht ambtenaren wordt spreekrecht of zelfs spreekplicht
klokkenluidersbescherming
Administratieve en tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van administratie– klacht van burger of
onderneming bij ombudsfuncties
IV. Afwezigheid van codificatie van het bestuursrecht
-> gaandeweg toegenomen – reden voor verschillende wetgevingen
Verreikende overheidstussenkomst heeft vele oorzaken:
- Uitbouw sociale staat en de openbare nutsvoorzieningen vanaf midden 19de E
- Verdere uitbouw verzorgingsstaat na WO II: sociaal vangnet, publieke voorzieningen, …
- Verstedelijking en bevolkingsgroei OH moet meer planmatig omgaan met grond en ruimte
- Industrialisering en technische ontwikkeling meer OHingrijpen ter bescherming van veiligheid
en milieu
- Rampen en crises zetten OH aan tot noodplannen, maatregelen en verstrengd toezicht
(pandemiewet)
=> deze beleidsterreinen hebben allemaal betrekking op:
Bijzonder bestuursrecht: ruimtelijke ordening, overheidsopdrachten, ambtenarenrecht, milieu,
gezondheid, openbare veiligheid, fiscaal recht, …
-> meer geïntegreerde aanpak
Algemeen bestuursrecht houdt zich bezig met volgende gemeenschappelijke vraagstukken:
- bestuursbegrip, organisatie, verschijningsvormen van bestuur
- verhouding tussen verschillende besturen onderling
- actiemiddelen en werking van het bestuur
- regels/ beginselen waaraan bestuur gebonden is
- rechtsbescherming van de burger ten aanzien van het bestuur (waar terecht bij geschil)
- Regels zijn verspreid over supranationale normen, (grond)wetten, reglementen, besluiten,
omzendbrieven…
- De fundamentele beginselen (ABBB) en leerstukken (intrekkingsleer) kwamen tot ontwikkeling in RS +
Rleer
- Codificatie ligt niet voor de hand
- op welk bestuursniveau? zelden excl voor bepaald niveau
- in Nederland: Algemene Wet Bestuursrecht (federaal) + DUI ook codificatie
-> begrippen verschillen vaak naargelang toepassingsgebied
ook veel ontwikkelingen op Europees niveau/ wetgeving
4
PPT1
DEEL 1 – PUBLIEKRECHT IN PERSPECTIEF
HOOFDSTUK 1. BASISBEGRIPPEN EN CENTRALE THEMA’S VAN HET PUBLIEKRECHT
INLEIDING
Bestuursrecht is niet enkel abstract maar ook in ons dagelijks leven:
Vb: intercommunales voor elektriciteitsdistributie (= vereniging/ verzameling van gemeentes)
Vb: bestuur van de VRT (= beheerscontracten over openbare dienstverlening)
vb: waterzuivering (= gewestbevoegdheden maar komt van Europese richtlijnen MAAR prijscontroles is
dan weer federaal)
vb: voedselvergiftiging (= samenwerking, controle-instantie en regelgeving)
vb: openbare wegennetwerken (openbaar ervoer, weg, veiligheid)
vb: KU Leuven (= private instelling maar overheid gestuurd)
- Bestuursrecht is verspreid over verschillende regels
• Privaatrecht: het recht dat de verhouding regelt tussen alle personen (soms ook van toepassing
op OH en burger)
• Publiekrecht: regels die afwijken van het algemene privaatrecht (= gemeenR) om het algemene
belang te behartigen.
I. Begrip en evolutie van het bestuur = UM
Trias politica (UM, WM en RM (Montesqieu)) en het principe van de machtenscheiding
-> waarschuwing vereniging macht = dictatuur
-> moet gescheiden zijn/ geen absolute scheiding (controle op anderen + zichzelf)
De 1ste manier om de macht vd OH te beperken zijn de rechten en de vrijheden vd burger:
- er zijn de klassieke liberale rechten die de vrijheid van de burger afschermen tegen de OH
- rechten die de OH verplichten om bepaalde beslissingen te nemen
De 2de manier is de machtenscheiding
Het goede bewind:
- kant van de zon = welvaart
- schaduwkant = oorlog/ geweld (slechte
bewind)
- vrouwe justitia -> touw via grijsaard
(regeringsleider en wereldse deugden – via 24
raadsleden naar vr just
-> beginselen van bestuur: vraag van alle
tijden – wereldse deugden: onpartijdigh/
proportional/ rechtszekerh/ redelijke termijn
(zandloper) / links: vooruitziendheid (lange
termijn)
Bestuur = organen en instellingen van UM (vooral een taak van tenuitvoerlegging) MAAR
ook lokale besturen vallen onder bestuursbegrip (gemeenten en provincies) ≠ UM
bepaalde bestuurlijke handelingen hebben een materieel wetgevende inhoud
bv: politiereglementen, personeelsstatuut, handelingen verpleegkundigen in KB
(WM of RM kunnen ook handelen als bestuur (aard handelen is hetzelfde)
bv. adm ambtenaren aanstellen, aankoop nieuwe computers RM)
1
, bestuurlijke of administratieve rechtscolleges (gerekend tot de uitvoerende macht) oefenen een
rechtsprekende functie uit en zijn dus geen besturen
In tweede helft 19e E is overheid steeds meer taken gaan opnemen (sterke uitbouw OHapparaat). Burgers
en ondernemingen komen dagelijks in contact met OHadministratie: openbaar vervoer, burgerlijke stand,
gezondheidszorg, onderwijs, pensioenen, sociale zekerheid, fiscaliteit, …
bestuur vervult normerende (materieel-wetgevende of verordenende) en uitvoerende en/of
rechtsprekende bevoegdheden
Max Weber (= grondlegger sociologie) heeft de kenmerken waaraan een moderne administratie moet
voldoen, naar voor gebracht (geen willekeur, iedereen gelijk voor de wet, …). Herkende bureaucratie als
de typische organisatievorm vd moderne staat, waarin rationaliteit (efficiënt/doelmatig gebruik van
middelen en gelegitimeerde macht) en depersonalisering van onderlinge verhoudingen centraal staan
= bureaucratie van Max Weber
primaat van de politiek (minister, niet ambtenaar, moet zich in parlement verantwoorden)
onderworpen aan formele regels en procedures
depersonalisering van onderlinge verhoudingen (=waarborg tegen ongelijkheid, vriendjespolitiek en
willekeur)
strikte hiërarchie (+ takenpakker tss politiek en ambtenarij)
Vandaag de dag wordt ‘bureaucratie’ geassocieerd met log, duur, niet flexibel, gebruiksonvriendelijk (><
moderne economie / pejoratief karakter)
“Government is not the solution of the problem; government is the problem”
Ronald Reagan, 20 januari 1981
gebruik andere organisatievormen en werkmethodes om aan de veelzijdige behoeften van moderne
samenleving te voldoen / performanter maken die gericht zijn op :
administratie te moderniseren naar beeld van private onderneming met rationele besteding van
middelen met resultaatgerichte en klantvriendelijke aanpak
verzelfstandiging: uitoefening taken overheid worden overgedragen naar gespecialiseerde
diensten met publiekrechtelijke, soms privaatrechtelijke vorm die zekere autonomie hebben t.o.v.
centrale gezag (= decentralisatie) => sneller
bv: private gevangenissen, asiel in handen van private onderneming (Griekenland)
kerntakendebat en privatisering van overheidstaken
verschuiving van besturende OH (reguleert, overheid die zelf touwtjes in handen heeft) naar sturende
overheid (steeds belangrijker door op te treden als regelgever)
verzorgingsstaat reguleringsstaat
II. Besturen in de gelaagde rechtsorde: decentralisatie en federalisme
Recht kan niet tot één bestuurslaag worden herleid:
burger maakt deel uit van verschillende OHverbanden; van lokale tot internationale niveau
verhoudingen tss de verschillende bestuursniveaus met eigen bevoegdheden en administratie
(+ naarmate het bestuursniveau toeneemt, neemt de invloed van de burger op beslissingen af: daarom
moeten beslissingen op en zo laag mogelijk niveau genomen worden =subsidiariteitsbeginsel)
Technieken van verticale machtenscheiding: decentralisatie en federalisme
Decentralisatie en federalisme zijn complementaire staatsvormen!!
bv: België: de organieke overheid wordt vaak overgeheveld naar de deelstaten
Decentralisatie: centrale overheid kent bepaalde taken toe aan ondergeschikte (lokale) besturen
-> toezicht bewaren/ deelstaten geen kracht van wet
2
,Federalisme: spreiding van bevoegdheden tussen verschillende autonome rechtsordes: deelstaten
kunnen zelf regels uitvaardigen die kracht van de wet hebben, hun decreten zijn niet ondergeschikt aan
de federale wetgeving (versch niveaus kracht van wet)
Eenheidsstaat: de soevereiniteit of Kompetenz-Kompetenz berust bij het centrale niveau (diegene
bepaald waar hoogste macht geldt)
Gecentraliseerde eenheidsstaat: al de OHfuncties (wetgeving, rechtspraak en bestuur) w
uitgeoefend door instellingen/organen die behoren tot het centrale bestuur bv: Romeinse rijk
Mogelijkheid tot deconcentratie (intern & extern): overdragen van bepaalde taken vanuit centrale
bestuur naar lagere instanties of ambten (deze hebben geen rechtspersoonlijkheid maar maken
deel uit van centrale niveau + staan onder hiërarchisch toezicht)
Gedecentraliseerde eenheidsstaat: er zijn ondergeschikte besturen de geen onderdeel uitmaken
van centrale overheid: ze hebben eigen rechtspersoonlijkheid en zijn onderworpen aan minder
verregaande vorm van toezicht (administratief of bestuurlijk toezicht).
Hun bevoegdheden zijn in de (grond)wet vastgelegd, bij de uitoefening zijn ze niet volledig
autonoom (blijven onderworpen aan regels van centrale niveau + hun regels hebben geen kracht
van wet) >< deelstaten
Territoriale decentralisatie: algemeen omschreven bevoegdheden wordt toegekend aan
overheden die voor bepaald grondgebied bevoegd zijn
Bv: gemeenten en provincies (organisatie gebaseerd op politieke vertegenwoordiging)
= laagste niveau van democratische inspraak (dicht bij de burger)
-> publiekrechtelijke lichamen, gesteund op politieke vertegenwoordiging
Functionele decentralisatie: centrale niveau kent specifieke bevoegdheden toe aan
overheidsdiensten die in bepaald beleidsdomein over nodige expertise beschikken
Doel: besluitvorming op efficiënte wijze en onafhankelijk van de politieke instellingen
organiseren (= organieke autonomie, niet gesteund op politieke vertegenwoordiging)
bv: vervoer (NMBS, De Lijn), radio en cultuur (VRT)
Dubbele betekenis van het begrip “centralisatie” en “centrale overheid”:
gezagsstructuur (binnen een staat): concentratie bevoegdheden bij 1/meer centrale organen
organisatiebeginsel (binnen één bestuurslaag vd gedecentr staat): de gedecentraliseerde besturen zijn zo
georganiseerd dat een centrale administratie ten dienste staat van de politieke organen bij het uitvoeren
van het lokale beleid.
-> evolutie naar meer verzelfstandiging op alle bestuursniveaus (ook lokaal)
III. Verhouding tussen regering en administratie
In overeenstemming met de principes van Weber: de overheidsdiensten zijn hiërarchisch gestructureerd
met aan het hoofd een topambtenaar die onder gezag staat van minister:
veelbeschreven spanningsveld in politieke wetenschap:
politisering van de ambtenarij: grote gespecialiseerde equipes drukken stempel op het beleid
politieke verantwoordelijkheid rust bij minister/ regering
- motie van wantrouwen = heel belangrijk
- ontslag van minister
bv eind ‘90: ontsnapping Dutroux: ontslag minister van Justitie, 1 j later: dioxidecrisis:
ontslag minister van landbouw en Volksgezondheid
Politieke verantwoordelijkheid minister >< grote afhankelijkheid minister van zijn administratie
Technieken om controle op administratie te behouden
“Spoils system” uit de VS (19e E): meest verregaande vorm: president mag administratie
vervangen door personen op wie hij kan vertrouwen dat ze zijn beleid (snel en goed) uitvoeren
3
, praktijk van partijpolitisering van de administratie: “merit system”: ambtenaren moeten examens
afleggen van bekwaamheid + oprichting federale commissie die de examens aflegt (niet zomaar
elke burger kan ambtenaar worden) MAAR meerdere personen kunnen slagen en dan wordt er
wel gekozen (overheidsbemoeienis blijft)
ministeriële kabinetten (= naaste medewerkers van de minister): slaan brug tussen politiek en
administratie
Administratieve rekenplichtigheid (accountability) staat meer dan ooit centraal
- enerzijds politisering gespec ambtenarij + anderzijds bureaucratisering politiek (meer tijd in technische
aangelegenheden dan beleid)
-> niet enkel minister ter verantwoording : ook administratie zelf
Verplichting om rekenschap af te leggen
- inzicht geven in beleid en motieven (openbaarheid bestuur)
- audits, rapporten en jaarverslagen (toelichting wijze vervulling plichten)
- zwijgplicht ambtenaren wordt spreekrecht of zelfs spreekplicht
klokkenluidersbescherming
Administratieve en tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van administratie– klacht van burger of
onderneming bij ombudsfuncties
IV. Afwezigheid van codificatie van het bestuursrecht
-> gaandeweg toegenomen – reden voor verschillende wetgevingen
Verreikende overheidstussenkomst heeft vele oorzaken:
- Uitbouw sociale staat en de openbare nutsvoorzieningen vanaf midden 19de E
- Verdere uitbouw verzorgingsstaat na WO II: sociaal vangnet, publieke voorzieningen, …
- Verstedelijking en bevolkingsgroei OH moet meer planmatig omgaan met grond en ruimte
- Industrialisering en technische ontwikkeling meer OHingrijpen ter bescherming van veiligheid
en milieu
- Rampen en crises zetten OH aan tot noodplannen, maatregelen en verstrengd toezicht
(pandemiewet)
=> deze beleidsterreinen hebben allemaal betrekking op:
Bijzonder bestuursrecht: ruimtelijke ordening, overheidsopdrachten, ambtenarenrecht, milieu,
gezondheid, openbare veiligheid, fiscaal recht, …
-> meer geïntegreerde aanpak
Algemeen bestuursrecht houdt zich bezig met volgende gemeenschappelijke vraagstukken:
- bestuursbegrip, organisatie, verschijningsvormen van bestuur
- verhouding tussen verschillende besturen onderling
- actiemiddelen en werking van het bestuur
- regels/ beginselen waaraan bestuur gebonden is
- rechtsbescherming van de burger ten aanzien van het bestuur (waar terecht bij geschil)
- Regels zijn verspreid over supranationale normen, (grond)wetten, reglementen, besluiten,
omzendbrieven…
- De fundamentele beginselen (ABBB) en leerstukken (intrekkingsleer) kwamen tot ontwikkeling in RS +
Rleer
- Codificatie ligt niet voor de hand
- op welk bestuursniveau? zelden excl voor bepaald niveau
- in Nederland: Algemene Wet Bestuursrecht (federaal) + DUI ook codificatie
-> begrippen verschillen vaak naargelang toepassingsgebied
ook veel ontwikkelingen op Europees niveau/ wetgeving
4