LES 1: inleiding: ecologie van de mond
1. Volgens de definitie omvat mondgezondheid een staat waarin men vrij is van
diverse aandoeningen. Welk van de volgende items wordt specifiek genoemd
als iets waar men vrij van moet zijn voor een goede mondgezondheid?
A. Overgewicht
B. Tandbederf (tooth decay)
C. Hoofdpijn
D. Huiduitslag
2. Welke gezondheidstoestand werd volgens de Global Burden of Disease 2019
wereldwijd geschat als de meest voorkomende?
A. Ernstige parodontale aandoeningen
B. Onbehandelde cariës in het melkgebit
C. Onbehandelde cariës in het permanente gebit
D. Mond- en keelkanker
3. Welke van de volgende factoren wordt genoemd als een modificeerbare
risicofactor voor mondziekten?
A. Genetische aanleg
B. Leeftijd
C. Tabaksgebruik
D. Geslacht
4. Hoeveel mensen lijden wereldwijd naar schatting aan cariës van het
permanente gebit?
A. 520 miljoen
B. 14% van de volwassen bevolking
C. Meer dan één miljard
D. 2 miljard
5. Volgens de aantekeningen in de bronnen komt parodontitis als aandoening
typisch voor bij:
A. Enkel bij kinderen
B. Enkel bij volwassenen
C. Voornamelijk bij ouderen (>65 jaar)
D. Zowel bij kinderen als volwassenen
6. Naast genetische aanleg, welke maternale factor tijdens de zwangerschap
wordt genoemd als een factor die een rol kan spelen bij het ontstaan van
orofaciale spleten zoals Cleft Lip and Palate (CLP)?
A. Overmatige blootstelling aan koude
B. Een dieet rijk aan suikers
C. Slechte voeding
D. Gebruik van pijnstillers zonder voorschrift
1
,7. Wat is de kern van de definitie van 'Ecologie'?
A. De beschrijving van verschillende soorten organismen
B. De studie van de verspreiding van ziektes
C. De dynamiek van de wisselwerking tussen organismen en hun
omgeving binnen een afgebakende eenheid
D. Het onderzoek naar de chemische samenstelling van een omgeving
8. Welke term beschrijft de kant van een tand die naar de wang gericht is?
A. Mesiaal
B. Distaal
C. Linguaal
D. Bucaal
9. Welke van de volgende is een omgevingsfactor die de tandontwikkeling kan
beïnvloeden?
A. Het uur van de dag
B. Infectie
C. De manier van poetsen
D. Speekselproductiesnelheid
10.Welk hard tandweefsel is expliciet omschreven als 'vitaal', in tegenstelling tot
glazuur?
A. Glazuur
B. Dentine
C. Cementum
D. Alle harde tandweefsels zijn vitaal
11.Op welke specifieke locaties op de tanden ontwikkelt cariës zich gewoonlijk?
A. Enkel op het incisale vlak
B. Ter hoogte van putten, fissuren, approximale vlakken en de marginale
gingiva
C. Overal waar plaque aanwezig is
D. Voornamelijk op gladde, zelfreinigende oppervlakken
12.Wat is, qua gewicht, het hoofdbestanddeel van glazuur?
A. Organisch materiaal
B. Water
C. Anorganisch materiaal
D. Collageen
13.In welke volgorde neemt de oplosbaarheid van de verschillende vormen van
hydroxyapatiet in glazuur toe, van minst oplosbaar naar meest oplosbaar?
A. HAP < FHAP < CHAP of MHAP
B. CHAP of MHAP < HAP < FHAP
C. FHAP < HAP < CHAP of MHAP
D. FHAP < CHAP of MHAP < HAP
2
, 14.Bij welke pH-waarde wordt glazuur oplosbaar in zuur, ook wel de kritische pH
genoemd?
A. pH = 7.0
B. pH > 5.5
C. pH < 5.5
D. pH = 6.0
15.Welk percentage van dentine bestaat uit anorganisch materiaal qua gewicht?
A. Ongeveer 18%
B. Ongeveer 23%
C. Ongeveer 65%
D. Ongeveer 70%
16.Welke stelling over cementum is correct?
A. Het is het hardste tandweefsel
B. Het heeft een lagere oplosbaarheid in zuur dan glazuur
C. Abrasie van cementum bij ouderen verhoogt het cariësrisico
D. Het bevat meer anorganisch materiaal dan dentine
17.Hoeveel speeksel produceert het lichaam dagelijks ongeveer?
A. Enkele honderden milliliters
B. Ongeveer een halve liter
C. Bijna 1 liter
D. Meer dan 2 liter
18.Welke functie van speeksel wordt benadrukt als bescherming van het gebit?
A. Spreken
B. Slikken
C. Proeven
D. Neutralisatie van zuren door buffering
19.Welke component is verantwoordelijk voor ongeveer 90% van de
buffercapaciteit van speeksel?
A. Calcium
B. Anorganisch fosfaat
C. Bicarbonaat
D. Fluoride
20.Wat is de primaire functie van Amylase in speeksel?
A. Het binden van ijzer
B. Het afbreken van alfa 1,4 glucoseverbindingen van glycogeen en
zetmeel
C. Het stabiliseren van calcium en fosfaat
D. Het lyseren van bacteriewanden
3