Studietaak 1.1: Ouderenpsychologie en levenslooptheorieën
Hoofdstuk 1: Ouder worden en ouderenpsychologie
Ouderenpsychologie: Jong aandachtsgebied in de psychologie gericht op verkrijgen en toepassen
van wetenschappelijk gefundeerde kennis over de oudere populatie. De
maatschappelijke relevantie hiervan neemt toe met de vergrijzing.
Ouderenpsychologie tracht mensen op hoge leeftijd optimaal tot hun recht te laten komen door:
Ouderen en hun naasten te begrijpen
Problemen te voorkomen en te behandelen
Veerkracht te versterken
(Andere) kernboodschappen van het hoofdstuk zijn:
Ons beeld van (ver)ouderen en ouderdom is gevolg van een maatschappelijk krachtenspel
o Politiek
o Belangenorganisaties
o Media
o Bedrijven en instellingen
o Ouderen zelf
Ouder worden kenmerkt zich door diversiteit, dé oudere bestaat niet
o Maatschappelijke positie
(cohortverschillen, geslacht, sociaal-economische status, migratiegeschiedenis)
o Individuele verschillen
(persoonlijkheid, omgaan met ouder worden, individuele levensgeschiedenis)
o Diversiteit in het ouder worden binnen een individu
(je kunt in het ene domein verlies ervaren, maar in een ander continuïteit of zelfs groei)
Gezondheid is niet alleen de afwezigheid van ziekte, maar ook de aanwezigheid van
o Welbevinden
o Veerkracht
o Zingeving
Hulpverlening aan ouderen vraagt om
o Specifeke kennis en vaardigheden
o Kritische reflectie op de eigen attitude over ouderdom
Model: Binnen de gezondheids- en ouderenzorg wordt veel gebruik gemaakt van het
biopsychosociale model, dat ervan uit gaat dat gedrag ontstaat vanuit een
complexe samenhang van biologische, psychologische en sociale factoren.
Healthy ageing-model: Gaat ervan uit dat gezond ouder worden van belang is voor iedereen om het
functioneren zoveel mogelijk te bevorderen en te behouden (WHO, 2016).
Hulpverleners: Moeten niet alleen oog hebben voor het bevestigen van de autonomie en
zelfstandigheid van ouderen, maar moeten hen ook ondersteunen in het
loslaten van onhaalbare doelen en het afhankelijk durven zijn van anderen.
,Psychologische hulpverlening aan ouderen versus aan jongere volwassenen:
De basisprincipes en technieken van psychologische diagnostiek zijn grotendeels hetzelfde
Leeftijdgerelateerde factoren beïnvloeden cliënt, therapeut en het therapeutische proces
Verschillende aspecten van de werkrelatie therapeut – oudere cliënt zijn een aandachtspunt
Contextual Lifespan Theory for Adapting Psychotherapy (CALTAP-model, Knight & Pachana, 2015):
(figuur 1.1, blz. 23)
Cohort (breder sociaal-historisch)
Cultuur (breder sociaal-historisch)
Context (sociaal)
↓ ↓
Positive maturation (normale veroudering) Negative maturation (normale veroudering)
Positieve aspecten van veroudering Negatieve aspecten van veroudering
(bijv. toename levenservaring) (bijv. afname uithoudingsvermogen)
↓ ↓
Specifieke omstandigheden → Presentatie probleem
Ingrijpendere veranderingen of specifieke
aandoeningen, geen deel normale veroudering
(bijv. doofheid, chronische ziekte, mantelzorg
cognitieve stoornissen, verweduwing, opname zorginstelling)
↓
Therapeutische relatie
(cognities en attitude van de hulpverlener)
Hoofdstuk 2: Levensloop theorieën
Vier perspectieven uit de levenslooppsychologie die aansluiten op een brede, persoonsgerichte visie:
(bevatten tevens de kernboodschappen van het hoofdstuk)
1. Levenslooppsychologie (ouderdom is geen aparte levensfase)
Geestelijke gezondheid wordt gezien als onderdeel van de complexiteit van de levensloop-
ontwikkeling en kan niet los worden gezien van de ontwikkeling in andere domeinen.
2. Welbevinden (en individueel en maatschappelijk functioneren)
Geestelijke gezondheid is méér dan de afwezigheid van psychische klachten en stoornissen.
o Emotioneel welbevinden
o Psychologisch welbevinden
o Sociaal welbevinden
3. Betekenis van ouder worden
Beeldvorming over ouder worden bepaalt mede de manier waarop de maatschappij,
professionals en ouderen zelf met hun geestelijke gezondheid omgaan.
4. Levensverhalen
Hoe ouderen hun leven tot een verhaal maken, draagt bij aan hun geestelijke gezondheid.
,Uitgangspunt: Het uitgangspunt binnen de vier perspectieven in de levenslooppsychologie is
niet de pathologie, maar juist de normale ontwikkeling op latere leeftijd.
Belangrijke principes over levensloopontwikkeling (levenslooppsychologie) zijn (Baltes, 1987):
Multidimensionaliteit
Ontwikkeling speelt zich altijd af op verschillende dimensies.
o Fysiek functioneren
o Sociaal functioneren
o Psychologisch functioneren (cognitie, emotie, gedrag, motivatie, persoonlijkheid)
Multidirectionaliteit
De verschillende dimensies kunnen elkaar onderling beïnvloeden.
Verschillende ontwikkelingsrichtingen
Elk aspect van fysiek, sociaal en psychologisch functioneren kan verschillend ontwikkelen,
elk van deze ontwikkelingsrichtingen kunnen echter horen bij een normale ontwikkeling.
o Groei
o Behoud van functioneren
o Verlies
De uitkomst van processen van levensloopontwikkeling kan geschetst worden als (Baltes, 1987):
Pathologisch – processen die fout lopen en resulteren in ziekte
Normaal – processen zoals die zich in een bepaalde groep gemiddeld genomen voordoen
Succesvol – de positieve uitzondering op het normale proces
Optimaal – de best denkbare ontwikkeling (ideaalbeeld, perfecte omstandigheden)
Wat betekent succesvol ouder worden vanuit het levensloopperspectief?
(er zijn maar liefst 29 definities!)
De tegenstelling tussen disengagement en activity (oudste tegenstelling)
o Disengagementtheorie
Goed ouder worden als een zich langzaam terugtrekken uit de samenleving en het leven,
een natuurlijke reactie op verminderde vitaliteit en het naderende levenseinde.
o Activitytheorie
Goed ouder worden als willen blijven deelnemen aan het leven en de samenleving
Verschillende invullingen (afgelopen jaren)
Hierop is kritiek geleverd, omdat er al snel sprake is van normativiteit.
o Productief, actief, waardig, goed, zinvol, vitaal of gezond ouder worden etc.
Model Rowe & Kahn (1997) (meest gebruikt)
Succesvol ouder worden gaat gepaard met een kleine kans op ziekte, goed fysiek en cognitief
functioneren, en actieve betrokkenheid bij het leven (dit zijn ook vrij strenge criteria).
Succesvol ouder worden als proces (psychologen)
Het vermogen van mensen om met ouder worden om te gaan en zich eraan aan te passen.
Omgaan met ouder worden heeft twee kanten die samen worden geduid als ontwikkelingsregulatie:
1. Plasticiteit en aanpassingsvermogen – functioneren, controle, welzijn en zelfwaardering
2. Autonomie en sturing – richting geven door doelen te stellen en keuzes te maken
, Ontwikkelingsregulatie in het SOC-model (Baltes & Baltes, 1990) (levenslooppsychologie):
1. Selectie (activiteiten en doelen verminderen)
Vindt het hele leven plaats, waarbij het op jongere leeftijd vooral gaat om keuzes maken en
op oudere leeftijd selecteren mensen waaraan zij tijd en energie willen blijven besteden.
o Pianist Arthur Rubinstein ging op oudere leeftijd minder stukken spelen
o Meneer van Santen gaat elke zondag, als het rustig is op de weg, een stuk fietsen
o Meneer Verbeek houdt het tegenwoordig bij een rustig potje golf
2. Optimalisatie (optimaliseren van hulpbronnen)
Gedrag met als doel om hogere niveaus van functioneren te bereiken.
o Rubinstein nam op oudere leeftijd meer tijd om repertoire in te studeren
o Mevrouw Huijbregts rijdt met haar auto regelmatig de routes die zij goed kent
o Mevrouw Autar neemt wat extra tijd om haar treinreis naar haar dochter te plannen
3. Compensatie (hulp vragen of hulpmiddelen inzetten om doelen te behalen)
Proces waarbij mensen verlies of achteruitgang in een bepaald domein opvangen om een
bestaand niveau van functioneren zo veel mogelijk te handhaven (bijv. rollator gebruiken).
o Om snelle passages snel te laten lijken, speelde Rubinstein er vlak voor extra langzaam
o Nu meneer Farah niet meer goed kan zien, huurt hij luisterboeken bij de bibliotheek
o Mevrouw Carstens kan weer zelf boodschappen doen, nu ze een scootmobiel heeft
Selectiviteitstheorie: Volgens de socio-emotionele-selectiviteitstheorie (Carstensen, 2003)
ondergaan mensen een verandering in waargenomen tijdsperspectief als ze
ouder worden, en streven ze doelen na die passen bij het perspectief van dat
moment (levenslooppsychologie). Deze selectie sluit aan op het SOC-model.
De socio-emotionele selectiviteitstheorie stelt dat levensloopontwikkeling twee motieven kent:
1. Dingen leren kennen – jonge mensen met een open tijdsperspectief (tijd vanaf de geboorte)
Worden gemotiveerd door langetermijnkennis en groeigerelateerde doelen.
2. Emoties reguleren – oudere mensen met een gesloten tijdsperspectief (tijd tot de dood)
Worden gemotiveerd door kortetermijn- en emotiegerelateerde doelen, voorkeur voor zaken
uit hun leven die hen een vertrouwd en positief gevoel opleveren (positiviteitseffect).
In de levenslooppsychologie zijn er drie groepen determinanten die het levenspad beïnvloeden:
1. Normatieve leeftijdsgebonden invloeden
Biologische en sociale invloeden die ongeveer te koppelen zijn aan een bepaalde leeftijd.
o Leren praten en lopen, lichamelijke veranderingen in de puberteit, halen van je rijbewijs
o Biologische invloeden hebben een groot effect tijdens de kindertijd en de ouderdom
o Sociale invloeden hebben vooral effect in de adolescentie en nemen toe bij ouderdom
2. Normatieve historische invloeden
Biologische en sociale invloeden afkomstig uit bepaald historisch tijdvak (generatie/cohort).
o Oorlog, economische recessie, ingrijpende technologische ontwikkeling
o Hebben vooral effect tijdens adolescentie en jongvolwassenheid en nemen daarna af
3. Niet-normatieve invloeden
Persoonsgebonden biologische en sociale invloeden, los van leeftijd of historisch tijdvak.
o Echtscheiding, verhuizing, bereiken van een bijzonder succes