Taak 5: Drukte om bloeddruk
1. Wat zijn de basisprincipes van bloedcirculatie?
1) Bloedstroom/bloodflow: hoog lage druk. Hart creëert de druk. De snelheid van
de bloedstroom wordt beïnvloed door de drukverschillen en de weerstand in de
bloedvaten.
- Wet van Ohm: De bloedstroom (Q) is direct evenredig met het drukverschil (ΔP) en omgekeerd
evenredig met de weerstand (R).
2) Bloeddruk = de kracht die door het bloed op de wanden van de bloedvaten wordt uitgeoefend. Aorta
(hoogst) venen (laagst).
Systolisch: De maximale druk tijdens de samentrekking van het hart (systole).
Diastolisch: De minimale druk tijdens de ontspanning van het hart (diastole).
3) Weerstand: de kracht die de bloedstroom tegenwerkt.
Bepaald door:
Vaatdiameter: kleiner = meer weerstand.
Bloedviscositeit: dikker bloed = meer weerstand.
Lengte van de bloedvaten: langer bloedvat = meer weerstand.
Meeste weerstand: arteriolen, ze kunnen de grootste variaties in diameter ondergaan.
4) Wet van Poiseuille (zie leerdoel 3).
5) Relatie tussen druk, flow en weerstand:
De gemiddelde arteriële druk (MAP) is afhankelijk van de cardiac output + de perifere weerstand.
6) Distributie van het bloedvolume:
Slagaders: Bevatten ongeveer 11% van het totale bloedvolume en hebben een lage capaciteit.
Venen: Bevatten ongeveer 60% van het totale bloedvolume en fungeren als reservoirs die bloed
kunnen opslaan en afgeven wanneer nodig (bijvoorbeeld tijdens inspanning).
7) Drukgradiënt:
De bloedstroom wordt aangedreven door een drukgradiënt: het bloed stroomt van gebieden met hoge
druk naar gebieden met lage druk. Dit drukverschil wordt gecreëerd door de pompfunctie van het hart.
Het grootste drukverschil in het lichaam bevindt zich tussen de aorta (hoogste druk) en de vena
cava (laagste druk).
8) Pulse pressure
Polsdruk is het verschil tussen de systolische en diastolische bloeddruk:
Dit geeft een indicatie van de elasticiteit en conditie van de grote arteriën. Een grotere polsdruk
(bijvoorbeeld door stijvere arteriën) kan wijzen op een verhoogd risico op hart- en vaatziekten.
9) Fasen can Korotkoff-geluiden (Bloeddrukmeting)
Bij het meten van bloeddruk met een manchet, luister je naar de Korotkoff-geluiden, die hoorbaar
worden als de druk in de manchet langzaam wordt verlaagd. De fasen zijn:
- Fase 1: Het eerste geluid (systolische druk), dit is het moment waarop bloed door de slagader
begint te stromen.
, - Fase 2: De geluiden worden zachter of verdwijnen.
- Fase 3: De geluiden worden luider en duidelijker.
- Fase 4: De geluiden worden gedempt en zachter.
- Fase 5: Het laatste geluid, waarna het stil wordt (diastolische druk).
Deze geluiden helpen om zowel de systolische als diastolische druk te bepalen.
10) Cardiac output/hartminuutvolume: CO = HR x SV
1.1 De regulatie van bloeddruk op de korte termijn
De regulatie van bloeddruk op korte termijn is een cruciaal proces dat het lichaam in staat stelt om snel
aanpassingen te maken in de bloeddruk, afhankelijk van de directe behoeften van het lichaam, zoals bij
inspanning, stress, of veranderingen in houding (bijvoorbeeld van liggen naar staan). Deze korte termijn
regulatie gebeurt voornamelijk door het zenuwstelsel en hormonale mechanismen, en werkt in seconden tot
minuten. De belangrijkste mechanismen zijn:
1) Baroreceptor Reflex:
De baroreceptoren zijn drukgevoelige sensoren die zich voornamelijk bevinden in:
- De aortaboog
- De carotis sinus (halsslagader)
Deze receptoren reageren op veranderingen in de rek van de slagaderwanden, die veroorzaakt worden
door schommelingen in de bloeddruk. Ze sturen signalen naar het vasomotorisch centrum in de
hersenstam (medulla oblongata), dat vervolgens de hartslag, bloedvatdiameter en de kracht van de
hartcontracties aanpast.
- Bij een hoge bloeddruk: Baroreceptoren worden geactiveerd door de uitrekking van de
vaatwanden. Ze sturen signalen naar het centrale zenuwstelsel om de sympathische activiteit
te verlagen en de parasympathische activiteit te verhogen, wat leidt tot:
o Een verlaging van de hartslag (negatieve chronotropie).
o Vasodilatatie (verwijding van de bloedvaten), wat de weerstand in de vaten vermindert.
o Verminderde contractiekracht van het hart (negatieve inotropie). Dit alles helpt om de
bloeddruk te verlagen.
- Bij een lage bloeddruk: De baroreceptoren worden minder gestimuleerd, wat leidt tot een
toename van de sympathische activiteit. Dit resulteert in:
1. Wat zijn de basisprincipes van bloedcirculatie?
1) Bloedstroom/bloodflow: hoog lage druk. Hart creëert de druk. De snelheid van
de bloedstroom wordt beïnvloed door de drukverschillen en de weerstand in de
bloedvaten.
- Wet van Ohm: De bloedstroom (Q) is direct evenredig met het drukverschil (ΔP) en omgekeerd
evenredig met de weerstand (R).
2) Bloeddruk = de kracht die door het bloed op de wanden van de bloedvaten wordt uitgeoefend. Aorta
(hoogst) venen (laagst).
Systolisch: De maximale druk tijdens de samentrekking van het hart (systole).
Diastolisch: De minimale druk tijdens de ontspanning van het hart (diastole).
3) Weerstand: de kracht die de bloedstroom tegenwerkt.
Bepaald door:
Vaatdiameter: kleiner = meer weerstand.
Bloedviscositeit: dikker bloed = meer weerstand.
Lengte van de bloedvaten: langer bloedvat = meer weerstand.
Meeste weerstand: arteriolen, ze kunnen de grootste variaties in diameter ondergaan.
4) Wet van Poiseuille (zie leerdoel 3).
5) Relatie tussen druk, flow en weerstand:
De gemiddelde arteriële druk (MAP) is afhankelijk van de cardiac output + de perifere weerstand.
6) Distributie van het bloedvolume:
Slagaders: Bevatten ongeveer 11% van het totale bloedvolume en hebben een lage capaciteit.
Venen: Bevatten ongeveer 60% van het totale bloedvolume en fungeren als reservoirs die bloed
kunnen opslaan en afgeven wanneer nodig (bijvoorbeeld tijdens inspanning).
7) Drukgradiënt:
De bloedstroom wordt aangedreven door een drukgradiënt: het bloed stroomt van gebieden met hoge
druk naar gebieden met lage druk. Dit drukverschil wordt gecreëerd door de pompfunctie van het hart.
Het grootste drukverschil in het lichaam bevindt zich tussen de aorta (hoogste druk) en de vena
cava (laagste druk).
8) Pulse pressure
Polsdruk is het verschil tussen de systolische en diastolische bloeddruk:
Dit geeft een indicatie van de elasticiteit en conditie van de grote arteriën. Een grotere polsdruk
(bijvoorbeeld door stijvere arteriën) kan wijzen op een verhoogd risico op hart- en vaatziekten.
9) Fasen can Korotkoff-geluiden (Bloeddrukmeting)
Bij het meten van bloeddruk met een manchet, luister je naar de Korotkoff-geluiden, die hoorbaar
worden als de druk in de manchet langzaam wordt verlaagd. De fasen zijn:
- Fase 1: Het eerste geluid (systolische druk), dit is het moment waarop bloed door de slagader
begint te stromen.
, - Fase 2: De geluiden worden zachter of verdwijnen.
- Fase 3: De geluiden worden luider en duidelijker.
- Fase 4: De geluiden worden gedempt en zachter.
- Fase 5: Het laatste geluid, waarna het stil wordt (diastolische druk).
Deze geluiden helpen om zowel de systolische als diastolische druk te bepalen.
10) Cardiac output/hartminuutvolume: CO = HR x SV
1.1 De regulatie van bloeddruk op de korte termijn
De regulatie van bloeddruk op korte termijn is een cruciaal proces dat het lichaam in staat stelt om snel
aanpassingen te maken in de bloeddruk, afhankelijk van de directe behoeften van het lichaam, zoals bij
inspanning, stress, of veranderingen in houding (bijvoorbeeld van liggen naar staan). Deze korte termijn
regulatie gebeurt voornamelijk door het zenuwstelsel en hormonale mechanismen, en werkt in seconden tot
minuten. De belangrijkste mechanismen zijn:
1) Baroreceptor Reflex:
De baroreceptoren zijn drukgevoelige sensoren die zich voornamelijk bevinden in:
- De aortaboog
- De carotis sinus (halsslagader)
Deze receptoren reageren op veranderingen in de rek van de slagaderwanden, die veroorzaakt worden
door schommelingen in de bloeddruk. Ze sturen signalen naar het vasomotorisch centrum in de
hersenstam (medulla oblongata), dat vervolgens de hartslag, bloedvatdiameter en de kracht van de
hartcontracties aanpast.
- Bij een hoge bloeddruk: Baroreceptoren worden geactiveerd door de uitrekking van de
vaatwanden. Ze sturen signalen naar het centrale zenuwstelsel om de sympathische activiteit
te verlagen en de parasympathische activiteit te verhogen, wat leidt tot:
o Een verlaging van de hartslag (negatieve chronotropie).
o Vasodilatatie (verwijding van de bloedvaten), wat de weerstand in de vaten vermindert.
o Verminderde contractiekracht van het hart (negatieve inotropie). Dit alles helpt om de
bloeddruk te verlagen.
- Bij een lage bloeddruk: De baroreceptoren worden minder gestimuleerd, wat leidt tot een
toename van de sympathische activiteit. Dit resulteert in: