100% tevredenheidsgarantie Direct beschikbaar na je betaling Lees online óf als PDF Geen vaste maandelijkse kosten 4.2 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Samenvatting Embryologie en Embryologie van hoofd en hals van hoofdstuk 1 tot en met 6 ppt + lesnotities

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
55
Geüpload op
15-07-2025
Geschreven in
2024/2025

Hoofdstuk 1-6: Samenvatting van het vak Embryologie, gegeven door prof. Thierry Voet, op basis van zowel de lesnotities als de PowerPoints. Met deze samenvatting behaalde ik een 18/20 op het examen in eerste zit. (Hoofdstuk 3 heb ik deels op papier gemaakt, dus daarvan heb ik foto’s ingevoegd.)

Meer zien Lees minder













Oeps! We kunnen je document nu niet laden. Probeer het nog eens of neem contact op met support.

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Nee
Wat is er van het boek samengevat?
Onbekend
Geüpload op
15 juli 2025
Aantal pagina's
55
Geschreven in
2024/2025
Type
Samenvatting

Onderwerpen

Voorbeeld van de inhoud

Hoofdstuk 1
(belangrijkste begrippen)


gen= kenmerk
—> locus: 2 allelen (Aa)
—> genotype= combinatie allelen (homozygoot/ heterozygoot/ hemizygoot (= maar 1 allel)) => fenotype


Wrm hebben kinderen met een oude vader meer mutaties dan kinderen met een jonge vader?
—> spermatogenese blijft met leeftijd lopen dus blijven in mitose => door herhaaldelijke mitoses kunnen er fouten in komen
bij elke mitose


Mutaties
● dynamische mutatie = Stukje DNA die heel veel herhaald wordt in DNA. Herhaling van stukje DNA kan toenemen bij
overerving aan kind.
● premutatie = Dynamische mutatie is een stukje DNA die veel herhaald wordt in het DNA. De herhaling van het stukje
DNA kan toenemen bij overerving aan kind. Premutatie is wnr de herhaling van de DNA sequentie is
toegenomen, maar nog niet groot genoeg is om het fenotype (ziekte) te veroorzaken (kan uitbreiden tot
mutatie)
● anticipatie = het feit dat symptomen de neiging hebben om ernstiger te worden en op steeds jongere leeftijd voorkomen
in de opeenvolgende generaties.
—> is het geval bij dynamische mutaties doordat herhaling van DNA toeneemt bij overerving aan kind
● Haplo insuf cientie = Normaal heb je 2 kopiën van elk gen (1 van elke ouder). Bij haplo insuf ciëntie is er een mutatie/
verlies van 1 allel, maar het niet-gemuteerde allel kan de functie niet volledig compenseren
waardoor er een verlies van functie (loss of function) optreedt die kan leiden tot een ziekte.
● neurocristopathie = aandoeningen die ontstaan door fouten in de ontwikkeling van de NLC (neurale lijst cellen)
● dominant negatieve mutatie = mutatie van bijvoorbeeld 1 eiwit die onderdeel is van een complex waardoor heel dat
complex niet zal werken. …


mendeliaanse kenmerken vs. niet-mendeliaanse kenmerken
—> genotype op 1 locus => expressie kenmerk —> genotype op meerdere loci => expressie kenmerk
= monogeen = polygeen (multifactorieel)


MENDELIAANSE KENMERKEN
1. Autosomaal dominant (Aa / AA)
● penetrantie = probabiliteit dat iemand met genotype ook fenotype. ontw. (kan met leeftijd toenemen)
—> is alles of niets concept!
● non-penetrantie = probabiliteit dat iemand met genotype, fenotype niet ontw.
● variabele expressie = mensen met zelfde genotype, maar die verschillend fenotype ontwikkelen
HOE? door omgevingsfactoren, toeval, …
● expressiviteit = hoe erg fenotype is van mensen met zelfde genotype
● tness = hoe makkelijk iemand met een bepaalde aandoening nakomelingen kan krijgen in vergelijking met de rest van
de populatie
● locus heterogeniteit = zelfde ziektes/ fenotypes die ontstaan door mutaties in verschillende genen op verschillende loci
● allelische heterogeniteit = zelfde ziektes/ fenotypes die ontstaat door verschillende mutaties in zelfde gen
● klinische heterogeniteit = verschillende ziektes/ fenotypes die ontstaan door een mutatie in zelfde gen
2. Autosomaal recessief (aa)
3. X-gebonden dominant. —> aangetaste man kan mutatie nooit doorgeven aan zoon (want X-gebonden)!!!
—> vrouw en man hebben mutatie (voor X-gebonden dominant en recessief)



fi fi

,4. X-gebonden recessief
—> vrouw heeft mutatie niet (= draagster) (kan mutatie wel hebben indien veel cellen het gemuteerde allel niet
epigenetisch desactiveren)
—> man heeft mutatie


Hoe X-inactivatie?
1) XISTgen (X-inactivatie speci ek transcript) komt tot expressie
2) XIST recruteert repressieve eiwitten die chromatine omvormen tot transcriptioneel inactieve conformatie = X-inactivatie


5. Y-gebonden
—> alle mannen hebben mutatie fenocopy = geen genotype maar wel fenotype door bv medicatie


6. mitochondriale overerving
● maternale overerving van mitochondriaal DNA = Mitochondriaal DNA wordt via de moeder doorgegeven, want oöcyt is
de cel met meeste mitochondriën + de mitochondriën van de vader zitten in de agel maal die zal niet in cel komen
1) zygote (bevruchte eicel) heeft duizenden moleculen van mitochondriaal DNA hiervan zijn een aantal mutant en een
aantal niet-mutant
2) cel begint te delen waardoor het aantal moleculen mitochondriaal DNA afneemt (30-35) —> hierbij vindt een random
selectie plaats (= bottleneck)
3) mitochondriaal DNA zal weer vermenigvuldigen tot duizendtal kopiën maar verhouding mutant/niet-mutant blijft gelijk
—> homoplasmie = situatie waarbij er nog alleen maar mutante mitochondriale DNA moleculen overblijven
—> heteroplasmie = situatie waarbij er zowel mutante als niet-mutante mitochondriale DNA moleculen zijn
4) of er een fenotype is of de ernst van het fenotype hangt af van of de dochtercel veel/ weinig mutante mitochondriale
DNA moleculen bevat


NIET-MENDELIAANSE MULTIFACTORIËLE KENMERKEN
1. continu/ kwantitatief kenmerk (quantitative traits) = kenmerk dat in graden voorkomt (beïnvloedt door meerdere genen
en omgevingsfactoren)
2. dichtoom kenmerk = kenmerk dat je hebt of niet hebt afhv de combinatie van genetische en omgevingsfactoren
—> indien drempel (threshold) overschreden krijg je fenotype




fi

, Hoofdstuk 2
Ontwikkeling gonaden




→ mannelijk geslacht vanaf het moment dat er 1 Y-chromosoom aanwezig is want bevat SRY-gen (sex
determining region of the Y-chromosoom)




1

, PKS
>
-




ambiseksuele/ bipotentiële/ indifferente fase (tot en met week 6)
= periode waar men nog geen onderscheid kan maken tussen man en vrouw
week 4:
1) primordiale kiemcellen (= voorlopers van geslachtscellen, zijn pluripotent) migreren van
dooierzak naar intermediair mesoderm/ nefrotoom
op het nefrotoom zitten:
→ coeloomepitheelcellen ⇒ zullen prolifereren waardoor het coeloomepitheel verdikt
→ ductus mesonefricus (gang van wolff)




2

,*als PKC van de dooierzak naar een verkeerde plaats migreren zullen er teratoma/ wondergezwellen
(= zwellingen waar alle soorten weefsels in kunnen voorkomen zoals ogen, haar,…) ontwikkelen
aangezien PKC = pluripotent (kunnen nog alle soorten weefsels worden)
→ kunnen gonadaal/ extragonadaal voorkomen
→ sacrococcygeale teratoma (thv coccys)




week 5:
2) coeloomepitheelcellen en PKC vormen:
- geslachtsstrengen (testis/ ovaria)
- primitieve gonaden

week 6:
3) coeloomepitheelcellen differentiëren tot somatische suportcellen
4) de ssc zullen de PKC investeren (voeden + ondersteunen) zodat deze in stand gehouden
worden
*als de PKC niet geïnvesteerd worden zullen ze degenereren en zullen er geen gonaden gevormd
worden
⇒ vorming:
- ductus paramesonefricus (gang van Müller)
- ductus mesonefricus (gang van Wolff)




3

, ♂ embryonale ontwikkeling
MEIOSE PAS BIJ PUBERTIJD!
week 7:
hebben SRY-gen op het Y-chromosoom
1) SRY-gen komt tot expressie: SRY proteïne
2) SRY proteïne zal er voor zorgen dat SOX9 tot expressie komt
3) oiv SOX9 zullen de ssc differentiëren tot (pre)sertolicellen
4) sertolicellen dragen bij aan:
- sertolicellen + PKC + myode cellen vormen: testis cords (zal in week 9 gescheiden worden
van coeloomepitheel door tunica albuginea)
→ sertolicellen omgeven de PKC waardoor deze tijdelijk stoppen in de mitose en dus geen
meiose zullen starten
TOT pubertijd:
1. testis cords differentiëren tot tubuli seminiferi (die zal zorgen voor het rijpen van
zaadcellen)
2. PKC differentiëren tot spermatogonia
3. mitose en meiose vinden plaats
4. start spermatogenese
- sertolicellen zullen aanleiding geven tot de vorming van de rete testis (= solide buisjes die
bij spermatogenese en pubertijd zullen openen om gameten/ spermatozoa af te voeren naar
de epididymis)
→ week 12: fuseren ze met tubulus mesonefricus epigenitalis en vormen ze ductuli
efferentes
- week 8: produceren sertolicellen AMH (anti-mülleriaans hormoon)/ MIS (müllerian
inhibiting substance)
1) AMH bindt aan receptor op mesenchymale cellen rond de ductus paramesonefricus
2) hierdoor ontstaat er een signaal naar de cellen van ductus paramesonefricus (DPMNF)
voor apoptose
→ wel blijven er restanten van de ductus PMNF:


4
€14,46
Krijg toegang tot het volledige document:

100% tevredenheidsgarantie
Direct beschikbaar na je betaling
Lees online óf als PDF
Geen vaste maandelijkse kosten

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
emiliejs

Ook beschikbaar in voordeelbundel

Thumbnail
Voordeelbundel
volledige samenvatting Embryologie en Embryologie van hoofd en hals: PPT lesnotities
-
2 2025
€ 28,92 Meer info

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
emiliejs Katholieke Universiteit Leuven
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
1
Lid sinds
1 jaar
Aantal volgers
0
Documenten
3
Laatst verkocht
5 maanden geleden

0,0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Veelgestelde vragen