= wat het lichaam doet met het geneesmiddel
= belangrijke info voor keuze farmaceutische vorm (siroop, pil, …), keuze dosering
en keuze toedieningswijze.
Hoe werkt het systeem?
1) Ziekte en behandeling
Een patiënt heeft een bepaalde ziekte, en de arts besluit om een
geneesmiddel (GM) voor te schrijven als behandeling. Dit noemen we
farmacotherapie.
2) Het geneesmiddel (farmacon)
Het voorgeschreven geneesmiddel bevat een werkzame stof, ook wel
farmacon genoemd. Dit is de stof die in het lichaam een effect heeft.
3) Toediening en farmacokinetiek
Zodra het geneesmiddel in het lichaam komt (bijvoorbeeld via een pil, injectie
of infuus), bepaalt de farmacokinetiek wat er met het geneesmiddel gebeurt.
Dit omvat vier fasen:
● Absorptie: Hoe het geneesmiddel in het bloed wordt opgenomen.
● Distributie: Hoe het geneesmiddel zich verspreidt in het lichaam.
● Metabolisme: Hoe het geneesmiddel wordt afgebroken, meestal door de
lever.
● Excretie: Hoe het geneesmiddel uit het lichaam wordt verwijderd,
bijvoorbeeld via de nieren (urine) of darmen (ontlasting).
De farmacokinetiek helpt de arts om de juiste dosis te bepalen, zodat het
geneesmiddel goed werkt zonder schadelijke bijwerkingen.
4) Werking van het geneesmiddel: farmacodynamiek
De farmacodynamiek beschrijft hoe het geneesmiddel zijn effect uitoefent
op het lichaam. Dit kan bijvoorbeeld door:
● Een receptor in het lichaam te activeren of blokkeren.
● Een enzym te remmen of juist te stimuleren.
● Een bepaald proces in het lichaam te veranderen (zoals bloeddruk verlagen
of ontstekingen remmen).
De weg van een werkzame stof
1
,Oraal (per os, via de mond)
● De stof gaat via het maag-darmkanaal naar het bloed.
● De lever is hieraan gekoppeld en zorgt voor de first-pass effect (een deel
van de stof wordt afgebroken voordat het de rest van het lichaam bereikt, en
gaat dus verloren).
● Daarna komt de stof in de bloedbaan en wordt vervoerd naar het doelorgaan,
waar het zijn werking uitoefent.
● Na de werking wordt de stof weer afgebroken:
○ Wateroplosbare stoffen verlaten het lichaam via de nieren en urine.
○ Vetoplosbare stoffen worden via de lever, gal en ontlasting
uitgescheiden.
Intramusculair (in de spier)
● De stof wordt direct opgenomen in het bloed via de spier.
● Geen first-pass effect, dus geen verlies in de lever.
Intraveneus (direct in de bloedbaan)
● De stof komt meteen in het bloed en werkt direct, zonder first-pass effect.
—-------------------------------------------------------------------------------------------------------------
● Plasma-concentratie tijdscurves en therapeutische breedte:
2
, Plasmaconcentratie = concentratie van uw werkzame molecule in het bloed, in
fucntie van de tijd.
Patient neem GM in, dan zie je dat de grafiek begint te stijgen, want het GM wordt
opgenomen in het bloed tot een bepaald maximum. Nu zit de volledige werkzame
stof in het bloed. Vanaf dat moment wordt het gemetaboliseerd, en gaat het
afgebroken worden tot het opnieuw volledig uit het bloed/plasma verdwenen is. (voor
elke molecule is dit anders)
Plasmaconcentratiecurve
3