Hoofdstuk 3: Immunohistochemische kleurtechniek (IHC), antibodies.................................................. 2
1) Principe............................................................................................................................................ 2
2) Werkingsmechanisme ..................................................................................................................... 2
3) Antilichamen (AL) ............................................................................................................................ 2
Immunoglobulines (Ig)..................................................................................................................... 2
IgG................................................................................................................................................ 3
IgM............................................................................................................................................... 4
Polyclonale en monoclonale antilichamen...................................................................................... 4
Polyclonaal AL.............................................................................................................................. 4
Monoclonaal AL ........................................................................................................................... 5
Voordelen/nadelen ..................................................................................................................... 8
Affiniteit van het antilichaam .......................................................................................................... 8
Kruisreactiviteit van een AL ............................................................................................................. 9
Stabiliteit van een antilichaam ........................................................................................................ 9
De reactiesnelheid van een antilichaam ......................................................................................... 9
Het bewaren van AL ........................................................................................................................ 9
Antilichaamverdunningen ............................................................................................................... 9
Antilichaam incubatie ...................................................................................................................... 9
1
, Technieken voor de lokalisatie van specifieke bestanddelen:
1) Immunohistochemische kleurtechniek (IHC)
2) Detectie DNA of mRNA (ISH maar ook spatial transcriptomics)
Hoofdstuk 3: Immunohistochemische kleurtechniek (IHC), antibodies
• samenstelling naam:
o ‘immunis’ (verwijst naar gebruikte antilichamen)
o ‘histos’ (=weefsel) (coupe)
<-> immunocytochemie (uitgevoerd op intacte cellen bv. celpreparaat, celcultuur, uitstrijkjes…)
1) Principe
• Identificatie of lokalisatie van een specifieke molecule in een weefselcoupe/celpreparaat op
basis van antigene eigenschap
• vorming antigeen (AG)– antilichaam (AL) complex
• veel gebruikte techniek in de pathologie, hematologie, biomedische research labo’s, ...
o diagnose stellen van abnormale cellen bv. tumoren
o specifieke cellulaire merkers voor bepaalde cellulaire processen bv. proliferatie op
apoptose
o onderzoek naar distributie en lokalisatie van biomerkers en proteïnen in biologisch
weefsel
• welke cellulaire antigenen aantonen?
o Cytoplasma
o Nucleus
o Celmembraan
o Lipiden
o proteïnen
2) Werkingsmechanisme
• AG
o molecule aanwezig in cel, weefsel
o een bestanddeel dat de vorming van een antilichaam kan opwekken.
Dit antigeen is dan ook immunogeen (een voor het lichaam vreemde stof)
• AL
o immunoglobuline geproduceerd door plasmacellen tegen een welbepaald antigeen
vorming AG-AL complex = immunologische reactie
3) Antilichamen (AL)
Immunoglobulines (Ig)
• 5 klassen immunoglobulines
o IgG, IgA, IgM, IgD, IgE (volgens dalende concentratie in serum)
IgG en IgM worden meest gebruikt in IHC
2
1) Principe............................................................................................................................................ 2
2) Werkingsmechanisme ..................................................................................................................... 2
3) Antilichamen (AL) ............................................................................................................................ 2
Immunoglobulines (Ig)..................................................................................................................... 2
IgG................................................................................................................................................ 3
IgM............................................................................................................................................... 4
Polyclonale en monoclonale antilichamen...................................................................................... 4
Polyclonaal AL.............................................................................................................................. 4
Monoclonaal AL ........................................................................................................................... 5
Voordelen/nadelen ..................................................................................................................... 8
Affiniteit van het antilichaam .......................................................................................................... 8
Kruisreactiviteit van een AL ............................................................................................................. 9
Stabiliteit van een antilichaam ........................................................................................................ 9
De reactiesnelheid van een antilichaam ......................................................................................... 9
Het bewaren van AL ........................................................................................................................ 9
Antilichaamverdunningen ............................................................................................................... 9
Antilichaam incubatie ...................................................................................................................... 9
1
, Technieken voor de lokalisatie van specifieke bestanddelen:
1) Immunohistochemische kleurtechniek (IHC)
2) Detectie DNA of mRNA (ISH maar ook spatial transcriptomics)
Hoofdstuk 3: Immunohistochemische kleurtechniek (IHC), antibodies
• samenstelling naam:
o ‘immunis’ (verwijst naar gebruikte antilichamen)
o ‘histos’ (=weefsel) (coupe)
<-> immunocytochemie (uitgevoerd op intacte cellen bv. celpreparaat, celcultuur, uitstrijkjes…)
1) Principe
• Identificatie of lokalisatie van een specifieke molecule in een weefselcoupe/celpreparaat op
basis van antigene eigenschap
• vorming antigeen (AG)– antilichaam (AL) complex
• veel gebruikte techniek in de pathologie, hematologie, biomedische research labo’s, ...
o diagnose stellen van abnormale cellen bv. tumoren
o specifieke cellulaire merkers voor bepaalde cellulaire processen bv. proliferatie op
apoptose
o onderzoek naar distributie en lokalisatie van biomerkers en proteïnen in biologisch
weefsel
• welke cellulaire antigenen aantonen?
o Cytoplasma
o Nucleus
o Celmembraan
o Lipiden
o proteïnen
2) Werkingsmechanisme
• AG
o molecule aanwezig in cel, weefsel
o een bestanddeel dat de vorming van een antilichaam kan opwekken.
Dit antigeen is dan ook immunogeen (een voor het lichaam vreemde stof)
• AL
o immunoglobuline geproduceerd door plasmacellen tegen een welbepaald antigeen
vorming AG-AL complex = immunologische reactie
3) Antilichamen (AL)
Immunoglobulines (Ig)
• 5 klassen immunoglobulines
o IgG, IgA, IgM, IgD, IgE (volgens dalende concentratie in serum)
IgG en IgM worden meest gebruikt in IHC
2