-> 2.1 Lamarckisme
Jean-Baptiste de Lamarck
- Franse bioloog
- verklaring evolutie: lange nek van een giraf
- voorouder had kortere nek
- nek rekken om bij voedsel te kunnen
- langere nek gekregen
- nakomelingen krijgen ook een langere nek
- veranderingen die optreden in het leven van de giraffen is dus
erfelijk
Lamarckisme: 2 belangrijke pijlers:
- het al of niet gebruiken van organen
- Organen of eigenschappen die veel gebruikt worden, worden
steeds meer ontwikkeld.
- een voetballer heeft sterkere beenspieren
- een patiënt die lang in bed ligt, heeft verzwakte spieren door
gebrek aan activiteit
- het idee dat veranderingen erfelijk zijn
- de voetballer geeft sterkere beenspieren door aan zijn
kinderen
- de patiënt met verzwakte spieren geeft dit ook door aan zijn of
haar kinderen
=> deels foute theorie
- modificaties (veranderingen) zijn niet erfelijk
- geen verklaring voor het mechanisme van evolutie
- wel belangrijke rol in de theorie van de geleidelijke verandering van
organismen
,-> 2.2 Darwinisme
Charles Darwin
- Britse bioloog
- wereldreis met verkenningsschip HMS Beagle
- bracht alle planten en dieren in kaart
- en verzamelde organismen uit alle continenten
- Belangrijkste waarneming Galapagoseilanden
- ten westen van Zuid-Amerika
- unieke planten- en diersoorten (nergens terug te vinden)
- sommige soorten op één specifiek eiland = endemische
soorten
darwinvinken
- Elk eiland ander milieu (dikken noten, andere zaden)
- unieke snavelvorm per milieu (om noten te openen)
- verzamelde organismen uit alle continenten
- specifiek voedselaanbod
- geleidelijke aanpassing aan hun omgeving en voedsel
- geografische isolatie omdat ze zich op een eiland bevonden
- snellere evolutie, verschillende soorten eigen aan elk eiland
schilpadden
- variatie in neklengte
- specifiek voedselaanbod
- eilanden met gras en lage planten: korte nek
- eilanden met veel droge gebieden (cactussen): langere nek
=>conclusie: soorten zijn veranderlijk en aangepast aan hun omgeving
, Gedomesticeerde rassen
= zijn diersoorten of plantensoorten die door de mens zijn aangepast en
gekweekt om gewenste eigenschappen te verkrijgen, zoals tamheid,
productiviteit of bruikbaarheid.
- duivenmelkers en hondenfokkers
- gerichte voortplanting
- nakomelingen met de gewenste kenmerken
- grote variatie aan bv. Hondenrassen
Kunstmatige selectie is het mechanisme waarmee bepaalde
eigenschappen door de mens geselecteerd worden bij fokken van dieren of
telen van planten
Voorbeelden kunstmatig:
- de banaan in Afrika met een pit
- Mopshonden neus te klein moeilijk ademen (altijd de kortste bek met
elkaar gaan kweken, zo kleien neus gekregen)(altijd selectieve,
slecht want variatie belangrijk)
- Labradoodle mag niet meer gefokt worden
- Duitse herders: slechte heupen
1) Kunstmatige = gedaan door de mensen (fokken)
2) Seksuele selectie = de mooiste
3) Natuurlijke selectie
selectieprincipe in de natuur: struggle for life
- = strijd om te overleven
- grotere populaties dan dat er voedsel was
- grootte van populaties levensvatbaar, door hongersnoden en andere
catastrofes