Psychologie
Hoofdstuk 7: Systeemdenken (les)
Situering
- Half vorige eeuw (eind jaren ’60 begin jaren ’70)
- Systeemtheorie = gezins- en relatietherapie
- Manier om naar grotere gehelen te kijken
- Komt vanuit natuurwetenschappen
- Overgewaaid vanuit de VS
- Systeemdenken => geen uitvinding van psychologen
- Systeemdenkers kijken naar het grotere geheel
1. Systemen
= Een systeem is een samenstel van elementen dat als geheel functioneert door de onderlinge
afhankelijkheid van de elementen en dat voor de betrokken elementen bepaalde functies vervult.
(bv: een gezin, samenleving heeft verschillende sociale systemen, school, jeugdbeweging, geloof)
- Watzlawick: ‘een aantal objecten, samen met relaties tussen die objecten en hun attributen’.
Objecten:
o Elementen van het systeem
o Geen individuele personen maar individuen die communiceren met andere
individuen
Attributen: eigenschappen van die elementen
Relaties: maken systeem samenhangend
- Samenleving opgebouwd uit verschillende sociale systemen
Van welke systemen maak jij deel uit? (Vb.: gezin, vriendengroep, HoGent,
jeugdbeweging, sportclub, klasgroep, samenleving, … )
- Paradigmashift
- Vandaag trekt de hulpverlening nog meer de kaart van gezins- en contextbegeleiding!
2. Kenmerken => definities uit boek!
2.1. Totaliteit, gestalt
- Totaliteit: als 1 deel in het systeem veranderd, verandert er een
ander deel in het systeem en het systeem in zijn geheel
- Afbeelding= een systeem, als je een duw geeft aan een van de
draden gaan alle andere draden mee bewegen
- Systeem heeft een functie
- Als je 1 deel fixt wil het niet zeggen dat heel het systeem gefixt is
2.2. Integraal en complex
- Systeemdenken is een vorm van holistisch denken => kijken naar de mens in zijn totaliteit, kijken
naar het groter geheel
- Alle elementen zijn ‘in netwerken van relaties’ verbonden
, 2.3. Contextueel
- Alles wat op en rond een systeem zit en er invloed op uitoefent (bv: financiële situatie, sociale
vaardigheden, )
2.4. Grenzen
- Binnen systemen zijn er grenzen die bepalen wie er deelneemt aan welk systeem en welke
communicatiepatronen en regels er gelden.
- Gesloten systeem:
Niet voor ons van toepassing, dit zijn natuurwetenschappen
Duidelijke grens
Weinig of geen beïnvloeding vanuit omgeving dus ondergaat dit systeem weinig
verandering
Beïnvloeding in 1 richting
- Open systeem =>
Sociaal systeem , er kan altijd nog informatie naar binnen en buiten (bv: je bent niet
geslaagd dit jaar. dit gebeurt van buitenaf maar dit heeft ook een impact op ons als
persoon)
Staat in contact met omgeving
- Alle sociale systemen zijn open systemen
2.5. Feedback/ terugkoppeling
- Feedback = terugkoppeling
- Positieve feedback: er is een verandering in het systeem
- Negatieve feedback: er is geen verandering in het systeem
- Homeotase (evenwicht)
Elke systeem streeft naar evenwicht
Mogelijkheid om zich aan te passen
Systeem wil gehandhaafd blijven
2.6. Circulariteit
Hoofdstuk 7: Systeemdenken (les)
Situering
- Half vorige eeuw (eind jaren ’60 begin jaren ’70)
- Systeemtheorie = gezins- en relatietherapie
- Manier om naar grotere gehelen te kijken
- Komt vanuit natuurwetenschappen
- Overgewaaid vanuit de VS
- Systeemdenken => geen uitvinding van psychologen
- Systeemdenkers kijken naar het grotere geheel
1. Systemen
= Een systeem is een samenstel van elementen dat als geheel functioneert door de onderlinge
afhankelijkheid van de elementen en dat voor de betrokken elementen bepaalde functies vervult.
(bv: een gezin, samenleving heeft verschillende sociale systemen, school, jeugdbeweging, geloof)
- Watzlawick: ‘een aantal objecten, samen met relaties tussen die objecten en hun attributen’.
Objecten:
o Elementen van het systeem
o Geen individuele personen maar individuen die communiceren met andere
individuen
Attributen: eigenschappen van die elementen
Relaties: maken systeem samenhangend
- Samenleving opgebouwd uit verschillende sociale systemen
Van welke systemen maak jij deel uit? (Vb.: gezin, vriendengroep, HoGent,
jeugdbeweging, sportclub, klasgroep, samenleving, … )
- Paradigmashift
- Vandaag trekt de hulpverlening nog meer de kaart van gezins- en contextbegeleiding!
2. Kenmerken => definities uit boek!
2.1. Totaliteit, gestalt
- Totaliteit: als 1 deel in het systeem veranderd, verandert er een
ander deel in het systeem en het systeem in zijn geheel
- Afbeelding= een systeem, als je een duw geeft aan een van de
draden gaan alle andere draden mee bewegen
- Systeem heeft een functie
- Als je 1 deel fixt wil het niet zeggen dat heel het systeem gefixt is
2.2. Integraal en complex
- Systeemdenken is een vorm van holistisch denken => kijken naar de mens in zijn totaliteit, kijken
naar het groter geheel
- Alle elementen zijn ‘in netwerken van relaties’ verbonden
, 2.3. Contextueel
- Alles wat op en rond een systeem zit en er invloed op uitoefent (bv: financiële situatie, sociale
vaardigheden, )
2.4. Grenzen
- Binnen systemen zijn er grenzen die bepalen wie er deelneemt aan welk systeem en welke
communicatiepatronen en regels er gelden.
- Gesloten systeem:
Niet voor ons van toepassing, dit zijn natuurwetenschappen
Duidelijke grens
Weinig of geen beïnvloeding vanuit omgeving dus ondergaat dit systeem weinig
verandering
Beïnvloeding in 1 richting
- Open systeem =>
Sociaal systeem , er kan altijd nog informatie naar binnen en buiten (bv: je bent niet
geslaagd dit jaar. dit gebeurt van buitenaf maar dit heeft ook een impact op ons als
persoon)
Staat in contact met omgeving
- Alle sociale systemen zijn open systemen
2.5. Feedback/ terugkoppeling
- Feedback = terugkoppeling
- Positieve feedback: er is een verandering in het systeem
- Negatieve feedback: er is geen verandering in het systeem
- Homeotase (evenwicht)
Elke systeem streeft naar evenwicht
Mogelijkheid om zich aan te passen
Systeem wil gehandhaafd blijven
2.6. Circulariteit