MODULE 1: anatomie inleiding
Het begrip anatomie
- Komt van het Grieks (anatomnein)
o Dit betekent ‘opensnijden’
o Uit de tijd van Vesalius
▪ Demonstreerde anatomie vanaf 1536
- Gebaseerd op observaties
- Eerst richten op structuur van menselijk lichaam, niet zo op de functie ervan
- Focus op functionele anatomie
o Kennis van de levende mens tijdens bewegingen
De anatomische nomenclatuur
1. De anatomische positie
→ De anatomische staande positie wordt gebruikt als referentie om de positie en
oriëntatie van verschillende lichaamsdelen te beschrijven
o Volledig rechtop staand
o Hoofd recht vooruit
o De armen afhangend met de handpalmen naar voor gericht
o De voeten staan parallel naar voor gewezen
o Hoofd & ogen naar voor gericht
o Benen lichtjes gespreid
2. Vlakken & assen
→ deze gebruiken we om beschrijvingen van het lichaam of beweging in de ruimte
Anatomische assen
= stelsel van 3 assen die loodrecht op elkaar lopen
• Longitudinale/ Verticale as: loopt doorghet hoofd helemaal naar benden
• Transversale/frontale as: loopt van links naar rechts
• Sagittale as: loopt van voor naar achter door het lichaam
Anatomische vlakken
= wordt gevormd als twee van de assen met elkaar gaan snijden
→ er zijn er drie
• Frontaal of coronaal vlak: combinatie van de verticale en transversale as (deelt je
lichaam dorsaal (achter) & ventraal (voor)
• Transversaal of horizontaal vlak: combinatie van twee horizontale lijnen
(transversale as & sagittale as) → loopt door de heupe
• Sagittaal/verticaal vlak: loopt door de verticale & sagittale as
, 3. Anatomische oriëntatietermen
Craniaal/ superieur
= Verwijst naar de schedel of cranium
= boven (craniaal: in de richting van de cranium = schedel)
• hoogste punt van het lichaam
• craniaal en superior zijn synoniemen
• boven of hoger dan een ander lichaamsdeel
caudaal/ inferieur
= in de richting van de staart (cauda) / onder (andere benaming voor caudaal)
• onder of lager dan een ander lichaamsdeel
• bijvoorbeeld: het bekken is inferieur gelegen aan de buik
Ventraal/ anterieur
= in de richting van de buik (het venter)/ vooraan (andere benaming voor ventraal)
Dorsaal/ posterieur
= met betrekking tot de rug / achteraan
- Faciaal: Heeft betrekking op het gezicht
• dorsum = de rug - Cervicaal: Met betrekking tot de nekstreek
- Brachiaal: Met betrekking tot de arm
mediaal = naar het midden toe - Lumbaal: Met betrekking tot de onderrug of
lendenen
Lateraal → minder belangrijk, maar handig om te weten
= naar buiten toe
• weg van het mediaal vlak (sagittaal vlak)
• bijvoorbeeld: De duim (pollex) is lateraal ten opzichte van de vingers
intermediair = duidt een structuur aan die aanwezig is tussen 2 structuren
• bijvoorbeeld: de locatie van het sleutelbeen ligt tussen de schouder en het
borstbeen in
voor extremiteiten (armen en benen)
• proximaal = naar de centrale as toe
• distaal = verder weg naar het uiteinde toe
4. specifieke oriëntatietermen in het lichaam
o palmair = naar de handpalm gericht
o Plantair: naar de voetzool gericht
o Dorsaal = naar de handrug gericht Of naar de voetrug gericht
o Radiaal = kant van de duim
o Ulnair: aan de kant van de pink
o Tibiaal = de binnenkant van de enkel - superficialis = oppervlakkig
o Fibulair: aan de buitenkant van de enkel (externus) → de huid
- profundus = in de diepte
(internus) → het hart
, 5. Anatomische terminologie
Enkelvoud Meervoud
a: arteria, slagader; aa : arteriae
art: articulatio, gewricht; artt : articulationes
lig: ligamentum, band; ligg : ligamenta
m: musculus, spier; mm : musculi
n: nervus, zenuw; nn : nervi
r: ramus, tak; rr : rami
v: vena, ader; vv : venae
uithollingen:
• foramen: opening
• fossa: uitgehold vlak
• sulcus: groeve
• sinus: kanaal
uitsteeksels:
• condylus en caput: grote, ronde knobbels
• crista: kam
• linea: een minder duidelijke aftekening dan een crista
• processus: algemene naam voor uitsteeksel
• tuberculum: kleine rond uitsteeksel
• tuberositas: ruwe verdikking
Bewegingen in het lichaam
Flexie/ extensie
• strekken (extensie)
• buigen (flexie)
• bewegingen die gebeuren rond de
transversale as in het sagittaal vlak
• van toepassing in elk gewricht (nek,
romp, schouder, elleboog, hand, heup,
knie en enkel, vingers ook)
• lateroflexie: beweging in (bevindt zich)
specifiek in de nek en de romp
• palmair -, plantair – en dorsiflexie:
beweging in de hand en voet
, abductie/ adductie
• afvoeren (abductie)
• aanvoeren (adductie)
• bewegingen die gebeuren rond de sagittale as in het frontaal vlak
• van toepassing in de armen, benen en vingers
• in de hand: radiale en ulnaire deviatie
o kijken naar anatomische positie en stand van de ulna of radius
o radiale deviatie: hand beweegt richting de radius
o ulnaire deviatie: hand beweegt richting de ulna
rotatiebewegingen
• exorotatie: schouder draait naar buiten
• endorotatie: naar binnen draaien
o deze twee bewegingen (exo – en endorotatie) komen voor in de schouder
en de heup
• rotatie van het hoofd
• bewegingen rond de verticale as in het transversaal vlak
pro en retractie
• naar voor bewegen = protractie
• naar achter bewege van het lichaam = retractie
• deze beweging kan bij de schouder en het hoofd (kaak tov de nek)
bewegingen in specifieke gewrichten
• pronatie
• supinatie
• inversie
• eversie
Osteologie inleiding, het skelet & zijn benamingen
1. Het skelet
Osteologie
• = wetenschap van het bot
• Osteon = bot
• Logos = wetenschap
Functies van het skelet
• Steun geven aan ons lichaam
• Opslag van mineralen en vetten (lipiden)
• Nieuwe bloedcellen aanmaken
• Dient als bescherming
• Hefboom voor krachten die gegenereerd zijn door spieren en aanhechten op dat
bot