Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 39 pagina's
Samenvatting

Uitgebreide samenvatting Inleiding Methodologie en Statistiek (Hoorcollege's): 9.5 voor tentamen!

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 39 pagina's

Dit is mijn uitgebreide samenvatting van de hoorcollege's van het vak Inleiding methodologie en statistiek. Dit vak maakt deel uit van de Bachelor Psychologie aan de Universiteit Leiden (Jaar 1). Deze samenvatting is inclusief plaatjes, voorbeelden, oefenvragen en uitwerkingen van berekeningen. Ik heb de hoorcollege's terug gekeken en voor het grootste deel woord voor woord meegeschreven. Deze samenvatting kan je dan ook tijdens de live hoorcollege's erbij houden en er eventueel nog dingen bij zetten of onderstrepen die je belangrijk lijken. Op die manier hoef je de college's niet meer terug te kijken voor informatie die je tijdens het luisteren gemist hebt en kan je die tijd weer voor andere dingen gebruiken. Al denk ik dat je aan deze samenvatting alleen ook al genoeg hebt, ik heb namelijk voor het theorie tentamen alleen deze samenvatting geleerd en daarmee een 9.5 gehaald.

Voorbeeld van de inhoud

Samenvatting Hoorcollege’s M&S

Week 1 (HC1)

HC1: Grondprincipes van de Wetenschap

Psychologie= een wetenschappelijke discipline die gedrag en mentale processen (denken, emotie)
bestudeert met wetenschappelijke methoden.

Kenmerken van de wetenschappelijke benadering:
1. Systematisch empirisme:
Empirisme= het idee dat je kennis kunt vergaren door observatie van de dingen om je heen. (John
Locke, David Hugh)
Deze observatie voer je dus op een systematische manier uit.
2. Publieke verificatie:
Onderzoek moet repliceerbaar zijn. Anderen moeten precies hetzelfde onderzoek kunnen doen en
hetzelfde kunnen vinden.
3. Oplosbare problemen:
De vragen die worden beantwoord zijn oplosbaar.
VB: De vraag of er engelen bestaan is niet perse irrelevant maar valt buiten het domein van de
wetenschap; het is niet oplosbaar.

Wetenschappers;
- Ontdekken en beschrijven verschijnselen, patronen en relaties.
- Stellen verklaringen/theorieën op, toetsen en evalueren deze.

Categorieën van onderzoek:
1. Descriptief onderzoek
Meest basale vorm van onderzoek. Verschijnselen (gedrag, emoties, etc.) worden omschreven.
2. Correlationeel onderzoek
Onderzoek naar de relatie tussen verschijnselen.
3. Experimenteel onderzoek
Onderzoek naar causale relaties. Er zijn eisen voor een experimenteel onderzoek; wanneer is iets
een experiment en wanneer kan je dus een causale relatie concluderen:
- Manipulatie
- Random toewijzing
- Controle
4. Quasi-experimenteel onderzoek
Dit is een vorm van experimenteel onderzoek, maar het wordt vaak toegepast in de natuurlijke
omgeving. Hierdoor zijn er limitaties in hoeverre je kan voldoen aan de eisen van een experimenteel
onderzoek;
- Random toewijzing is niet altijd mogelijk;
VB: in een klaslokaal met jonge kinderen of afdelingen van bedrijven. Je werkt dan met de
groepen die er zijn.
- Er is minder strenge controle mogelijk.
De causale relaties die dit onderzoek vindt zijn dan ook minder zeker dan bij een experimenteel
onderzoek.

,Emperische cyclus volgens De Groot:
1. Observatie fase
Het idee voor een onderzoeksvraag ontstaat. Dit idee kan overal vandaan komen (=vrijheid van
ontwerp), je kan iets zelf geobserveerd hebben, je kan iets ergens gelezen hebben, of juist een oude
theorie willen heronderzoeken.
VB: Onderzoeker ziet mensen ruzie maken. Hij vraagt zich af: “waarom maken mensen ruzie?”.
2. Inductie fase
In deze fase wordt vanuit het idee voor de onderzoeksvraag een algemene theorie gevormd. Dit
wordt ook wel een algemene hypothese gebruikt. Deze theorie is heel algemeen en is dan ook niet
volledig toetsbaar; hij is niet afgebakend.
Leap of faith: je kan een theorie opstellen die aannemelijk is maar je weet nooit of die theorie ook
echt waar is.
Theorie= een verzameling uitspraken (proposities/stellingen) die de relatie beschrijft tussen een
aantal begrippen (concepten).
VB: Mensen zijn meer geneigd om ruzie te maken in stressvolle situaties.
3. Deductie fase
In deze fase wordt een toetsbare werkhypothese gevormd vanuit de algemene theorie/hypothese.
Je pakt als het ware een stukje uit je algemene hypothese en gaat dat onderzoeken (op het einde
koppel je dat kleine stukje wat je onderzocht hebt dan weer terug op de algemene overkoepelende
theorie). Het is een voorspelling die uit de algemene theorie volgt.
Je maakt de werkhypothese ook meetbaar voor een onderzoek. Je gaat definiëren:
- Conceptuele definities= wat wordt er met een begrip bedoelt, zoals het in het woordenboek
staat. (Hint: als je een definitie aanvult met je eigen verwachtingen is het vaak conceptueel)
VB: Het CBS vindt iemand psychisch ongezond als hij/zij zich vaak somber voelt, zenuwachtig
is of vaak stress ervaart.
- Operationele definities= hoe wordt een begrip waargenomen, gemeten of gemanipuleerd.
VB: Maken mensen meer ruzie als ze in verwachting zijn van hun eerste kind. Wat verstaan we onder
ruzie, hoe meten we dit.
4. Toetsingsfase
Dit is de fase waarin het onderzoek daadwerkelijk wordt uitgevoerd:
- Data verzamelen
- Analyseren van de verzamelde data
- Conclusies trekken op basis van de analyse over de correctheid van de werkhypothese.
5. Evaluatie fase
Je gaat kijken wat de resultaten betekenen voor de algemene theorie, wordt deze bevestigd of juist
verworpen. Kan je de theorie aanpassen, uitbreiden of verbeteren op basis van de resultaten?
Waren er tekortkomingen in het onderzoek? In de evaluatie fase kan je vaker subjectieve woorden
vinden.
VB: We hebben gevonden dat stellen meer ruzie maken in verwachting van hun eerste kind. Dit
ondersteunt dus de theorie dat mensen in stressvolle situaties meer ruzie maken.

,Kan een theorie worden bewezen:
→ Als je positief bewijs vind voor een theorie; dan is de theorie nog steeds niet bewezen.
Dit is logisch onmogelijk, je theorie is een leap of faith en de werkhypothese is iets logisch wat je
daaruit afleid en gaat bewijzen. Als je deze deductie bewezen hebt betekend dat nog niet dat je ook
meteen de algemene theorie bewezen hebt. Je zou dan de theorie bewijzen met zichzelf.
→ Als je negatief bewijs vind voor een theorie; dan is de theorie niet meteen niet waar.
Dit is praktisch onmogelijk, er is altijd wel bewijs te vinden dat iets niet waar is. Je zoekt bewijs om je
theorie te ondersteunen. Maar de kwaliteit van dit bewijs hangt af van:
- Strengheid van tests
- Hoe vaak iets onderzocht/bevestigd wordt
- Gevarieerdheid van methoden (=methodologisch pluralisme)

Oefenen met de empirische cyclus:
Een onderzoeker stelt vast dat 60% van de deelnemers aan een motivatietraining aangeeft meer
gemotiveerd te zijn.
→ Toetsingsfase

Een onderzoeker formuleert de volgende onderzoeksvraag: wonen eerstejaars studenten van de uni vaker
thuis dan…
→ Deductiefase

Een onderzoeker leest over een theorie over pestgedrag en vraagt zich af of die ook van toepassing is op
online pesten.
→ Observatiefase

Een onderzoeker formuleert de theorie dat het zien van geweld leidt tot gewelddadig gedrag bij kinderen.
→ Inductiefase

Een onderzoeker heeft niet gevonden wat er was verwacht en vermoedt dat dit komt doordat de steekproef
niet representatief was.
→ Evaluatiefase

De vragen op het tentamen zullen met dit niveau vergelijkbaar zijn, die in de WG zijn wat moeilijker.

Doel van onderzoek is het beschrijven, voorspellen en verklaren van verschillen in gedrag en mentale
processen tussen mensen.

Variabiliteit= verschillen tussen mensen.

Variabele= iets dat kan veranderen/variëren;
- Tussen personen
VB: Lengte, angst, motivatie
- Tussen situaties
VB: School vs. privé
- In de loop van de tijd
VB: Van kind naar volwassene

Variantie= maat voor variabiliteit

, Week 2 (HC2)

HC2: Observeren en meten

Variabele= datgene dat varieert: een verzameling waarden of categorieën.

Observeren= via waarneming individuen of hun gedrag in waarden of categorieën indelen.

Meten= aan die waarden of categorieën getallen toekennen, waarmee gerekend kan worden.
VB: Bloedgroepen
A→1
B→2
AB→3
O→4

Afhankelijk van het meetniveau kan je andere berekeningen doen met die getallen.

Voorwaarden waar variabelen aan moeten voldoen:
1. Uitputtend= voor elke observatie moet er minimaal 1 waarde zijn.
Er is dus niemand aan wie geen waarde toe te kennen is, niemand valt er buiten.
VB: Bloedgroep;
Er is niemand zonder bloedgroep.
2. Wederzijds uitsluitend= iedere observatie heeft maximaal 1 waarde.
Er is niemand wie meerdere waardes tegelijk heeft.
VB: Bloedgroep;
Er is niemand die twee bloedgroepen tegelijk heeft.
→ De combinatie van deze twee voorwaardes zorgt er voor dat elk persoon eindigt met precies 1 waarde.

VB: Niet uitputtend omkeren naar uitputtend;
Huidige woonsituatie:
a. Op kamers a. Op kamers
b. Eigen woning → b. Eigen woning
c. Thuis bij ouders/verzorgers c. Thuis bij ouders/verzorgers
d. Anders
Je kan buiten de eerste drie antwoordopties vallen, er zullen dan dus mensen zijn aan wie geen waarde toe te
kennen is. Om dit op te lossen voeg je de optie anders toe. Je kan namelijk nooit alle woonsituaties inschatten
en opnoemen.

VB: Niet wederzijds uitsluitend naar wederzijds uitsluitend;
Reistijd naar het FSW:
a. Minder dan 5 min a. 0-5 min
b. Minder dan 15 min b. 6-15 min
c. Tussen 15 en 30 min → c. 16-30 min
d. Tussen 30 en 60 min d. 31-60 min
e. Meer dan 60 min e. Meer dan 60 min
Hier zijn er mensen die binnen meerdere antwoordopties tegelijk zullen vallen, aan hun zijn dan dus meerdere
waardes tegelijk toe te kennen. Als je reistijd 4 min is val je binnen antwoord a en b. Als je reistijd 30 min is
val je binnen c en d. Om dit op te lossen maak je categorieën die niet met elkaar overlappen, je behoudt het
antwoord meer dan 60 min om de vraag ook uitputtend te maken.

Documentinformatie

Studie
Geüpload op
1 september 2025
Aantal pagina's
39
Geschreven in
2024/2025
Type
Samenvatting
€5,99

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
6
Volgers
0
Items
26
Laatst verkocht
1 maand geleden



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen