Henri & Binet - introduceerden als eersten een nieuwe discipline ‘La psychologique Individuelle’
- aandacht voor variatie van psychische processen binnen & tussen personen
Oude China - testafnames voor ambtenaren, zodat de juiste mensen de juiste plaats krijgen in de maatschappij
Pythagoras - exclusief broederschap; zeer geheim
→ toelatingstest obv fysionomie (innerlijke persoonseigensch. afleiden adhv uiterlijke persoonskenmerken)
Plato - ideale staat (= individuen krijgen taken toegewezen obv hun capaciteiten)
- geen 2 personen zijn gelijk geboren
- militaire geschiktheidstest
- proximale verklaring: de ziel in 3 delen
1. rationele ziel: intelligentie
2. irrationele ziel: lust, emotie
3. begeestering: motivatie
- distale verklaring: kennis = vormen, ideeën = objectieve werkelijkheid
- kennis en leren = het naar boven halen v aanwezige kennis in de ziel ⇒ nature
Theophrastus - collectie v persoonlijkheidsschetsen
Juan de Dios - lichaamssappen, klimaat, brein… → oorzaken van grote individuele verschillen
Huarte y Navorro - belang van goede professionele diagnostiek door de staat ( ⇒ jeugd verplichten om juiste
kennisdomein te gaan studeren)
James Cattell - mental tests: metingen v individuele vaardigheidsverschillen
Binet - individuele verschillen zijn het hoogst in hogere processen
- Echelle métrique de l’intelligence, later de Stanford Binet test (eerste officiële intelligentietest)
WO1 + WO2 + - detectie v combat stress (post-oorlog stress)
eerste helft vd - 2 problemen bij beschrijven & meten v individuele verschillen
20ste eeuw 1. waardenconnotatie bij verschildimensies
- ordening hangt aan een goed-slecht continuum vast
2. problemen met treklabels
- mensen in hokjes plaatsen = desindividuerend: iedereen is uniek
Huarte - belangrijkste individuele verschildimensies worden geassocieerd met wat toen de belangrijkste
cognitieve functies vd geest waren
- begrijpen, geheugen, verbeeldingskracht
→ begrijpen en verbeelding sluiten elkaar uit, je bent maar goed in 1 vd 2
Hippocrates - de 4 oerelementen nemen de vorm aan van 4 sappen/humores : bloed, zwarte gal, gele gal, flegma
- ziekte = evenwichtsstoornis tussen de sappen
Gall & Spurzheim - frenologie → 2 assumpties
1. mentale functies = specifieke processen in bepaalde hersengebieden
2. intensiteit v mentale functies zien we in de omtrek en topografie vd schedel
Galenus - een overgewicht in elk vd 4 lichaamssappen = een bepaald temperament
Slijm Flegmatisch Kalm, bedacht
Bloed Sanguistisch Levendig, gelukkig
Gele gal Cholerisch Kwaad
Zwarte gal Melancholisch Pessimistisch
Augustinus - ziel is immaterieel en onverwoestbaar
- vermogens vd ziel zijn aangeboren ⇒ nature
Descartes - eerst: mensen hebben bij de geboorte allemaal hetzelfde vermogen
- later: er zijn verschillen vanaf de geboorte, maar dat kan getraind worden
, Locke - tegen aangeboren ideeën, mens als tabula rasa ⇒ nurture
J.B Watson - grondlegger behaviorisme
- persoonlijkheid = conditioning van stimulus-respons ketens (Little Albert)
- individuele verschillen = resultaat van verschillen in leergeschiedenis
Darwin - natuur zorgt zelf voor aangepastheid van organisme via natuurlijke & seksuele selectie
Greenwald - IAT (impliciete associatie test)
Raymond Cattell - nomothetische trekpsychologie
- 16 personality factor systeem
- bedenker SLOT data
- taxonomie van soorten correlaties
- geloofde in factoranalyse voor het achterhalen v trekken
Larsen & Buss - voorbeelddefinitie persoonlijkheid: = verzameling van psychologische kenmerken (trekken) en
mechanismen
→ die een individu kenmerken
→ die op een bepaalde manier georganiseerd zijn en relatief duurzaam zijn
→ die zijn interacties en aanpassingen aan de omgeving beïnvloeden
Kurt Lewin - voorvader sociale + persoonlijkheidspsychologie
Sarah Hampson - 4 types consistentie (type A,B,C,D)
Freud - psycho-analytische theorie; id, superego, ego
- psychoseksuele ontwikkeling (orale, anale, fallische, latentie, genitale fase)
- instincten
Hans Eysenck - nomothetische trekpsychologie
- hiërarchisch model van persoonlijkheid; gebaseerd op 2 punten:
1. hoge mate v erfelijkheid
2. psychofysiologische basis in het lichaam
+ 4 verschillende niveaus:
- niveau 1: supertrekken
- extraversie ⇔ introversie, neuroticisme ⇔ emotionele stabiliteit, psychoticisme
- niveau 2: mindere brede trekken die wel specifieker zijn
- angstig (N), avontuurlijk (E), agressief (P)
- niveau 3: habituele gedragingen
- ruzie (P), reizen (E), vermijdingsgedrag (N)
- niveau 4: specifieke acts
- gevecht (P), irak (I), niet in de lift stappen (N)
Wiggins - nomothetische trekpsychologie
- wiggins circumplex
- dimensies v liefde en status definiëren de assen
Costa, McCrae, - nomothetische trekpsychologie
Goldberg - five-factor model: OCEAN (openheid, consciëntieusheid, extraversie, agreeableness (vriendelijkheid),
neuroticisme)
- men bepaalde de ‘big five’ adhv correlaties met hersenvolumes
→ wordt later HEXACO-model: toevoeging ‘humility/honest’
Digman en De - nomothetische trekpsychologie
Young - hogere-orde factoranalyse
- 2 factoren
- stabiliteit en plasticiteit
- aandacht voor variatie van psychische processen binnen & tussen personen
Oude China - testafnames voor ambtenaren, zodat de juiste mensen de juiste plaats krijgen in de maatschappij
Pythagoras - exclusief broederschap; zeer geheim
→ toelatingstest obv fysionomie (innerlijke persoonseigensch. afleiden adhv uiterlijke persoonskenmerken)
Plato - ideale staat (= individuen krijgen taken toegewezen obv hun capaciteiten)
- geen 2 personen zijn gelijk geboren
- militaire geschiktheidstest
- proximale verklaring: de ziel in 3 delen
1. rationele ziel: intelligentie
2. irrationele ziel: lust, emotie
3. begeestering: motivatie
- distale verklaring: kennis = vormen, ideeën = objectieve werkelijkheid
- kennis en leren = het naar boven halen v aanwezige kennis in de ziel ⇒ nature
Theophrastus - collectie v persoonlijkheidsschetsen
Juan de Dios - lichaamssappen, klimaat, brein… → oorzaken van grote individuele verschillen
Huarte y Navorro - belang van goede professionele diagnostiek door de staat ( ⇒ jeugd verplichten om juiste
kennisdomein te gaan studeren)
James Cattell - mental tests: metingen v individuele vaardigheidsverschillen
Binet - individuele verschillen zijn het hoogst in hogere processen
- Echelle métrique de l’intelligence, later de Stanford Binet test (eerste officiële intelligentietest)
WO1 + WO2 + - detectie v combat stress (post-oorlog stress)
eerste helft vd - 2 problemen bij beschrijven & meten v individuele verschillen
20ste eeuw 1. waardenconnotatie bij verschildimensies
- ordening hangt aan een goed-slecht continuum vast
2. problemen met treklabels
- mensen in hokjes plaatsen = desindividuerend: iedereen is uniek
Huarte - belangrijkste individuele verschildimensies worden geassocieerd met wat toen de belangrijkste
cognitieve functies vd geest waren
- begrijpen, geheugen, verbeeldingskracht
→ begrijpen en verbeelding sluiten elkaar uit, je bent maar goed in 1 vd 2
Hippocrates - de 4 oerelementen nemen de vorm aan van 4 sappen/humores : bloed, zwarte gal, gele gal, flegma
- ziekte = evenwichtsstoornis tussen de sappen
Gall & Spurzheim - frenologie → 2 assumpties
1. mentale functies = specifieke processen in bepaalde hersengebieden
2. intensiteit v mentale functies zien we in de omtrek en topografie vd schedel
Galenus - een overgewicht in elk vd 4 lichaamssappen = een bepaald temperament
Slijm Flegmatisch Kalm, bedacht
Bloed Sanguistisch Levendig, gelukkig
Gele gal Cholerisch Kwaad
Zwarte gal Melancholisch Pessimistisch
Augustinus - ziel is immaterieel en onverwoestbaar
- vermogens vd ziel zijn aangeboren ⇒ nature
Descartes - eerst: mensen hebben bij de geboorte allemaal hetzelfde vermogen
- later: er zijn verschillen vanaf de geboorte, maar dat kan getraind worden
, Locke - tegen aangeboren ideeën, mens als tabula rasa ⇒ nurture
J.B Watson - grondlegger behaviorisme
- persoonlijkheid = conditioning van stimulus-respons ketens (Little Albert)
- individuele verschillen = resultaat van verschillen in leergeschiedenis
Darwin - natuur zorgt zelf voor aangepastheid van organisme via natuurlijke & seksuele selectie
Greenwald - IAT (impliciete associatie test)
Raymond Cattell - nomothetische trekpsychologie
- 16 personality factor systeem
- bedenker SLOT data
- taxonomie van soorten correlaties
- geloofde in factoranalyse voor het achterhalen v trekken
Larsen & Buss - voorbeelddefinitie persoonlijkheid: = verzameling van psychologische kenmerken (trekken) en
mechanismen
→ die een individu kenmerken
→ die op een bepaalde manier georganiseerd zijn en relatief duurzaam zijn
→ die zijn interacties en aanpassingen aan de omgeving beïnvloeden
Kurt Lewin - voorvader sociale + persoonlijkheidspsychologie
Sarah Hampson - 4 types consistentie (type A,B,C,D)
Freud - psycho-analytische theorie; id, superego, ego
- psychoseksuele ontwikkeling (orale, anale, fallische, latentie, genitale fase)
- instincten
Hans Eysenck - nomothetische trekpsychologie
- hiërarchisch model van persoonlijkheid; gebaseerd op 2 punten:
1. hoge mate v erfelijkheid
2. psychofysiologische basis in het lichaam
+ 4 verschillende niveaus:
- niveau 1: supertrekken
- extraversie ⇔ introversie, neuroticisme ⇔ emotionele stabiliteit, psychoticisme
- niveau 2: mindere brede trekken die wel specifieker zijn
- angstig (N), avontuurlijk (E), agressief (P)
- niveau 3: habituele gedragingen
- ruzie (P), reizen (E), vermijdingsgedrag (N)
- niveau 4: specifieke acts
- gevecht (P), irak (I), niet in de lift stappen (N)
Wiggins - nomothetische trekpsychologie
- wiggins circumplex
- dimensies v liefde en status definiëren de assen
Costa, McCrae, - nomothetische trekpsychologie
Goldberg - five-factor model: OCEAN (openheid, consciëntieusheid, extraversie, agreeableness (vriendelijkheid),
neuroticisme)
- men bepaalde de ‘big five’ adhv correlaties met hersenvolumes
→ wordt later HEXACO-model: toevoeging ‘humility/honest’
Digman en De - nomothetische trekpsychologie
Young - hogere-orde factoranalyse
- 2 factoren
- stabiliteit en plasticiteit