- Voorkennis: De student kent de basisbegrippen van het kennisvak Organisatiekunde 1. Dit is noodzakelijk voor
kunnen voldoen aan de leerdoelen van Organisatiekunde 2.
- De student stelt op basis van het DESTEP-model een omgevingsanalyse op voor een organisatie, zodanig dat een
strategisch adviseur / regisseur een gezamenlijk plan kan opstellen voor samenwerking tussen diverse
organisaties.
- De student is in staat naast de omgevingsanalyse ook de interne analyse uit te voeren voor een organisatie d.m.v.
een SWOT- analyse, zodanig dat de confrontatiematrix kan worden opgesteld.
- De student is in staat aan te geven of en waarom er een noodzaak tot samenwerking bestaat voor een
organisatie, zodanig dat hij de wijze van de totstandkoming hiervan vorm kan geven.
- De student is in staat de basisbeginselen van organisatieverandering te beschrijven, zodanig dat het doel van de
verandering en de fase waarin een organisatie zich bevindt wordt herkend.
Samenvatting lessen en PowerPoints
Les 1
Boom = intra organisationele relaties (de organisatie zelf, de relaties daarbinnen)
Bos = inter organisationele relaties, directe omgeving (partijen/ belanghebbenden zoals
media, afnemers (klanten), leveranciers, concurrentie)
Landschap = institutionele omgeving (omgevingsfactoren; milieufactoren, technologische
factoren, demografische factoren, economische factoren, politieke factoren,
maatschappelijke factoren)
Adam Smith = arbeidsdeling is de winst van specialisatie en taakverdeling. Het individuele
belang nastreven resulteert in het grootste maatschappelijk belang.
Frederick Taylor = een organisatie is een gesloten systeem en middels een
wetenschappelijke methode kan deze geoptimaliseerd worden. Dit door tijdsmetingen en
bewegingsstudies en van handelingen in het productieproces om de gemiddelde inspanning
te berekenen, om het productieproces te verbeteren.
Henry Fayol = vaardigheden zijn nodig om een organisatie als geheel te leiden. Middels
een structurele benadering van plannen, organiseren, opdrachten geven, coördineren en
controleren.
Kenneth Boulding = organisaties moeten worden beschouwd als open systemen met
goede samenwerkingen. Het zijn samenhangende delen; integrale managementbenadering.
Contigentiebenadering van Lawrence en Lorsch = de kunst van het ontdekken in welke
situatie welke managementtechniek het best kan worden toegepast. Boom, bos, landschap.
7S-model McKinsey:
Strategie (een plan wat de organisatie wil doen om doelen te bereiken; missie, visie
doelstellingen)
Structuur (arbeidsverdeling en coördinatie)
Systeem (systemen, procedures en modellen)
Staff (personeelsbeleid; wat voor mensen werken er in de organisatie)
Skills (kennis en vaardigheden; wat maakt de mensen die er werken goed)
1
,Style (stijl van leidinggeven)
Shared values (waarden en normen die op alle andere ssen een effect hebben)
Les 2
Veiligheid besturen = de zaken die een organisatie onderneemt om een dynamische ‘fit’ te
creëren en behouden tussen haar omgeving en de eigen doelstellingen, om te overleven.
SWOT en de strategische kloof =
Het vinden van de strategische kloof (no fit) met behulp
van de SWOT.
Een strategische kloof is het verschil tussen de huidige
doelstellingen en de huidige situatie in de organisatie
(boom) en de omgeving (bos/landschap).
Een SWOT model is het onderzoek naar het verschil tussen
de boom en haar omgeving, om te weten hoe te overleden.
Door de interne (boom) analyse (sterktes en zwaktes) en de
externe (bos/landschap) analyse (kansen en bedreigingen).
Alle informatie komt samen uit in een confrontatiematrix.
Hierna kun je een strategie vormen en een organisatie
inrichting vormen.
Interne (boom) analyse:
Onderzoek naar de 7S (dekt de organisatie). Per onderdeel kun je sterkten en zwakten
vinden & daar punten aan geven.
Externe (bos) analyse:
Omgevingsfactoren die een indirect effect hebben op de organisatie. Door de DESTEP
factoren (demografisch, ecologisch, sociaal maatschappelijk, technologisch, economisch,
politiek juridisch).
De confrontatiematrix:
Hoe werken de interne en externe factoren op elkaar
in?
++ ze versterken elkaar positief + het werkt positief
0 ze hebben niets met elkaar te maken +/- het kan
positief of negatief werken
- het werkt negatief – het versterkt elkaar negatief
S(sterkte)1 + O(kans)1 = +/+ S1 en O1 zullen elkaar
versterken omdat…. Dit kan tot gevolg hebben dat..
S2 + O1 = +/- S2 en O1 zullen elkaar versterken
omdat… dit kan tot gevolg hebben dat…
Alle combinaties uitschrijven en beargumenteren hoe
je tot een score komt.
2
, De uitkomsten van een SWOT worden teruggekoppeld naar de huidige doelstellingen. De
strategische kloof komt hieruit. Is er spraken van een gap of een kloof tussen datgene wat
wenselijk is en datgene wat werkelijk is?
Samenhang processen en structuur: eerst bedenk je de strategie, dan de structuur.
Richten, inrichten, operationele aansturing RIO.
Complexiteit, formalisatie en centralisatie graad CFC.
- Complexiteit = wat moet er allemaal gebeuren om een groep mensen zo effectief en
efficiënt mogelijk het product of de dienst te laten maken?
- Formalisatiegraad = de vorm die de organisatie het beste kan aannemen. Hoeveel
afdelingen zijn er, wat doen ze en hoe werken ze het beste samen?
- Centralisatiegraad = de mate waarin macht verdeeld is in de organisatie. Dit kan
variëren tot centraal en decentraal.
Bedrijfsprocessen = een geordende bundeling van menselijke activiteiten in relatie tot de
productie van de goederen en/of diensten.
- Primaire processen: activiteiten die rechtstreeks een bijdrage leveren aan het tot
stand komen van product of de dienst.
- Secundaire processen: activiteiten die worden uitgevoerd om bepaalde
productiefactoren in stand te houden.
- Bestuurlijke processen: activiteiten die richting geven aan de primaire en secundaire
processen en de organisatie richten op gestelde organisatiedoelen.
Structuren: hierarchical organization (machtscultuur), functional organization (macht en
taakverdeling is ingericht op de functies), product organization (macht en taakverdeling is
ingericht op het maken van het product), matrix organization (macht en taakverdeling is
ingericht op verschillende functies en producten).
Les 3
Sterkten en zwakten = interne analyse
Kansen en bedreigingen = externe analyse
Klassieke benadering van strategisch management: situatieanalyse, strategievorming,
planning en implementatie.
- Situatieanalyse = visie, doelstellingen, strategie + interne + externe analyse
- Strategievorming = vaststellen toekomstbeleid (swot) + ontwikkeling verschillende
strategieën (swot en confrontatiematrix) + evaluatie van keuze van een strategie
- Planning en evaluatie = invoeren van de strategie
Externe onderzoek: wat heeft invloed op de organisatie? We werken van binnen naar buiten.
Wat kom ik van buiten tegen wat mogelijk relevant is voor de toekomst?
Externe partijen hebben een directe invloed op de organisatie: afnemers (klanten),
leveranciers (producenten bepalen hoeveel korting etc voor supermarkten), werknemers
3