MOLECULAIR NIVEAU
Leerpad 1: biomoleculen
1) Koolhydraten
Structuur
C, H, O atomen in 1:2:1 verhouding
-OH GROEP => goed oplosbaar
Functie
Energie + snel transport (polair) + membraamstructuur
Monosachariden
Vb1: glucose (C6H12O6) = koolhydraatmonomeer uit 6 C-atomen en ringstructuur -> zesring/hexose
vb2: fructose -> vijfring/pentose
!! schikking v. waterstof- en hydroxylgroepen bepalen over welk koolhydraat men spreekt !!
Disachariden
= 2 monosachariden samengevoegd via dehydratatiereactie
-> voor splitsing disachariden is hydrolysereactie nodig (watermolecule gebruikt voor ontkoppeling)
Polysachariden
= meerdere monosachariden verbonden
= lange ketens door vele dehydratatiereacties + vorming glycosidische bindingen
vb: glycogeen = energiereserve in menselijke lever of spiercellen
,2) Lipiden
Structuur
C, H, O atomen, lange keten C- en H-atomen met uiteinde -COOH (carboxygroep)
▪ Verzadigd vetzuur -> alle C-atomen met enkelvoudige covalente binding verbonden
▪ Onverzadigd vetzuur -> vetzuren met een of meerdere dubbele bindingen tussen C-atomen
Functie
Energie op LT, hormoonvorming en membraanstructuur
Triglyceriden
= grootste groep vetten in menselijk lichaam
één centrale glycerolmolecuul verbonden met 3 vetzuren
triglyceriden opgeslagen in vetcellen -> door hydrolyse afgebroken tot glycerol + vetzuren voor
energieproductie
=> verzadigde vetten meestal vaste vorm, onverzadigde vetten vaak vloeibaar bij kamertemperatuur
Fosfolipiden
= 2 vetzuren met fosfaatgroep gekoppeld aan de 3e hydroxylgroep in glycerolmolecule
= hoofdbestanddeel v. celmembranen -> dubbellaag in waterige omgevingen door amfifiele eigenschappen
(zowel hydrofiele als hydrofobe gedeeltes)
Steroïden
= grote vetmoleculen (v. oorsprong cholesterolmoleculen)
= niet-oplosbare vetten die door transporteiwitten vervoerd moeten worden in lichaam (vb: cholesterol)
steraanskelet: verbinding v. 4 ringstructuren uit C-atomen (+ enkele polaire hydroxylgroepen)
, 3) Eiwitten
= belangrijke biomolecule in menselijk lichaam -> elke dynamische functie afhankelijk v. eiwit
functies zoals:
-> versnellen v. chemische reacties + opslag + transport + cellulaire communicatie + verdediging +
beweging + structurele ondersteuning
Mens: 10 000+ verschillende eiwitten (uniek) -> allemaal opgebouwd uit 20 aminozuren
-> aaneenschakeling aminozuren -> peptidebinding (polymeer v aminozuren = polypeptide)
De bouwstenen v. eiwitten: aminozuren
Aminozuren bestaan uit:
▪ centrale koolstofatoom
▪ aminogroep (-NH2)
▪ carboxylgroep (-COOH)
▪ waterstofatoom (H)
▪ variabele restgroep
restgroepen bepalen fysische + chemische eigenschappen v aminozuren DUS ook de functie vh eiwit
- apolair (hydrofoob)
- polair (hydrofiel)
- elektrisch geladen (wateroplosbaar)
-> positief geladen
-> negatief geladen
2 grenzende aminozuren met hun carboxylgroep + aminogroep => mogelijkheid chemische reactie
-> door hydratatiereactie (water wordt verwijderd, H2O) kunnen de 2 groepen aan elkaar binden
! de chemische binding die hierdoor ontstaan = peptidebinding
=> ontstaan lange keten v. aminozuren = polypeptide (basisstructuur eiwit)
Polypeptide:
▪ polypeptide backbone (ruggengraat) -> aaneenschakeling amonozuren
▪ restgroepen steken zijdelings uit v.uit backbone -> bepalen uiteindelijke eiwit
▪ elk polypeptide heeft:
∙ vrije aminogroep (-NH2) aan één kant v keten
∙ vrije carboxylgroep (-COOH) aan andere kant v keten
sequentie/volgorde v aminozuren = essentieel -> hoe keten zich gaat vouwen
-> eigenschappen v restgroepen ((a)polair, geladen) -> belangrijk bij vormen v bindingen binnen keten
Wanneer een cel polypeptide aanmaakt -> keten gaat plooien -> stabiele 3D structuur vormen
Plooien -> gedreven door vorming bindingen tssn verschillende delen v polypeptideketen
Afhankelijk v volgorde + interacties => 2 hoofdtypes eiwitten
▪ globulaire eiwitten: bolvormig + meestal wateroplosbaar (bv: enzymen)
▪ fibreuze eiwitten vezelachtig + structureel (bv: collageen)
Leerpad 1: biomoleculen
1) Koolhydraten
Structuur
C, H, O atomen in 1:2:1 verhouding
-OH GROEP => goed oplosbaar
Functie
Energie + snel transport (polair) + membraamstructuur
Monosachariden
Vb1: glucose (C6H12O6) = koolhydraatmonomeer uit 6 C-atomen en ringstructuur -> zesring/hexose
vb2: fructose -> vijfring/pentose
!! schikking v. waterstof- en hydroxylgroepen bepalen over welk koolhydraat men spreekt !!
Disachariden
= 2 monosachariden samengevoegd via dehydratatiereactie
-> voor splitsing disachariden is hydrolysereactie nodig (watermolecule gebruikt voor ontkoppeling)
Polysachariden
= meerdere monosachariden verbonden
= lange ketens door vele dehydratatiereacties + vorming glycosidische bindingen
vb: glycogeen = energiereserve in menselijke lever of spiercellen
,2) Lipiden
Structuur
C, H, O atomen, lange keten C- en H-atomen met uiteinde -COOH (carboxygroep)
▪ Verzadigd vetzuur -> alle C-atomen met enkelvoudige covalente binding verbonden
▪ Onverzadigd vetzuur -> vetzuren met een of meerdere dubbele bindingen tussen C-atomen
Functie
Energie op LT, hormoonvorming en membraanstructuur
Triglyceriden
= grootste groep vetten in menselijk lichaam
één centrale glycerolmolecuul verbonden met 3 vetzuren
triglyceriden opgeslagen in vetcellen -> door hydrolyse afgebroken tot glycerol + vetzuren voor
energieproductie
=> verzadigde vetten meestal vaste vorm, onverzadigde vetten vaak vloeibaar bij kamertemperatuur
Fosfolipiden
= 2 vetzuren met fosfaatgroep gekoppeld aan de 3e hydroxylgroep in glycerolmolecule
= hoofdbestanddeel v. celmembranen -> dubbellaag in waterige omgevingen door amfifiele eigenschappen
(zowel hydrofiele als hydrofobe gedeeltes)
Steroïden
= grote vetmoleculen (v. oorsprong cholesterolmoleculen)
= niet-oplosbare vetten die door transporteiwitten vervoerd moeten worden in lichaam (vb: cholesterol)
steraanskelet: verbinding v. 4 ringstructuren uit C-atomen (+ enkele polaire hydroxylgroepen)
, 3) Eiwitten
= belangrijke biomolecule in menselijk lichaam -> elke dynamische functie afhankelijk v. eiwit
functies zoals:
-> versnellen v. chemische reacties + opslag + transport + cellulaire communicatie + verdediging +
beweging + structurele ondersteuning
Mens: 10 000+ verschillende eiwitten (uniek) -> allemaal opgebouwd uit 20 aminozuren
-> aaneenschakeling aminozuren -> peptidebinding (polymeer v aminozuren = polypeptide)
De bouwstenen v. eiwitten: aminozuren
Aminozuren bestaan uit:
▪ centrale koolstofatoom
▪ aminogroep (-NH2)
▪ carboxylgroep (-COOH)
▪ waterstofatoom (H)
▪ variabele restgroep
restgroepen bepalen fysische + chemische eigenschappen v aminozuren DUS ook de functie vh eiwit
- apolair (hydrofoob)
- polair (hydrofiel)
- elektrisch geladen (wateroplosbaar)
-> positief geladen
-> negatief geladen
2 grenzende aminozuren met hun carboxylgroep + aminogroep => mogelijkheid chemische reactie
-> door hydratatiereactie (water wordt verwijderd, H2O) kunnen de 2 groepen aan elkaar binden
! de chemische binding die hierdoor ontstaan = peptidebinding
=> ontstaan lange keten v. aminozuren = polypeptide (basisstructuur eiwit)
Polypeptide:
▪ polypeptide backbone (ruggengraat) -> aaneenschakeling amonozuren
▪ restgroepen steken zijdelings uit v.uit backbone -> bepalen uiteindelijke eiwit
▪ elk polypeptide heeft:
∙ vrije aminogroep (-NH2) aan één kant v keten
∙ vrije carboxylgroep (-COOH) aan andere kant v keten
sequentie/volgorde v aminozuren = essentieel -> hoe keten zich gaat vouwen
-> eigenschappen v restgroepen ((a)polair, geladen) -> belangrijk bij vormen v bindingen binnen keten
Wanneer een cel polypeptide aanmaakt -> keten gaat plooien -> stabiele 3D structuur vormen
Plooien -> gedreven door vorming bindingen tssn verschillende delen v polypeptideketen
Afhankelijk v volgorde + interacties => 2 hoofdtypes eiwitten
▪ globulaire eiwitten: bolvormig + meestal wateroplosbaar (bv: enzymen)
▪ fibreuze eiwitten vezelachtig + structureel (bv: collageen)