Groepsdynamica
H1: communicatie
1.1communicatiemodel
communicatie; Een persoon beïnvloedt een ander persoon d.m.v.
informatieoverdracht
encodering: de zender zet zijn
boodschap om in een bepaalde
vorm bv. in spreektaal,
gebarentaal, morse, sms-taal
decodering: de ontvanger ontcijfert
de boodschap weer en vertaalt
deze in een bepaalde betekenis
Ruis:
interne ruis: mentale afleiding of storende gevoelens of eigenschappen
aan de kant van de spreker waardoor deze zijn boodschap niet goed onder
woorden kan brengen bv. stottert, kent de taal niet, … of aan de kant van
de luisteraar bv. luistert niet, …
externe ruis: allerlei afleidende of storende zaken waardoor de boodschap
niet goed overkomt of verstaan wordt bv. achtergrondgeluiden, verbinding
die weg valt, …
Effectieve communicatie: de boodschap wordt begrepen zoals jij die bedoeld hebt
=> bedoeling = effect
Gebrekkige communicatie:
de zender weet niet altijd meteen welke informatie hij wil communiceren:
welke bedoelingen, ideeën, … bv. leerkracht Nederlands moet wiskunde
geven
encodering loopt niet goed
woordgebruik tussen zender en ontvanger kan verschillen bv. wat is een
goede docent?
andere jargon
teveel ruis
selectieve luisterprocessen: mensen horen enkel het deel dat ze willen
horen
Hierdoor zijn bedoeling en effect niet vaak
hetzelfde en ziet communicatie er zo uit:
Deze hoek kan veroorzaakt worden door objectieve
factoren (bv. woordgebruik, taalvaardigheid) maar
vaker worden ze veroorzaakt door subjectieve
factoren (bv. gebrek aan luistervaardigheid of
selectieve waarneming). Als de bedoelde en
onbedoelde communicatie elkaar steunen wordt de
vervormingshoek kleiner.
,Communicatie is niet enkel een informatieoverdracht (in 1 richting), maar ook
interactie komt hier bij kijken. Zender en ontvanger zijn beide actief betrokken bij
het communicatiegebeuren (ontvanger door bv. te luisteren, vragen te stellen,
…). Beide partijen beïnvloeden elkaar, maar laten zich tegelijk ook door elkaar
beïnvloeden (in 2 richtingen).
Onderzoek van Matarazzo: onderzocht de invloed van de lengte van de
spreektijd
In een interview van 45 min gaf de ene spreker eerste commentaar van 5 sec
toen van 10 en daarna weer van 5 => Een toename van 100% in de spreektijd
van de ene spreker zorgde voor een soortgelijke toename van spreektijd bij de
andere spreker. Daarna deed hij een 2de test waarbij hij eerst 10 toen 5 en toen
weer 10 sec spreektijd deed met dezelfde resultaten als bij de eerste. Bij een 3 de
test bleef de spreektijd gelijk en hier zag hij ook dat de spreektijd van de andere
spreker gelijk bleef.
Bij een tweede onderzoek stelde hij een soortgelijk verband -> Hoe langer een
interviewer wachtte met het stellen van zijn vragen, hoe langer de andere
gesprekspartner wachtte met zijn antwoorden.
Inhoud vs betrekking:
Inhoud: de informatie, wat er letterlijk wordt gezegd. Dit gebeurt meestal
verbaal
Betrekking: de onderlinge relatie (relatieboodschap bv. je zegt iets anders
tegen je baas en je vriendin), hoe iets wordt gezegd (bevelend, vriendelijk,
…), hoe de boodschap moet worden opgevat
- Complementaire betrekking: machtsverhouding bv. student en prof
- Symmetrische betrekking: geen machtsverhouding bv. 2 vrienden
conflicten omdat de ene verdurend de andere kan proberen
overtroeven = competitie of rivaliteit => oplossing: meta-
communicatie = communiceren over de manier waarop men met
mekaar gaat communiceren
Bv. Er staat nog een bord op tafel (= inhoud) => ik wil dat het bord wordt
opgeruimd (betrekking)
Het betrekkingsniveau: Mensen laten tijdens hun communicatie voortdurend
merken wat ze van de ander vinden en dus eigenlijk hoe ze willen dat de ander
met hen omgaat en hoe ze willen dat de ander hen ziet, dat meestal door non-
verbale signalen.
-Ze zeggen iets over zichzelf, de zelfomschrijving of het zelfbeeld (bv. ik
heb hulp nodig).
- Ze zeggen ook iets over de ander (bv. Jij kan het wel).
- En ze zeggen iets over de onderlinge relatie of het relatievoorstel (bv.
ik heb je hulp nodig)
De gesprekspartner kan dan kiezen om het betrekkingsniveau en het
ermee gepaarde relatievoorstel te aanvaarden, verwerpen of negeren
(d.m.v. diskwalificaties)
,Wanneer 2 gesprekspartners het niet met elkaar eens kunnen worden, maar dit
niet openlijk willen toegeven, kunnen ze hun toevlucht nemen tot een hele reeks
diskwalificaties (techniek om iets te zeggen zonder het echt te zeggen, van
mening kunnen verschillen zonder dit openlijk te laten merken of iets ontkennen
zonder duidelijk nee te zeggen):
Stilte, zwijgen
Ontwijken
Indirect reageren (bv. tegen een andere persoon zeggen ‘ik had het niet
tegen jou toen ik … zei)
Generaliseren
Zijdelings reageren: slechts reageren op een onbelangrijk detail
Ziektesymptomen bv. plots hoofdpijn krijgen
Zelfdiskwalificatie bv. door erg onsamenhangend te gaan praten
Zinnen niet afmaken
Voortdurend wisselen tussen tt en vt
Ontkenning (bv. ik ben niet b-b-bang hoor)
Verwarringen van de letterlijke en de symbolische betekenis van woorden
Interpunctie: wat is de volgorde van de communicatie => wie is gestart? Bv. gaat
de docent luider spreken omdat de student zo rumoerig zijn of gaan studenten
luider met elkaar spreken omdat de docent toch luid genoeg spreekt =>
verschillen in interpunctie: mensen gaan ervan uit dat hun beeld van de
werkelijkheid de juiste is
De vijf axioma’s van Watzlawick:
Axioma = iets dat als algemeen waarheid geaccepteerd wordt
1. Alle gedrag is communicatie, je kan niet niet-communiceren => men
schrijft een bedoeling toe die er niet is -> gedrag heeft altijd een effect ook
al heeft de zender niet altijd een duidelijke bedoeling
2. Elke communicatie heeft een inhouds- en een betrekkingsniveau => als je
merkt dat je steeds vaker discussies krijgt over ‘banale’ onderwerpen kijk
dan eens naar jullie relatievisie (complementair <-> symmetrisch)
Bv. inhoud: ‘Er ligt een papiertje op de grond.’ => betrekking: raap het
papiertje op
3. Het karakter van een betrekking is afhankelijk van de interpunctie van de
reeksen van communicaties tussen de communicerende personen => Het
is vaak onduidelijk waar de interactie is gestart = verschillende personen
hebben hier een andere visie over (wat ik als oorzaak beschouw, beschouw
jij als gevolg)
Bv. Hoe meer mijn moeder me verwijt dat ik zo weinig op bezoek kom ->
Hoe minder ik op bezoek ga -> Hoe meer mijn moeder mij verwijt dat ik zo
weinig op bezoek kom -> Hoe minder ik op bezoek ga (wat was er eerst
het weinig op bezoek gaan of het verwijten?)
4. Mensen communiceren zowel verbaal (woorden) als non-verbaal (gebaren,
intonaties, gezichtsuitdrukkingen, …), zowel digitaal (meestal verbaal bv.
als ik zeg dat ik me boos voel is het duidelijk wat ik daarmee bedoel
vergelijk dit met het digitale uur 17:34:02, dat is heel precies) als analoog
(meestal non-verbaal bv. als ik met een rood hoofd kom aangelopen kan
dat komen doordat ik boos ben maar kan ook iets anders zijn vergelijk dit
, met een analoge klok, het is ongeveer 5 voor 12 = niet precies duidelijk)
(dit is er ook altijd zie axioma 1 en is meestal ook sterker dan digitale
communicatie)
Interpersoonlijke ruimte/afstand = de afstand tussen jou en degene
waarmee je spreekt
5. Elke uitwisseling van communicatie is ofwel symmetrisch ofwel
complementair
1.2 filters in communicatie
De cultuur waarin je opgroeit verklaart voor een groot deel hoe je communiceert
met anderen. Echter is er binnen deze culturele begrenzing wel ruimte over voor
een enorme variatie in wat wij zeggen, tegen wie wij wat zeggen, de manier
waarop we iets zeggen, de lichaamstaal die in onze woorden vergezelt, het
tijdstip waarop iets wordt gezegd, de intonatie en de specifieke woordkeus die we
gebruiken. => Dit komt door ons verleden/ervaringen.
Ook zetten we bij communicatie bepaalde filters bij bepaalde mensen:
1. Mijn zelfbeeld: Elke zender en ontvanger beschikken ieder over een
bepaald concept of beeld van zichzelf en over bepaalde gevoelens van
eigenwaarde en zelfrespect. Hun communicatie wordt gedeeltelijk bepaald
door hun zelfconcept op een bepaald tijdstip en door de waarde die zij
zichzelf in bepaalde situaties geven. Bv. Als ik mezelf beschouw als expert
in iets ga ik daar ook met veel zelfvertrouwen over vertellen.
2. Het beeld van de andere(n): Zowel zender als ontvanger kennen bepaalde
waarde toe aan de anderen . Dat bepaald mee de stijl die we zullen
gebruiken tijdens het communiceren.
3. Mijn definitie van de situatie: Zender en ontvanger hebben beide een
bepaald beeld van de situatie waarin zij samen ergens mee bezig zijn.
Waarom zitten we hier (doel)? En wat dragen we bij aan deze
communicatie? => Soms is wordt de situatie door verschillende personen
anders gezien en dit kan zorgen voor communicatieproblemen daarom is
het belangrijk om een gemeenschappelijke definitie van de situatie te
hebben.
4. Mijn motieven, gevoelens, bedoelingen en attitudes: bv. wanneer ik
anderen wil beïnvloeden zal ik anders communiceren dan als ik meer
informatie over iets wil weten.
5. Mijn verwachtingen/zelfvervullende voorspellingen (psychologisch): bv. Als
jij denkt dat je slecht bent in wiskunde en je krijgt een slechte toets terug
dan bevestigt dat je gevoel en ga je ook denken dat je echt slecht bent
Self-fulfilling prohecies:
Een self-fulfilling prophecy is een psychologisch
fenomeen waarbij een verwachting of voorspelling
invloed heeft op het gedrag van mensen, waardoor die
verwachting uiteindelijk uitkomt. Met andere woorden:
H1: communicatie
1.1communicatiemodel
communicatie; Een persoon beïnvloedt een ander persoon d.m.v.
informatieoverdracht
encodering: de zender zet zijn
boodschap om in een bepaalde
vorm bv. in spreektaal,
gebarentaal, morse, sms-taal
decodering: de ontvanger ontcijfert
de boodschap weer en vertaalt
deze in een bepaalde betekenis
Ruis:
interne ruis: mentale afleiding of storende gevoelens of eigenschappen
aan de kant van de spreker waardoor deze zijn boodschap niet goed onder
woorden kan brengen bv. stottert, kent de taal niet, … of aan de kant van
de luisteraar bv. luistert niet, …
externe ruis: allerlei afleidende of storende zaken waardoor de boodschap
niet goed overkomt of verstaan wordt bv. achtergrondgeluiden, verbinding
die weg valt, …
Effectieve communicatie: de boodschap wordt begrepen zoals jij die bedoeld hebt
=> bedoeling = effect
Gebrekkige communicatie:
de zender weet niet altijd meteen welke informatie hij wil communiceren:
welke bedoelingen, ideeën, … bv. leerkracht Nederlands moet wiskunde
geven
encodering loopt niet goed
woordgebruik tussen zender en ontvanger kan verschillen bv. wat is een
goede docent?
andere jargon
teveel ruis
selectieve luisterprocessen: mensen horen enkel het deel dat ze willen
horen
Hierdoor zijn bedoeling en effect niet vaak
hetzelfde en ziet communicatie er zo uit:
Deze hoek kan veroorzaakt worden door objectieve
factoren (bv. woordgebruik, taalvaardigheid) maar
vaker worden ze veroorzaakt door subjectieve
factoren (bv. gebrek aan luistervaardigheid of
selectieve waarneming). Als de bedoelde en
onbedoelde communicatie elkaar steunen wordt de
vervormingshoek kleiner.
,Communicatie is niet enkel een informatieoverdracht (in 1 richting), maar ook
interactie komt hier bij kijken. Zender en ontvanger zijn beide actief betrokken bij
het communicatiegebeuren (ontvanger door bv. te luisteren, vragen te stellen,
…). Beide partijen beïnvloeden elkaar, maar laten zich tegelijk ook door elkaar
beïnvloeden (in 2 richtingen).
Onderzoek van Matarazzo: onderzocht de invloed van de lengte van de
spreektijd
In een interview van 45 min gaf de ene spreker eerste commentaar van 5 sec
toen van 10 en daarna weer van 5 => Een toename van 100% in de spreektijd
van de ene spreker zorgde voor een soortgelijke toename van spreektijd bij de
andere spreker. Daarna deed hij een 2de test waarbij hij eerst 10 toen 5 en toen
weer 10 sec spreektijd deed met dezelfde resultaten als bij de eerste. Bij een 3 de
test bleef de spreektijd gelijk en hier zag hij ook dat de spreektijd van de andere
spreker gelijk bleef.
Bij een tweede onderzoek stelde hij een soortgelijk verband -> Hoe langer een
interviewer wachtte met het stellen van zijn vragen, hoe langer de andere
gesprekspartner wachtte met zijn antwoorden.
Inhoud vs betrekking:
Inhoud: de informatie, wat er letterlijk wordt gezegd. Dit gebeurt meestal
verbaal
Betrekking: de onderlinge relatie (relatieboodschap bv. je zegt iets anders
tegen je baas en je vriendin), hoe iets wordt gezegd (bevelend, vriendelijk,
…), hoe de boodschap moet worden opgevat
- Complementaire betrekking: machtsverhouding bv. student en prof
- Symmetrische betrekking: geen machtsverhouding bv. 2 vrienden
conflicten omdat de ene verdurend de andere kan proberen
overtroeven = competitie of rivaliteit => oplossing: meta-
communicatie = communiceren over de manier waarop men met
mekaar gaat communiceren
Bv. Er staat nog een bord op tafel (= inhoud) => ik wil dat het bord wordt
opgeruimd (betrekking)
Het betrekkingsniveau: Mensen laten tijdens hun communicatie voortdurend
merken wat ze van de ander vinden en dus eigenlijk hoe ze willen dat de ander
met hen omgaat en hoe ze willen dat de ander hen ziet, dat meestal door non-
verbale signalen.
-Ze zeggen iets over zichzelf, de zelfomschrijving of het zelfbeeld (bv. ik
heb hulp nodig).
- Ze zeggen ook iets over de ander (bv. Jij kan het wel).
- En ze zeggen iets over de onderlinge relatie of het relatievoorstel (bv.
ik heb je hulp nodig)
De gesprekspartner kan dan kiezen om het betrekkingsniveau en het
ermee gepaarde relatievoorstel te aanvaarden, verwerpen of negeren
(d.m.v. diskwalificaties)
,Wanneer 2 gesprekspartners het niet met elkaar eens kunnen worden, maar dit
niet openlijk willen toegeven, kunnen ze hun toevlucht nemen tot een hele reeks
diskwalificaties (techniek om iets te zeggen zonder het echt te zeggen, van
mening kunnen verschillen zonder dit openlijk te laten merken of iets ontkennen
zonder duidelijk nee te zeggen):
Stilte, zwijgen
Ontwijken
Indirect reageren (bv. tegen een andere persoon zeggen ‘ik had het niet
tegen jou toen ik … zei)
Generaliseren
Zijdelings reageren: slechts reageren op een onbelangrijk detail
Ziektesymptomen bv. plots hoofdpijn krijgen
Zelfdiskwalificatie bv. door erg onsamenhangend te gaan praten
Zinnen niet afmaken
Voortdurend wisselen tussen tt en vt
Ontkenning (bv. ik ben niet b-b-bang hoor)
Verwarringen van de letterlijke en de symbolische betekenis van woorden
Interpunctie: wat is de volgorde van de communicatie => wie is gestart? Bv. gaat
de docent luider spreken omdat de student zo rumoerig zijn of gaan studenten
luider met elkaar spreken omdat de docent toch luid genoeg spreekt =>
verschillen in interpunctie: mensen gaan ervan uit dat hun beeld van de
werkelijkheid de juiste is
De vijf axioma’s van Watzlawick:
Axioma = iets dat als algemeen waarheid geaccepteerd wordt
1. Alle gedrag is communicatie, je kan niet niet-communiceren => men
schrijft een bedoeling toe die er niet is -> gedrag heeft altijd een effect ook
al heeft de zender niet altijd een duidelijke bedoeling
2. Elke communicatie heeft een inhouds- en een betrekkingsniveau => als je
merkt dat je steeds vaker discussies krijgt over ‘banale’ onderwerpen kijk
dan eens naar jullie relatievisie (complementair <-> symmetrisch)
Bv. inhoud: ‘Er ligt een papiertje op de grond.’ => betrekking: raap het
papiertje op
3. Het karakter van een betrekking is afhankelijk van de interpunctie van de
reeksen van communicaties tussen de communicerende personen => Het
is vaak onduidelijk waar de interactie is gestart = verschillende personen
hebben hier een andere visie over (wat ik als oorzaak beschouw, beschouw
jij als gevolg)
Bv. Hoe meer mijn moeder me verwijt dat ik zo weinig op bezoek kom ->
Hoe minder ik op bezoek ga -> Hoe meer mijn moeder mij verwijt dat ik zo
weinig op bezoek kom -> Hoe minder ik op bezoek ga (wat was er eerst
het weinig op bezoek gaan of het verwijten?)
4. Mensen communiceren zowel verbaal (woorden) als non-verbaal (gebaren,
intonaties, gezichtsuitdrukkingen, …), zowel digitaal (meestal verbaal bv.
als ik zeg dat ik me boos voel is het duidelijk wat ik daarmee bedoel
vergelijk dit met het digitale uur 17:34:02, dat is heel precies) als analoog
(meestal non-verbaal bv. als ik met een rood hoofd kom aangelopen kan
dat komen doordat ik boos ben maar kan ook iets anders zijn vergelijk dit
, met een analoge klok, het is ongeveer 5 voor 12 = niet precies duidelijk)
(dit is er ook altijd zie axioma 1 en is meestal ook sterker dan digitale
communicatie)
Interpersoonlijke ruimte/afstand = de afstand tussen jou en degene
waarmee je spreekt
5. Elke uitwisseling van communicatie is ofwel symmetrisch ofwel
complementair
1.2 filters in communicatie
De cultuur waarin je opgroeit verklaart voor een groot deel hoe je communiceert
met anderen. Echter is er binnen deze culturele begrenzing wel ruimte over voor
een enorme variatie in wat wij zeggen, tegen wie wij wat zeggen, de manier
waarop we iets zeggen, de lichaamstaal die in onze woorden vergezelt, het
tijdstip waarop iets wordt gezegd, de intonatie en de specifieke woordkeus die we
gebruiken. => Dit komt door ons verleden/ervaringen.
Ook zetten we bij communicatie bepaalde filters bij bepaalde mensen:
1. Mijn zelfbeeld: Elke zender en ontvanger beschikken ieder over een
bepaald concept of beeld van zichzelf en over bepaalde gevoelens van
eigenwaarde en zelfrespect. Hun communicatie wordt gedeeltelijk bepaald
door hun zelfconcept op een bepaald tijdstip en door de waarde die zij
zichzelf in bepaalde situaties geven. Bv. Als ik mezelf beschouw als expert
in iets ga ik daar ook met veel zelfvertrouwen over vertellen.
2. Het beeld van de andere(n): Zowel zender als ontvanger kennen bepaalde
waarde toe aan de anderen . Dat bepaald mee de stijl die we zullen
gebruiken tijdens het communiceren.
3. Mijn definitie van de situatie: Zender en ontvanger hebben beide een
bepaald beeld van de situatie waarin zij samen ergens mee bezig zijn.
Waarom zitten we hier (doel)? En wat dragen we bij aan deze
communicatie? => Soms is wordt de situatie door verschillende personen
anders gezien en dit kan zorgen voor communicatieproblemen daarom is
het belangrijk om een gemeenschappelijke definitie van de situatie te
hebben.
4. Mijn motieven, gevoelens, bedoelingen en attitudes: bv. wanneer ik
anderen wil beïnvloeden zal ik anders communiceren dan als ik meer
informatie over iets wil weten.
5. Mijn verwachtingen/zelfvervullende voorspellingen (psychologisch): bv. Als
jij denkt dat je slecht bent in wiskunde en je krijgt een slechte toets terug
dan bevestigt dat je gevoel en ga je ook denken dat je echt slecht bent
Self-fulfilling prohecies:
Een self-fulfilling prophecy is een psychologisch
fenomeen waarbij een verwachting of voorspelling
invloed heeft op het gedrag van mensen, waardoor die
verwachting uiteindelijk uitkomt. Met andere woorden: