Inleiding modellen in de klinische
psychologie
Introductie
Artikels: argumentatie kennen, waarom beargumenteert Wampold dat…
Klinische casus
- Steven 28 jaar; slecht humeur
o Heeft veel stress en vaak ruzie met vriendin
o Gevoel dat hij er alleen voor staat op zijn werk (ploegbaas)
o Mag dansstudio overnemen, vriendin wil dat niet (flirterig gedrag)
o Onzekerheid over zijn toekomst (Melissa ook al vaak bedrogen)
o Middelenmisbruik, leerproblemen en school moe
- De klinische situatie: vragen
o Wie komt er? (geslacht, leeftijd, cultuur)
o Waarom komt hij/zij en welk probleem? (diagnose, geschiedenis, context)
o Bij wie komt iemand? Waar komt hij/zij terecht? (welke hulpverlening)
o Hoe ga je er me om? (verhouding tov onderzoeksobject, hoe gebruik maken van
wetenschappelijke evidentie?)
o Verhouding tov cliënt? (hoe luisteren, vragen stellen? Wat doe je in moeilijke
situaties?)
- Competency Cube: model dat de evolutie in
verschillende competenties beschrijft welke
een professioneel psycholoog zal ondergaan
gedurende de opleiding
o Functionele domeinen (therapievorm,
interventie, consultatie, onderzoek en
evaluatie,…)
o Fundamentele domeinen (wie ben ik
en hoe kan dat mij beïnvloeden in mijn
werk)
o Niveaus van professionele
ontwikkeling (op welk niveau ga je het
uitoefenen, welk diploma)
1
, Hoofdstuk 1: inleiding klinische psychologie
1. Het werkveld van de klinische psychologie
1.1 Introductie
- Klinische psychologie is gebaseerd op psychologische theorieën en principes wordt beschouwd als
een wetenschap
gericht op reductie van ongewenste condities zoals stress, problemen en beperkingen
gericht op het verbeteren van gewenste condities zoals het persoonlijk welbevinden en de
persoonlijke groei
- ook beschouwd als integratieve wetenschap: niet enkel gericht op psychologische component, maar
bekijkt het geheel van functioneren biopsychosociaal model (driehoeksformatie)
1.2 Populaties, settings en taken in de klinische psychologie
- klinische psychologie houdt zich bezig met diverse populaties (kinderen, adolescenten,
volwassenen, ouderen en gezinnen)
- niet iedereen heeft dezelfde problemen verschillende settings (ieder individu kan op een zo
effectief mogelijke manier worden geholpen)
diagnostiek (indicatiestelling) wordt opgesteld, maar daarnaast kan naargelang wat deze
diagnostiek is de patiënt op meerdere manieren geholpen worden
vb. therapie, revalidatie, teambegeleiding, advies of preventies
1.3 Beroepen in de klinische psychologie
- Klinisch psychologen kunnen tewerkgesteld worden in vele sectoren
psychopathologie, verslaafdenzrog, diensten GGZ, psychiatrisch ziekenhuis,…
- multidisciplinaire context:
- psychische processen; cognitie, emotie en gedrag; praten
- multidisciplinair; zorg voor ziel, zingeving; religie, spiritualiteit,
alternatieve behandelingen
- medische visie, biologische psychiatrie; medicamenteus; ernstigere
psychopathologie
- Klinische psychologie, vandaag in onze maatschappij:
veranderingen in de wetgeving (beroep is nu wettelijk
beschermd)
duidelijk statuut, mogelijkheid tot terugbetaling van de consultatie
en de psycholoog moet aan bepaalde vereisten voldoen
- Klinische psychologie, klinisch psycholoog en psychotherapie NIET hetzelfde
-Klinische psychologie: brede werkvel waarbinnen de klinisch psycholoog actief is, de behandeling
die deze psycholoog geeft, noemt psychotherapie
-Klinisch psycholoog: breed takenpakket waartoe de diagnostiek, preventie en behandeling behoren
-(Psycho)therapeut: verzamelnaam voor iemand die beroepsmatig een methode toepast ter
genezing van lichamelijke of geestelijke gezondheidsproblemen, de focus ligt op de behandeling van
de patiënt
2
,Klinische psychologie Psychotherapie
- Preventie, onderzoek, opsporen of - Moeilijkheden, conflicten of
het stellen van een psychische stoornissen van een
psychodiagnose individu weg nemen of verlichten
- Behandeling en begeleiding - Verrichten van psychotherapeutische
ingrepen op basis van een
psychotherapeutisch referentiekader
- Wetenschappelijk onderbouwd, - Psychotherapeutisch referentiekader
klinisch psychologisch
referentiekader
- Gewoonlijk verrichten van - Gebruikelijk verrichten van
autonome handelingen autonome handelingen
- Ingebeeld psychisch of - Individu of een groep individuen
psychosomatisch lijden bij een - Volwaardig systeem waarvan het
individu individu een deel uitmaakt
3
, Hoofdstuk 2: basismodellen en wetenschappelijk
onderzoek
2. Modellen in de klinische psychologie
2.1 Intro: wetenschappelijke benadering
- Basismodel: EBP Evidence-Based Practice model
clinicus tracht de vraag van de patiënt op een klinisch
verantwoorde wijze te relateren aan de huidige stand v
van onderzoek
tracht de relevantie te benadrukken van het informeren van
de patiënten (informed consent)
info moet gebaseerd zijn op de beste beschikbare
onderzoeksevidentie over geëigende opties over diagnostiek,
preventie of interventiemogelijkheden
levenslang leren: inzichten veranderen, info wordt uitgebreid,…
2.1.1 Syllabus: McFall’s manifesto for a science of clinical psychology
(1991)
- Wetenschappelijke klinische psychologie is de enige legitieme en aanvaardbare vorm van klinische
psychologie
- Psychologische diensten mogen niet toegediend worden aan het publiek tenzij ze voldoen aan 4
criteria: - De precieze aard van de dienst wordt duidelijk beschreven
- De voordelen zijn expliciet gemaakt
- De voordelen zijn wetenschappelijk gevalideerd
- Mogelijke negatieve bijeffecten worden empirisch uit de dienst gehaald
- Het voornaamste en belangrijkste doel van doctoraatprogramma’s in de klinische psychologie moet
het produceren van zo competent mogelijke klinische wetenschappers zijn
2.1.2 Kritiek op EBP perspectief in de klinische psychologie
- groepsdata kan niet worden toegepast op een individu
- Problemen v cliënten zijn nog niet altijd onderzocht en we kunnen niet wachten tot er onderzoek is
-Elk individu is een unieke constellatie van ervaringen, cultuur en sociale context dus niet te
begrijpen door algemene psychologische wetmatigheden
-Klinische ervaring en intuïtie zijn relevanter dan loutere wetenschap
hoe valide is feedback die op onze intuïtie is gebaseerd?
feedback vaak onderhevig aan sociale wenselijkheid, vergelijkingsmateriaal dat zelf niet
altijd volledig correct is, KT en LT effecten wetenschappelijke input belangrijk
combinatie wetenschap en intuïtieve handelingen
2.1.3 Belangrijke transitie-periode
- enorme vooruitgangen vastgesteld
- meerdere goede databases voor handen die wet. , gedifferentieerde kennis toegankelijk maken
- meer handigheid en vertrouwdheid met ‘just-in-time knowledge’
- verhoogde interesse in disseminatie (uitzaaiing) en verschillende open acces tijdschriften
2.2 Wetenschapsfilosofische kaders
- Epistemologie (kennisleer): studie van de aard, oorsprong, voorwaarden voor en reikwijdte v kennis
(Ponterotto, KDA)
4
,2.2.1 Grote Paradigma’s
A. Modernisme
- Positivisme: enkel de empirische wetenschappen leveren geldige kennis op
- Ontologie: er is maar 1 ware externe realiteit die kenbaar, identificeerbaar en meetbaar is
(naïef realisme)
- Epistemologie: de onderzoeker en participant zijn onafhankelijk van elkaar, door
gestandaardiseerde procedures kunnen we objectief en zonder bias zaken meten en
bestuderen (dualisme/objectivisme)
- Onderzoeksbevindingen zijn absoluut waar indien gerepliceerd
- Post-positivisme: aanvaarden dat wetenschappers inherent biased zijn, dus zo objectief mogelijk
proberen zijn door de mogelijke effecten van biases te erkennen
- Ontologie: er is 1 waren externe realiteit, maar die is maar deels kenbaar (kritisch realisme)
- Epistemologie: er is een mogelijke invloed van de onderzoeker, maar onderzoeker en
participant zijn nog steeds onafhankelijk (aangepast dualisme/objectivisme)
- Onderzoeksbevindingen zijn waarschijnlijk waar
B. Post-modernisme
- (Sociaal-) constructivisme: onze ervaring van de wereld wordt deels geconstrueerd door sociale
processen die afhangen van de maatschappij waarin we leven
- Ontologie: er zijn meervoudige, geconstrueerde, subjectieve realiteiten die beïnvloed
worden door de context van de situatie (relativisme)
- Epistemologie: onderzoeker en participant zijn afhankelijk van elkaar en dit staat centraal
om de ervaring van de participant te vatten (transactioneel/subjectivistisch)
- Onderzoeksbevindingen zijn geconstrueerd
- Kritisch-Ideologisch: theorie gericht op het bekritiseren en veranderen van de maatschappij, in
plaats van enkel de maatschappij proberen te begrijpen of uitleggen
- Ontologie: realiteiten worden gevormd door sociale, politieke, culturele, economische,
etnische en genderwaarden die gemedieerd worden door de machtsrelaties die sociaal en
historisch gegrond zijn (historisch realisme/relativisme)
- Epistemologie: er is een dialectische relatie tussen onderzoeker en participant met als doe
transformatie of emancipatie voor de participant (transactioneel/subjectivistisch)
2.2.2 (Post-)positivisme en klinische psychologie
- Psychologie op zoek naar algemene wetmatigheden (oorzaak pathologie zoeken): nomothetisch
- Meetbaar maken van variabelen
- Doel van onderzoek: verklaring die leidt tot de predictie en controle van fenomenen (pathologie)
- Hypothetisch-deductieve methode centraal in psychologisch onderzoek
- Observatie – Inductie (wetmatigheden formuleren) – Deductie – Toetsen – Evaluatie
2.2.3 Kritiek op (Post-)positivisme
- Door de dominantie van kwantitatieve methodes lijden we veel verlies van mogelijks andere
belangrijke variabelen
- Er is geen aandacht voor betekenis en motivatie
- Door de artificiële onderzoekscontext daalt de relevantie voor de onderzocht populatie
- Het is niet toepasbaar op individuele gevallen
- Exploratieve dimensie van onderzoek verdwijnt
2.2.4 Sociaal-constructivisme
- Postmodernistische traditie die stelt dat er niet 1 realiteit is, maar meerdere geconstrueerde
- Waarheid en objectieve kennis van de wereld zijn onmogelijk
5
,- Realiteit: afhankelijk van taal taal staat centraal er is geen eenduidige betekenis van woorden en
teksten
- Nadruk op het belang van context
- De sociale realiteit wordt actief geconstrueerd door mensen
- Constructivisme: de mens is voortdurend betrokken in het verwerken en evalueren van de
omgeving en daarop te reageren op basis van een betekenis verlenend proces (belang van cognitieve
processen)
- Sociaal-constructivisme: het proces van constructie wordt sociaal gemedieerd (belang van relaties
en interacties)
2.2.5 Sociaal-constructivisme en de klinische psychologie
- Stoornissen zijn sociocultureel bepaald (volgens kritisch-ideologsich: sociocultureel bepaald in
functie van machtsstructuren)
- Er zijn geen absolute definities van normaliteit en abnormaliteit
- Belang van subjectief geleefde ervaring
- Er is geen absolute voorspelbaarheid van het therapeutisch proces
2.2.6 Sociaal-constructivisme en onderzoek
- De relatie tussen patiënt en therapeut staat meer centraal
- Meer kwalitatief onderzoek
- Belang van taal: identiteit als narratieve constructie
- Geen streven naar absolute kennis maar wel bruikbare kennis
- Kennis bestaat nooit op zich, de context moet altijd in beschouwing worden genomen (niet
universeel)
2.2.7 Kritiek op het postmodernisme
- Lilienfeld: postmodernism as a threat to scientific psychology
- Groot sceptisme van wetmatigheden
- Wetenschappelijke kennis is niet meer waar dan andere soorten kennis
- Pessimisme over wetenschappelijke vooruitgang
- Subjectivisme en notie dat de wereld sociaal geconstrueerd is
- Extreem relativisme en ontkenning van universele wetenschappelijke waarheden
2.2.8 Wetenschapsfilosofische achtergrond is altijd aanwezig
- Onderzoek gebeurt meestal niet uit 1 epistemologisch kader, maar heeft wel verschillende
klemtonen
- Elk kader heeft sterke en zwakke kanten in het denken over wetenschap
- Dit vormt de grond voor debatten in de psychologie
2.3 Metamodellen
- Binnen de klinische psychologie: dichotome relatie tss de medische en contextuele visie
- Dit komt door de unieke positie van klinische psychologie als een integratie van
psychologie, psychiatrie en andere disciplines
- De visie verschillen op de manier waarop ze kijken naar wat de beste behandeling van een
conditie hoort te zijn
2.3.1 Medische visie
- Kenmerken:
o Patiënt met ziekte/stoornis, focus op syndromen en symptomen
o Diagnose, prognose
o Medische denk- en handelwijze: unidirectionele causaliteit
6
, o Zoektocht naar biologische of psychische oorzaak
o Duidelijke link tussen diagnose en behandeling
- Oorzaken: wetenschappelijke verklaringsmodellen
o Biologisch: genen, biochemische processen, hersenafwijkingen
o Sociaal: maladaptieve opvoeding, chronische stress
o Psycholoigsch: vaardigheidstekort, maladaptieve cognities, leergeschiedenis,…
o Feedback tussen biologische, sociale en psychologische factoren
o Interactie tussen kwetsbaarheid en stress
- Uitdagingen
o Therapieën bevatten veel ingrediënten (minder gemakkelijk om cruciale elementen
voor verandering te vinden)
o Operationalisatie verandering
o Differentiatie: werkzaam ingrediënt, spontaan herstel, placebo
Medisch: onderscheidbare werkzame component/placebo
Psychotherapie: werkzaam component + placebo
- Conceptuele problemen
o Psychische problemen: geen duidelijk, enkelvoudig biologisch en psychisch substraat
Complexe interacties tss bio-psycho en sociaal
o Behandeling kan aanslaan zonder direct effect te hebben op causale factoren
betrokken bij etiologie en in standhouden van psychopathologie
o Is het correct om te focussen op symptomen en syndromen? (puntje van kritiek:
psychologie moet zich eerder richten op de waarden en normen van cliënt)
2.3.2 Contextuele visie
- Unieke narratieve constructie patiënt is cruciaal
- Werking therapie zijn afhankelijk van de match tussen de constructie van de patiënt en
hulpverlener
- Jerome Frank: demoralisatie
- Zie artikel Wampold
2.3.3 Biopsychosociaal model
- Verschillende modellen leggen verschillende nadrukken, maar is het meest toonaangevend
- Verklaringsmodellen
o Psychologiche factoren psychopathologie
o Biologische factoren biologische psychiatrie (neurologie,…)
o Sociale factoren epidemiologie (voorkomen van stoornissen in de populatie vb.
schizofrenie en etniciteit, is er een verband)
7
, Bevindingen zijn potentieel interessant voor andere factoren
- Toenemend onderzoek naar interacties
Biologische psychiatrie
- Kennis van biologie kan behulpzaam zijn bij het begrijpen van de psychologische stoornissen
- Benaderingen
o Structurele en functionele hersenafwijkingen
o Biochemische afwijkingen (neurotransmitters, endocrinologie)
o Genetische invloeden/afwijkingen (GxE)
- Hoeveelheid verklaarde variantie van biologische variabele in isolatie is vaak beperkt
o Interactie biologie, psychologie en omgeving
Diathesis-stress model
- Diathesis= predispositie, kwetsbaarheid: biologisch gegeven (hoeft niet altijd noodzakelijk
biologische zijn)
- Biologische kwetsbaarheid: genetica, vroegere traumatische ervaringen
- Noodzakelijke antecedente conditie (bepaald in
welke mate je gaat reageren op stressoren)
- Kwetsbaarheid voor stressoren
- Op zichzelf niet voldoende om de stoornis te
verklaren of te voorspellen
- veel kritiek op vorige figuur (kijkt enkel naar
normaal of problematisch gedrag, geen tussenmodel)
- Ook het tweede model is niet het beste model
- Derde model is beter dan de vorige twee
- Kijkt naar de relatie tussen de omgeving en de genen
o Wanneer de omgeving positief is, gaan de personen
ook beter functioneren dan de personen met minder
flexibele genen
8
, - Ruminatie: manier van omgaan met zich slecht voelen en is getypeerd door het herhaaldelijk
en passief focussen op de symptomen van het zich slecht voelen en op de mogelijke
oorzaken en gevolgen ervan.
- Caspi et al. hebben onderzoek gedaan: keken naar variaties van genetische aspecten die te
maken hebben met het serotonine transporter gen
o Op het moment dat er 0 of 1 stresserende gebeurtenis is: weinig variatie in
functioneren (lage niveaus van depressieve klachten
o Op het moment dat de gebeurtenissen toenemen, is er meer differentiatie
o Bij weinig stresserende gebeurtenissen functioneert men beter
- Recent onderzoek toont aan dat
o Moeilijk te repliceren is
o Veel ven de kandidaat genen die bestudeerd werden, hadden weinig tot geen effect
Bijna onvindbaar
- Genen zijn gerelateerd aan meerdere neurotransmittersystemen, werken dus ook nauw
samen
2.3.4 Sociale aspecten
- Sociale factoren hebben een brede invloed:
o Definiëring van normaal vs gestoord gedrag (invloed op onze manier van denken)
o Herkenning/erkenning psychische stoornissen
o Sociale drivers van psychopathologie:
Ongelijkheid, discriminatie, armoede, stress, maatschappelijke tendensen (vb
focus op welzijn)
- Onderzoek door McGuirk et al.: stilstaan en redenen en consequenties (rumineren)
o Groep 1e jaars werd opgedeeld in 3 condities
o De 2 groepen kregen een hele moeilijke anagrammen met tijdsdruk (proefleider zei
achteraf: dat is het antwoord, ik had wel verwacht dat je er meer juist zou hebben)
2 condities: normale proefleider en proefleider die steun biedt wanneer het
niet lukt
9
, o Resultaat: hoeveelheid ruminatie zorgt ervoor dat je er meer over gaat nadenken bij
een ‘happy’ condition
Er is een bepaalde druk: je moet je wel oke voelen
2.3.5 Feedbackloop Biopsychosociaal model
Genetische afwijking Sociale consequenties
Amygdala reactiviteit Werkonbekwaam
Verminderde financiële
middelen
Excessieve respons op Minder sociaal contact
stress
Depressie
Negatieve cognities Onbegrip
(ik ben een zwakkeling) (je moet je niet
aanstellen)
schuldvraag
Sociale Vermijding
Relatieproblemen
Negatieve visie op het zelf
en de wereld
Commentaar op het biopsychosociaal model
- In verschillende biopsychosociale visies is een biologische predispositie noodzakelijk
- Veel discussie over biologie als oorzakelijk/noodzakelijke factor
- Tegenbeweging na decade of the brain
- Zie recent vb les 3 dia 36 en 37
2.4 De wetenschappelijke aanpak
2.4.1 Denken over onderzoek
- Ieder type onderzoek stelt specifieke vragen, er zijn verschillende stoornissen en hebben elk
eigen vragen
o Voorkomen van de stoornissen
10
psychologie
Introductie
Artikels: argumentatie kennen, waarom beargumenteert Wampold dat…
Klinische casus
- Steven 28 jaar; slecht humeur
o Heeft veel stress en vaak ruzie met vriendin
o Gevoel dat hij er alleen voor staat op zijn werk (ploegbaas)
o Mag dansstudio overnemen, vriendin wil dat niet (flirterig gedrag)
o Onzekerheid over zijn toekomst (Melissa ook al vaak bedrogen)
o Middelenmisbruik, leerproblemen en school moe
- De klinische situatie: vragen
o Wie komt er? (geslacht, leeftijd, cultuur)
o Waarom komt hij/zij en welk probleem? (diagnose, geschiedenis, context)
o Bij wie komt iemand? Waar komt hij/zij terecht? (welke hulpverlening)
o Hoe ga je er me om? (verhouding tov onderzoeksobject, hoe gebruik maken van
wetenschappelijke evidentie?)
o Verhouding tov cliënt? (hoe luisteren, vragen stellen? Wat doe je in moeilijke
situaties?)
- Competency Cube: model dat de evolutie in
verschillende competenties beschrijft welke
een professioneel psycholoog zal ondergaan
gedurende de opleiding
o Functionele domeinen (therapievorm,
interventie, consultatie, onderzoek en
evaluatie,…)
o Fundamentele domeinen (wie ben ik
en hoe kan dat mij beïnvloeden in mijn
werk)
o Niveaus van professionele
ontwikkeling (op welk niveau ga je het
uitoefenen, welk diploma)
1
, Hoofdstuk 1: inleiding klinische psychologie
1. Het werkveld van de klinische psychologie
1.1 Introductie
- Klinische psychologie is gebaseerd op psychologische theorieën en principes wordt beschouwd als
een wetenschap
gericht op reductie van ongewenste condities zoals stress, problemen en beperkingen
gericht op het verbeteren van gewenste condities zoals het persoonlijk welbevinden en de
persoonlijke groei
- ook beschouwd als integratieve wetenschap: niet enkel gericht op psychologische component, maar
bekijkt het geheel van functioneren biopsychosociaal model (driehoeksformatie)
1.2 Populaties, settings en taken in de klinische psychologie
- klinische psychologie houdt zich bezig met diverse populaties (kinderen, adolescenten,
volwassenen, ouderen en gezinnen)
- niet iedereen heeft dezelfde problemen verschillende settings (ieder individu kan op een zo
effectief mogelijke manier worden geholpen)
diagnostiek (indicatiestelling) wordt opgesteld, maar daarnaast kan naargelang wat deze
diagnostiek is de patiënt op meerdere manieren geholpen worden
vb. therapie, revalidatie, teambegeleiding, advies of preventies
1.3 Beroepen in de klinische psychologie
- Klinisch psychologen kunnen tewerkgesteld worden in vele sectoren
psychopathologie, verslaafdenzrog, diensten GGZ, psychiatrisch ziekenhuis,…
- multidisciplinaire context:
- psychische processen; cognitie, emotie en gedrag; praten
- multidisciplinair; zorg voor ziel, zingeving; religie, spiritualiteit,
alternatieve behandelingen
- medische visie, biologische psychiatrie; medicamenteus; ernstigere
psychopathologie
- Klinische psychologie, vandaag in onze maatschappij:
veranderingen in de wetgeving (beroep is nu wettelijk
beschermd)
duidelijk statuut, mogelijkheid tot terugbetaling van de consultatie
en de psycholoog moet aan bepaalde vereisten voldoen
- Klinische psychologie, klinisch psycholoog en psychotherapie NIET hetzelfde
-Klinische psychologie: brede werkvel waarbinnen de klinisch psycholoog actief is, de behandeling
die deze psycholoog geeft, noemt psychotherapie
-Klinisch psycholoog: breed takenpakket waartoe de diagnostiek, preventie en behandeling behoren
-(Psycho)therapeut: verzamelnaam voor iemand die beroepsmatig een methode toepast ter
genezing van lichamelijke of geestelijke gezondheidsproblemen, de focus ligt op de behandeling van
de patiënt
2
,Klinische psychologie Psychotherapie
- Preventie, onderzoek, opsporen of - Moeilijkheden, conflicten of
het stellen van een psychische stoornissen van een
psychodiagnose individu weg nemen of verlichten
- Behandeling en begeleiding - Verrichten van psychotherapeutische
ingrepen op basis van een
psychotherapeutisch referentiekader
- Wetenschappelijk onderbouwd, - Psychotherapeutisch referentiekader
klinisch psychologisch
referentiekader
- Gewoonlijk verrichten van - Gebruikelijk verrichten van
autonome handelingen autonome handelingen
- Ingebeeld psychisch of - Individu of een groep individuen
psychosomatisch lijden bij een - Volwaardig systeem waarvan het
individu individu een deel uitmaakt
3
, Hoofdstuk 2: basismodellen en wetenschappelijk
onderzoek
2. Modellen in de klinische psychologie
2.1 Intro: wetenschappelijke benadering
- Basismodel: EBP Evidence-Based Practice model
clinicus tracht de vraag van de patiënt op een klinisch
verantwoorde wijze te relateren aan de huidige stand v
van onderzoek
tracht de relevantie te benadrukken van het informeren van
de patiënten (informed consent)
info moet gebaseerd zijn op de beste beschikbare
onderzoeksevidentie over geëigende opties over diagnostiek,
preventie of interventiemogelijkheden
levenslang leren: inzichten veranderen, info wordt uitgebreid,…
2.1.1 Syllabus: McFall’s manifesto for a science of clinical psychology
(1991)
- Wetenschappelijke klinische psychologie is de enige legitieme en aanvaardbare vorm van klinische
psychologie
- Psychologische diensten mogen niet toegediend worden aan het publiek tenzij ze voldoen aan 4
criteria: - De precieze aard van de dienst wordt duidelijk beschreven
- De voordelen zijn expliciet gemaakt
- De voordelen zijn wetenschappelijk gevalideerd
- Mogelijke negatieve bijeffecten worden empirisch uit de dienst gehaald
- Het voornaamste en belangrijkste doel van doctoraatprogramma’s in de klinische psychologie moet
het produceren van zo competent mogelijke klinische wetenschappers zijn
2.1.2 Kritiek op EBP perspectief in de klinische psychologie
- groepsdata kan niet worden toegepast op een individu
- Problemen v cliënten zijn nog niet altijd onderzocht en we kunnen niet wachten tot er onderzoek is
-Elk individu is een unieke constellatie van ervaringen, cultuur en sociale context dus niet te
begrijpen door algemene psychologische wetmatigheden
-Klinische ervaring en intuïtie zijn relevanter dan loutere wetenschap
hoe valide is feedback die op onze intuïtie is gebaseerd?
feedback vaak onderhevig aan sociale wenselijkheid, vergelijkingsmateriaal dat zelf niet
altijd volledig correct is, KT en LT effecten wetenschappelijke input belangrijk
combinatie wetenschap en intuïtieve handelingen
2.1.3 Belangrijke transitie-periode
- enorme vooruitgangen vastgesteld
- meerdere goede databases voor handen die wet. , gedifferentieerde kennis toegankelijk maken
- meer handigheid en vertrouwdheid met ‘just-in-time knowledge’
- verhoogde interesse in disseminatie (uitzaaiing) en verschillende open acces tijdschriften
2.2 Wetenschapsfilosofische kaders
- Epistemologie (kennisleer): studie van de aard, oorsprong, voorwaarden voor en reikwijdte v kennis
(Ponterotto, KDA)
4
,2.2.1 Grote Paradigma’s
A. Modernisme
- Positivisme: enkel de empirische wetenschappen leveren geldige kennis op
- Ontologie: er is maar 1 ware externe realiteit die kenbaar, identificeerbaar en meetbaar is
(naïef realisme)
- Epistemologie: de onderzoeker en participant zijn onafhankelijk van elkaar, door
gestandaardiseerde procedures kunnen we objectief en zonder bias zaken meten en
bestuderen (dualisme/objectivisme)
- Onderzoeksbevindingen zijn absoluut waar indien gerepliceerd
- Post-positivisme: aanvaarden dat wetenschappers inherent biased zijn, dus zo objectief mogelijk
proberen zijn door de mogelijke effecten van biases te erkennen
- Ontologie: er is 1 waren externe realiteit, maar die is maar deels kenbaar (kritisch realisme)
- Epistemologie: er is een mogelijke invloed van de onderzoeker, maar onderzoeker en
participant zijn nog steeds onafhankelijk (aangepast dualisme/objectivisme)
- Onderzoeksbevindingen zijn waarschijnlijk waar
B. Post-modernisme
- (Sociaal-) constructivisme: onze ervaring van de wereld wordt deels geconstrueerd door sociale
processen die afhangen van de maatschappij waarin we leven
- Ontologie: er zijn meervoudige, geconstrueerde, subjectieve realiteiten die beïnvloed
worden door de context van de situatie (relativisme)
- Epistemologie: onderzoeker en participant zijn afhankelijk van elkaar en dit staat centraal
om de ervaring van de participant te vatten (transactioneel/subjectivistisch)
- Onderzoeksbevindingen zijn geconstrueerd
- Kritisch-Ideologisch: theorie gericht op het bekritiseren en veranderen van de maatschappij, in
plaats van enkel de maatschappij proberen te begrijpen of uitleggen
- Ontologie: realiteiten worden gevormd door sociale, politieke, culturele, economische,
etnische en genderwaarden die gemedieerd worden door de machtsrelaties die sociaal en
historisch gegrond zijn (historisch realisme/relativisme)
- Epistemologie: er is een dialectische relatie tussen onderzoeker en participant met als doe
transformatie of emancipatie voor de participant (transactioneel/subjectivistisch)
2.2.2 (Post-)positivisme en klinische psychologie
- Psychologie op zoek naar algemene wetmatigheden (oorzaak pathologie zoeken): nomothetisch
- Meetbaar maken van variabelen
- Doel van onderzoek: verklaring die leidt tot de predictie en controle van fenomenen (pathologie)
- Hypothetisch-deductieve methode centraal in psychologisch onderzoek
- Observatie – Inductie (wetmatigheden formuleren) – Deductie – Toetsen – Evaluatie
2.2.3 Kritiek op (Post-)positivisme
- Door de dominantie van kwantitatieve methodes lijden we veel verlies van mogelijks andere
belangrijke variabelen
- Er is geen aandacht voor betekenis en motivatie
- Door de artificiële onderzoekscontext daalt de relevantie voor de onderzocht populatie
- Het is niet toepasbaar op individuele gevallen
- Exploratieve dimensie van onderzoek verdwijnt
2.2.4 Sociaal-constructivisme
- Postmodernistische traditie die stelt dat er niet 1 realiteit is, maar meerdere geconstrueerde
- Waarheid en objectieve kennis van de wereld zijn onmogelijk
5
,- Realiteit: afhankelijk van taal taal staat centraal er is geen eenduidige betekenis van woorden en
teksten
- Nadruk op het belang van context
- De sociale realiteit wordt actief geconstrueerd door mensen
- Constructivisme: de mens is voortdurend betrokken in het verwerken en evalueren van de
omgeving en daarop te reageren op basis van een betekenis verlenend proces (belang van cognitieve
processen)
- Sociaal-constructivisme: het proces van constructie wordt sociaal gemedieerd (belang van relaties
en interacties)
2.2.5 Sociaal-constructivisme en de klinische psychologie
- Stoornissen zijn sociocultureel bepaald (volgens kritisch-ideologsich: sociocultureel bepaald in
functie van machtsstructuren)
- Er zijn geen absolute definities van normaliteit en abnormaliteit
- Belang van subjectief geleefde ervaring
- Er is geen absolute voorspelbaarheid van het therapeutisch proces
2.2.6 Sociaal-constructivisme en onderzoek
- De relatie tussen patiënt en therapeut staat meer centraal
- Meer kwalitatief onderzoek
- Belang van taal: identiteit als narratieve constructie
- Geen streven naar absolute kennis maar wel bruikbare kennis
- Kennis bestaat nooit op zich, de context moet altijd in beschouwing worden genomen (niet
universeel)
2.2.7 Kritiek op het postmodernisme
- Lilienfeld: postmodernism as a threat to scientific psychology
- Groot sceptisme van wetmatigheden
- Wetenschappelijke kennis is niet meer waar dan andere soorten kennis
- Pessimisme over wetenschappelijke vooruitgang
- Subjectivisme en notie dat de wereld sociaal geconstrueerd is
- Extreem relativisme en ontkenning van universele wetenschappelijke waarheden
2.2.8 Wetenschapsfilosofische achtergrond is altijd aanwezig
- Onderzoek gebeurt meestal niet uit 1 epistemologisch kader, maar heeft wel verschillende
klemtonen
- Elk kader heeft sterke en zwakke kanten in het denken over wetenschap
- Dit vormt de grond voor debatten in de psychologie
2.3 Metamodellen
- Binnen de klinische psychologie: dichotome relatie tss de medische en contextuele visie
- Dit komt door de unieke positie van klinische psychologie als een integratie van
psychologie, psychiatrie en andere disciplines
- De visie verschillen op de manier waarop ze kijken naar wat de beste behandeling van een
conditie hoort te zijn
2.3.1 Medische visie
- Kenmerken:
o Patiënt met ziekte/stoornis, focus op syndromen en symptomen
o Diagnose, prognose
o Medische denk- en handelwijze: unidirectionele causaliteit
6
, o Zoektocht naar biologische of psychische oorzaak
o Duidelijke link tussen diagnose en behandeling
- Oorzaken: wetenschappelijke verklaringsmodellen
o Biologisch: genen, biochemische processen, hersenafwijkingen
o Sociaal: maladaptieve opvoeding, chronische stress
o Psycholoigsch: vaardigheidstekort, maladaptieve cognities, leergeschiedenis,…
o Feedback tussen biologische, sociale en psychologische factoren
o Interactie tussen kwetsbaarheid en stress
- Uitdagingen
o Therapieën bevatten veel ingrediënten (minder gemakkelijk om cruciale elementen
voor verandering te vinden)
o Operationalisatie verandering
o Differentiatie: werkzaam ingrediënt, spontaan herstel, placebo
Medisch: onderscheidbare werkzame component/placebo
Psychotherapie: werkzaam component + placebo
- Conceptuele problemen
o Psychische problemen: geen duidelijk, enkelvoudig biologisch en psychisch substraat
Complexe interacties tss bio-psycho en sociaal
o Behandeling kan aanslaan zonder direct effect te hebben op causale factoren
betrokken bij etiologie en in standhouden van psychopathologie
o Is het correct om te focussen op symptomen en syndromen? (puntje van kritiek:
psychologie moet zich eerder richten op de waarden en normen van cliënt)
2.3.2 Contextuele visie
- Unieke narratieve constructie patiënt is cruciaal
- Werking therapie zijn afhankelijk van de match tussen de constructie van de patiënt en
hulpverlener
- Jerome Frank: demoralisatie
- Zie artikel Wampold
2.3.3 Biopsychosociaal model
- Verschillende modellen leggen verschillende nadrukken, maar is het meest toonaangevend
- Verklaringsmodellen
o Psychologiche factoren psychopathologie
o Biologische factoren biologische psychiatrie (neurologie,…)
o Sociale factoren epidemiologie (voorkomen van stoornissen in de populatie vb.
schizofrenie en etniciteit, is er een verband)
7
, Bevindingen zijn potentieel interessant voor andere factoren
- Toenemend onderzoek naar interacties
Biologische psychiatrie
- Kennis van biologie kan behulpzaam zijn bij het begrijpen van de psychologische stoornissen
- Benaderingen
o Structurele en functionele hersenafwijkingen
o Biochemische afwijkingen (neurotransmitters, endocrinologie)
o Genetische invloeden/afwijkingen (GxE)
- Hoeveelheid verklaarde variantie van biologische variabele in isolatie is vaak beperkt
o Interactie biologie, psychologie en omgeving
Diathesis-stress model
- Diathesis= predispositie, kwetsbaarheid: biologisch gegeven (hoeft niet altijd noodzakelijk
biologische zijn)
- Biologische kwetsbaarheid: genetica, vroegere traumatische ervaringen
- Noodzakelijke antecedente conditie (bepaald in
welke mate je gaat reageren op stressoren)
- Kwetsbaarheid voor stressoren
- Op zichzelf niet voldoende om de stoornis te
verklaren of te voorspellen
- veel kritiek op vorige figuur (kijkt enkel naar
normaal of problematisch gedrag, geen tussenmodel)
- Ook het tweede model is niet het beste model
- Derde model is beter dan de vorige twee
- Kijkt naar de relatie tussen de omgeving en de genen
o Wanneer de omgeving positief is, gaan de personen
ook beter functioneren dan de personen met minder
flexibele genen
8
, - Ruminatie: manier van omgaan met zich slecht voelen en is getypeerd door het herhaaldelijk
en passief focussen op de symptomen van het zich slecht voelen en op de mogelijke
oorzaken en gevolgen ervan.
- Caspi et al. hebben onderzoek gedaan: keken naar variaties van genetische aspecten die te
maken hebben met het serotonine transporter gen
o Op het moment dat er 0 of 1 stresserende gebeurtenis is: weinig variatie in
functioneren (lage niveaus van depressieve klachten
o Op het moment dat de gebeurtenissen toenemen, is er meer differentiatie
o Bij weinig stresserende gebeurtenissen functioneert men beter
- Recent onderzoek toont aan dat
o Moeilijk te repliceren is
o Veel ven de kandidaat genen die bestudeerd werden, hadden weinig tot geen effect
Bijna onvindbaar
- Genen zijn gerelateerd aan meerdere neurotransmittersystemen, werken dus ook nauw
samen
2.3.4 Sociale aspecten
- Sociale factoren hebben een brede invloed:
o Definiëring van normaal vs gestoord gedrag (invloed op onze manier van denken)
o Herkenning/erkenning psychische stoornissen
o Sociale drivers van psychopathologie:
Ongelijkheid, discriminatie, armoede, stress, maatschappelijke tendensen (vb
focus op welzijn)
- Onderzoek door McGuirk et al.: stilstaan en redenen en consequenties (rumineren)
o Groep 1e jaars werd opgedeeld in 3 condities
o De 2 groepen kregen een hele moeilijke anagrammen met tijdsdruk (proefleider zei
achteraf: dat is het antwoord, ik had wel verwacht dat je er meer juist zou hebben)
2 condities: normale proefleider en proefleider die steun biedt wanneer het
niet lukt
9
, o Resultaat: hoeveelheid ruminatie zorgt ervoor dat je er meer over gaat nadenken bij
een ‘happy’ condition
Er is een bepaalde druk: je moet je wel oke voelen
2.3.5 Feedbackloop Biopsychosociaal model
Genetische afwijking Sociale consequenties
Amygdala reactiviteit Werkonbekwaam
Verminderde financiële
middelen
Excessieve respons op Minder sociaal contact
stress
Depressie
Negatieve cognities Onbegrip
(ik ben een zwakkeling) (je moet je niet
aanstellen)
schuldvraag
Sociale Vermijding
Relatieproblemen
Negatieve visie op het zelf
en de wereld
Commentaar op het biopsychosociaal model
- In verschillende biopsychosociale visies is een biologische predispositie noodzakelijk
- Veel discussie over biologie als oorzakelijk/noodzakelijke factor
- Tegenbeweging na decade of the brain
- Zie recent vb les 3 dia 36 en 37
2.4 De wetenschappelijke aanpak
2.4.1 Denken over onderzoek
- Ieder type onderzoek stelt specifieke vragen, er zijn verschillende stoornissen en hebben elk
eigen vragen
o Voorkomen van de stoornissen
10