Samenvatting virale ziekten
- Virussen zonder envelop zijn resistent vb parvovirus
- Virussen die zorgen voor lokale infecties van het SVS: rota en corona
- Virussen die zorgen voor lokale infecties van het ADHS: ortho-/paramyxo aerogene
verspreiding
- Virussen die celgeassocieerd verspreiden/abortus veroorzaken: herpes
- Virussen die latentie induceren: herpes/retro
- Virussen die kunnen ontsnappen aan de immuniteit: herpes/retro
- Virussen met een tropisme voor sneldelende cellen (darm, lymfoïd weefsel en foetus):
parvo/circo
- Virussen met een sterk invasief karakter: herpes/parvo/circo/retro
Bestrijding, preventie en controle: maternale immuniteit verbeteren (!), tijdstip van
vaccineren hond en kat (op 8/9 weken en 12 weken) en infectiedruk doen dalen (bij virussen
die SVS problemen geven: reinigen/ontsmetten van omgeving en bij virussen die ADH
problemen geeft: ventilatie opdrijven om concentratie van het virus te doen dalen.
, Kat
Niesziekte = felien respiratoir ziektecomplex
Felien herpes virus type 1 (FHV1)
Kenmerken
Bevat envelop met veel glycoproteïnen, weinig resistent,
dsDNA virus (= stabiel), caspid in het midden, gevoelig aan
detergenten en desinfectantia, grootte: 180 nm, 1 serotype
en 1 biotype, cel-geassocieerde spreiding.
Replicatiecyclus
Stap 1: onstabiele binding virus bindt met suikers
Stap 2: stabiele binding virus bindt met eiwitten
Stap 3: fusie door gB, gD, gH/gL; capsid van het
virus naar binnen geduwd.
Stap 4: capsid transport lang microtubuli richting de
kern van de cel, deze bevat nucleoporiën.
Stap 5: transcriptiecascade van de DNA streng uit de
capsid
Stap 6: translatie er worden verschillende eiwtten
geproduceerd: IE-genen coderen voor de eerste
eiwitten, E-genen coderen voor eiwitten die te
maken hebben met de vermeerdering van het genoom en L-genen coderen
voor de structurele eiwitten, tegument en envelop eiwitten.
Stap 7: assembly van de nucleocapsid: eiwitten en DNA samenvoegen
Stap 8: vorming van de primaire envelop
Stap 9: ontmanteling
Stap 10: vorming van de secundaire envelop via het trans-golgi
Stap 11: exocytose
Meeste virussen met een envelop moeten glycoproteïnen tot expressie
brengen op het membraan. Glycoproteïnen zorgen voor fusie en binding.
Daarnaast is het membraan een stukje van het toekomstige virus.
Pathogenese
Alle alfa-herpesvirussen: lokale vermeerdering in bovenste
ademhalingswegen en conjunctiva (!)
Volwassen dier: lokale infectie
Jonge dieren: veralgemeende infectie viremie, leidt vaak tot dode kittens.
Mucus
Mucus bestaat uit mucoproteïnen. Dit zijn eiwitten met veel suikers
eraan. Suikers plakken dus mucus heeft groot potentieel om dinge tegen te
houden. Mucoproteïnen zijn hydrofoob, negatief/positef etc kunnen dus
veel dingen binden.
Porie bepaling in mucus via atomic force microscopie bepalen over
virus door poriën in de mucus heen kunnen.
Mucus is sterk in het vangen van herpesvirusdeeltjes. Mucus is goede carrier
om zaken over te dragen maar dient anderzijds ook als bescherming.
Mucus van het maagdarmstelsel is veel dikker dan van het respiratoir
stelsel. Jonge dieren hebben weinig mucus in GI, maar na paar weken wel
, goede mucus doordat er een overgang is naar vast voeder wat de mucus
productie stimuleert.
Meeste infecties verlopen meestal subklinisch. Mucus zorgt vaak voor
oplossing.
Mucus kan kapot gemaakt worden door pollen (bevatten aan de buitenkant
proteasen die de mucoproteïnen kapot maken), bacteriën, stof,
schimmelsporen en gassen.
Tight junctions
Als herpesvirus doorheen de mucus is dan stuiten ze op de tight junctions.
Deze kunnen open en dicht gaan. De receptor van het herpesvirus zit
basolateraal (moet nog onderzocht worden). Tight junctions kunnen worden
opgezet door pollen, bacteriën, mycotoxines, schimmelsporen en GM zoals
Lysomucil.
Virus gaat door de tight junctions door epitheelcel en dan verder naar
onderliggend bindweefsel. Na 2-3 dagen: interferon productie.
Alfaherpesvirussen induceren infectieuze centra (plaques) = cel-
geassocieerd spreiden van het virus in respiratoire mucosa. Ook fibrocyten
geïnfecteerd.
Herpes veroorzaakt een necrosehaard.
Groep 1 Groep 2 Groep 3
EHV 1 (=rhinopneumonie) CHV 1 (= zwak virus bij *SHV 1 bij varken gaat
en EHV 4 (inductie hond) en GaHV 1 (=heeft doorheen
viremie) bij paard kleine replicatieplaatsen basaalmembraan en heel
bij de kip) diep = zeer invasief.
*HSV 1 bij mens
*BHV 1 bij koe gaat ook
heel diep maar minder dan
SHV 1
*FHV 1 bij de kat
Virus kan fibrocyten niet
infecteren.
Virus kan wel T-
lymfocyten infcteren en die
worden aangetrokken
door de necrosehaard.
2-5 dagen na contact met virus: veel monocyten, neutrofielen en NK-cellen maar deze
doen wel aan collateral damage door opruiming waarbij cytokines vrijkomen
weefselaantasting. Hierna komen er ook bacteriën die blijven plakken doordat mucus
weg is mucociliair apparaat kapot.
Symptomen
Conjunctivitis/rhinitis zodra neusgaten niet meer vrij zijn zal kat stoppen
met eten. Het begint met conjunctivitis want daar zitten gevoelige cellen en
kan overgaan naar de cornea via cel-geassocieerde verspreiding.
Invloed van de infectiedruk
Hoe jonger de dieren, hoe zwaarder de impact. De aangeboren immuniteit
moet nog gestimuleerd worden. Bindweefsel bij jonge dieren is nog
losmaziger waardoor er gemakkelijker een infectie kan nestelen
, Immuniteit (FHV >7 dagen)
A. Lokale immuniteit:
adaptieve immuniteit
geïnduceerd door antigenen.
Antigenen op APC/BALT.
cytotoxische T-cellen, B-cellen
en Th-cellen. Vervolgens
klonale vermeerdering van
bepaald type imuuncel (kost
veel energie). B-cellen via BB
homen nestelen zich
onderaan epitheel cel.
Vervolgens wordt er een
secretory piece opgezet
(stabiliseert het antilichaam)
verplaatsing over epitheelcel (transcytose) waardoor het antilichaam sIgA
in de mucus terecht komt.
Cytotoxische T-cellen herkennen MHC-I en schieten cellen dood mbv
perforines.
*sIgA is resistent aan inwerking van een aantal proteasen en heeft
sterke affiniteit voor antigenen.
systemische immuniteit: drainerende lymfeknoop bevat APC, daarna
komt lymfe in het bloed gaat naar milt en hier worden B-cellen en
cytotoxische T cellen gestimuleerd. B-cellen gaan plasmacellen
produceren die weer IgG gaan produceren. IgG in bloed naar long
transcytose doorheen alveolen super bescherming van de long.
Cytotoxische T-cellen gaan homen en vechten waar nodig.
7-14 dagen typisch voor alle alfaherpesvirussen. IgG lang aanwezig >1 jaar.
sIgA blijven 4-6 mnd aanwezig en cytotoxische T cel na 1-2 mnd weg.
Antistof-gemedieerde cellyse door complement (via c3b gat in cel) of door
fagocyt (bevat Fc receptor. As klikt met Ag rigide. Gaat interageren met Fc
receptor waardoor cel dood gaat want smijt veel zaken naar buiten)
B. Passieve immuniteit
respiratoir colostrale immuniteit nodig bevat IgG Fc receptor in
long die IgG opnemen vanuit het bloed van de kitten.
kattin heeft massa’s IgG in haar bloed melkklier van de kat pompt IgG in
de melk melkopname IgG opname thv darm (ook Fc receptoren
aanwezig) IgG naar bloed opgepompt Thv alveolen gaan Fc receptoren
weer de IgG pompen (ook Fc receptor thv neus).
*Hoge antistoftiter lange duur van bescherm kan je krijgen door booster
van moederdier.
Latentie
virus zit genetisch thv ganglion trigeminale in hersenen maar niet ingebouwd
in gastheer genoom. Virus kan reactiveren mrNA vormen eiwitten
vormen partikels vormen partikels via uitlopers van unipolaire cellen
naar buiten thv epitheel virus naar buiten brengen (receptor basolateraal)
bij kat : lesies
Re-infectie van binnenuit replicatie gedurende enkele dagen en beperkte
replicatie = VONK (voldoende om virus uit te scheiden en nieuwe individuen
te infecteren) hogere affiniteit door boost van IgG
Hoe kan virus in een populatie blijven?
Herpes: latentie. Kat is poly-oestrisch (14-18 dagen krols). Kittens worden
beschermd tijdens de dracht via de moeder 8-12 weken bescherming. Daarna
zijn ze niet immuun en staan ze open voor infectie , als ze niet worden
- Virussen zonder envelop zijn resistent vb parvovirus
- Virussen die zorgen voor lokale infecties van het SVS: rota en corona
- Virussen die zorgen voor lokale infecties van het ADHS: ortho-/paramyxo aerogene
verspreiding
- Virussen die celgeassocieerd verspreiden/abortus veroorzaken: herpes
- Virussen die latentie induceren: herpes/retro
- Virussen die kunnen ontsnappen aan de immuniteit: herpes/retro
- Virussen met een tropisme voor sneldelende cellen (darm, lymfoïd weefsel en foetus):
parvo/circo
- Virussen met een sterk invasief karakter: herpes/parvo/circo/retro
Bestrijding, preventie en controle: maternale immuniteit verbeteren (!), tijdstip van
vaccineren hond en kat (op 8/9 weken en 12 weken) en infectiedruk doen dalen (bij virussen
die SVS problemen geven: reinigen/ontsmetten van omgeving en bij virussen die ADH
problemen geeft: ventilatie opdrijven om concentratie van het virus te doen dalen.
, Kat
Niesziekte = felien respiratoir ziektecomplex
Felien herpes virus type 1 (FHV1)
Kenmerken
Bevat envelop met veel glycoproteïnen, weinig resistent,
dsDNA virus (= stabiel), caspid in het midden, gevoelig aan
detergenten en desinfectantia, grootte: 180 nm, 1 serotype
en 1 biotype, cel-geassocieerde spreiding.
Replicatiecyclus
Stap 1: onstabiele binding virus bindt met suikers
Stap 2: stabiele binding virus bindt met eiwitten
Stap 3: fusie door gB, gD, gH/gL; capsid van het
virus naar binnen geduwd.
Stap 4: capsid transport lang microtubuli richting de
kern van de cel, deze bevat nucleoporiën.
Stap 5: transcriptiecascade van de DNA streng uit de
capsid
Stap 6: translatie er worden verschillende eiwtten
geproduceerd: IE-genen coderen voor de eerste
eiwitten, E-genen coderen voor eiwitten die te
maken hebben met de vermeerdering van het genoom en L-genen coderen
voor de structurele eiwitten, tegument en envelop eiwitten.
Stap 7: assembly van de nucleocapsid: eiwitten en DNA samenvoegen
Stap 8: vorming van de primaire envelop
Stap 9: ontmanteling
Stap 10: vorming van de secundaire envelop via het trans-golgi
Stap 11: exocytose
Meeste virussen met een envelop moeten glycoproteïnen tot expressie
brengen op het membraan. Glycoproteïnen zorgen voor fusie en binding.
Daarnaast is het membraan een stukje van het toekomstige virus.
Pathogenese
Alle alfa-herpesvirussen: lokale vermeerdering in bovenste
ademhalingswegen en conjunctiva (!)
Volwassen dier: lokale infectie
Jonge dieren: veralgemeende infectie viremie, leidt vaak tot dode kittens.
Mucus
Mucus bestaat uit mucoproteïnen. Dit zijn eiwitten met veel suikers
eraan. Suikers plakken dus mucus heeft groot potentieel om dinge tegen te
houden. Mucoproteïnen zijn hydrofoob, negatief/positef etc kunnen dus
veel dingen binden.
Porie bepaling in mucus via atomic force microscopie bepalen over
virus door poriën in de mucus heen kunnen.
Mucus is sterk in het vangen van herpesvirusdeeltjes. Mucus is goede carrier
om zaken over te dragen maar dient anderzijds ook als bescherming.
Mucus van het maagdarmstelsel is veel dikker dan van het respiratoir
stelsel. Jonge dieren hebben weinig mucus in GI, maar na paar weken wel
, goede mucus doordat er een overgang is naar vast voeder wat de mucus
productie stimuleert.
Meeste infecties verlopen meestal subklinisch. Mucus zorgt vaak voor
oplossing.
Mucus kan kapot gemaakt worden door pollen (bevatten aan de buitenkant
proteasen die de mucoproteïnen kapot maken), bacteriën, stof,
schimmelsporen en gassen.
Tight junctions
Als herpesvirus doorheen de mucus is dan stuiten ze op de tight junctions.
Deze kunnen open en dicht gaan. De receptor van het herpesvirus zit
basolateraal (moet nog onderzocht worden). Tight junctions kunnen worden
opgezet door pollen, bacteriën, mycotoxines, schimmelsporen en GM zoals
Lysomucil.
Virus gaat door de tight junctions door epitheelcel en dan verder naar
onderliggend bindweefsel. Na 2-3 dagen: interferon productie.
Alfaherpesvirussen induceren infectieuze centra (plaques) = cel-
geassocieerd spreiden van het virus in respiratoire mucosa. Ook fibrocyten
geïnfecteerd.
Herpes veroorzaakt een necrosehaard.
Groep 1 Groep 2 Groep 3
EHV 1 (=rhinopneumonie) CHV 1 (= zwak virus bij *SHV 1 bij varken gaat
en EHV 4 (inductie hond) en GaHV 1 (=heeft doorheen
viremie) bij paard kleine replicatieplaatsen basaalmembraan en heel
bij de kip) diep = zeer invasief.
*HSV 1 bij mens
*BHV 1 bij koe gaat ook
heel diep maar minder dan
SHV 1
*FHV 1 bij de kat
Virus kan fibrocyten niet
infecteren.
Virus kan wel T-
lymfocyten infcteren en die
worden aangetrokken
door de necrosehaard.
2-5 dagen na contact met virus: veel monocyten, neutrofielen en NK-cellen maar deze
doen wel aan collateral damage door opruiming waarbij cytokines vrijkomen
weefselaantasting. Hierna komen er ook bacteriën die blijven plakken doordat mucus
weg is mucociliair apparaat kapot.
Symptomen
Conjunctivitis/rhinitis zodra neusgaten niet meer vrij zijn zal kat stoppen
met eten. Het begint met conjunctivitis want daar zitten gevoelige cellen en
kan overgaan naar de cornea via cel-geassocieerde verspreiding.
Invloed van de infectiedruk
Hoe jonger de dieren, hoe zwaarder de impact. De aangeboren immuniteit
moet nog gestimuleerd worden. Bindweefsel bij jonge dieren is nog
losmaziger waardoor er gemakkelijker een infectie kan nestelen
, Immuniteit (FHV >7 dagen)
A. Lokale immuniteit:
adaptieve immuniteit
geïnduceerd door antigenen.
Antigenen op APC/BALT.
cytotoxische T-cellen, B-cellen
en Th-cellen. Vervolgens
klonale vermeerdering van
bepaald type imuuncel (kost
veel energie). B-cellen via BB
homen nestelen zich
onderaan epitheel cel.
Vervolgens wordt er een
secretory piece opgezet
(stabiliseert het antilichaam)
verplaatsing over epitheelcel (transcytose) waardoor het antilichaam sIgA
in de mucus terecht komt.
Cytotoxische T-cellen herkennen MHC-I en schieten cellen dood mbv
perforines.
*sIgA is resistent aan inwerking van een aantal proteasen en heeft
sterke affiniteit voor antigenen.
systemische immuniteit: drainerende lymfeknoop bevat APC, daarna
komt lymfe in het bloed gaat naar milt en hier worden B-cellen en
cytotoxische T cellen gestimuleerd. B-cellen gaan plasmacellen
produceren die weer IgG gaan produceren. IgG in bloed naar long
transcytose doorheen alveolen super bescherming van de long.
Cytotoxische T-cellen gaan homen en vechten waar nodig.
7-14 dagen typisch voor alle alfaherpesvirussen. IgG lang aanwezig >1 jaar.
sIgA blijven 4-6 mnd aanwezig en cytotoxische T cel na 1-2 mnd weg.
Antistof-gemedieerde cellyse door complement (via c3b gat in cel) of door
fagocyt (bevat Fc receptor. As klikt met Ag rigide. Gaat interageren met Fc
receptor waardoor cel dood gaat want smijt veel zaken naar buiten)
B. Passieve immuniteit
respiratoir colostrale immuniteit nodig bevat IgG Fc receptor in
long die IgG opnemen vanuit het bloed van de kitten.
kattin heeft massa’s IgG in haar bloed melkklier van de kat pompt IgG in
de melk melkopname IgG opname thv darm (ook Fc receptoren
aanwezig) IgG naar bloed opgepompt Thv alveolen gaan Fc receptoren
weer de IgG pompen (ook Fc receptor thv neus).
*Hoge antistoftiter lange duur van bescherm kan je krijgen door booster
van moederdier.
Latentie
virus zit genetisch thv ganglion trigeminale in hersenen maar niet ingebouwd
in gastheer genoom. Virus kan reactiveren mrNA vormen eiwitten
vormen partikels vormen partikels via uitlopers van unipolaire cellen
naar buiten thv epitheel virus naar buiten brengen (receptor basolateraal)
bij kat : lesies
Re-infectie van binnenuit replicatie gedurende enkele dagen en beperkte
replicatie = VONK (voldoende om virus uit te scheiden en nieuwe individuen
te infecteren) hogere affiniteit door boost van IgG
Hoe kan virus in een populatie blijven?
Herpes: latentie. Kat is poly-oestrisch (14-18 dagen krols). Kittens worden
beschermd tijdens de dracht via de moeder 8-12 weken bescherming. Daarna
zijn ze niet immuun en staan ze open voor infectie , als ze niet worden