ALGEMENE HEELKUNDE II
HET BEWEGINGSSTELSEL
1: BEEN
FUNCTIE VAN BEEN
Essentieel mechanische ondersteuning bij beweging. Niet elk been heeft een ondersteunende functie, ook een
beschermende functie ➔ schedel, wervelkolom (CZS), thorax (cardiopulmonair) en bekken (urogenitaal).
Veranderingen mogelijk, onderverdeling in traumatische, algemeen metabool en infectieus.
ONDERZOEKSMETHODEN
Kijken naar het dier in rust en beweging. Zien we in rust een zwelling, deformatie en symmetrie.
• Palpatie
o Hoe minder spieren rond het been, hoe makkelijker de palpatie
o Drukken en voelen, vaak ook combineren met beweging
▪ Pijn
▪ Temperatuur ➔ niet gemakkelijk, sterk afhankelijk van de beharing
▪ Beweeglijkheid
▪ Crepitatie
• Percussie
o Kloppen op het been en kijken welke reactie optreed
o Bij pijn in de hoef met de hamer tikken op de hoefrand ➔ fractuur, abces
• Auscultatie
o Beter detecteren van crepitatie ➔ wrijven van beenstukken op elkaar, als deze omgeven zijn
door spiermassa dan voel je het niet maar je kan het wel horen
o In combinatie met beweging
• Rectaal onderzoek
o Bv bij fractuur van bekken ➔ crepitatie gaan voelen
• Radiografie
o Altijd meerdere opnames nemen, minstens twee
o Goede opnames nemen, niet altijd even gemakkelijk in de praktijk
▪ BWB: opnames heup niet mogelijk, veel te veel spiermassa om door te geraken
o 30-60% mineralisatie verandering om op RX iets te zien
o Correlatie aan klinisch beeld, iets zien wil nog niet zeggen dat het iets betekend
• CT
o Wordt meer en meer gedaan
o Bij paarden kan het rechtopstaand gebeuren
o Gebeurt zeer snel, dus weinig artefacten
• Scintigrafie
o Minder nauwkeurig, radioactief materiaal inspuiten ➔ zal binden op delen van bot dat
metabool actief zijn
o Zo krijgen we hot spots
o Er zijn natuurlijke hot spots zoals groeiplaten, altijd symmetrisch vergelijken
o Meer gebruikt als screeningsmethode
, 2
• MRI
o Veel langer durend dan CT
o Probleem van het bewegingsartefact is zeer groot
o Kan je enkel doen van de ledematen rechtopstaand bij paarden
o Bij KHD altijd onder algemene anesthesie, minder goed zo lang stilstaan
o Meer gebruikt voor weke delen letsels te detecteren
• Echografie
o Kunnen niet doorheen been, je kan enkel oppervlak van het been onderzoeken
▪ Zoeken naar onderbrekingen ➔ fracturen
o Voor de gevallen waarbij RX moeilijk te nemen zoals femur factuur bij dikbilrunderen
• Thermografie
• Bloedonderzoek
o Infectieuze oorzaak
• Biopsie
o Vermoeden van tumor
FRACTUREN
Partiële / totale onderbreking continuïteit beenweefsel. Kracht die voor de fractuur zorgt + predisponerende
factoren nodig. Demineralisatie ➔ verzwakt het been.
• Algemeen
o Hoge leeftijd
▪ Minder voorkomend bij dieren dan bij de mens
o Dracht / lactatie
▪ Dieren in een hoge melkproductie
o Algemene inactiviteit
▪ Dieren die een hele stalperiode stil hebben gestaan en dan wild op de weide
o Algemene skeletaandoeningen
• Lokaal
o Onvoldoende belasting lidmaat
▪ Vb. lange gipsperiode fixatie met 2 platen
o Lokale pathologische processen
▪ Tumor, cyste, osteomyelitis,….
▪ Tumor = meest frequent
Altijd iets van een inwendige kracht: uitwendige slag, val, aanrijding. Altijd een vorm
van kracht ➔ bot buigt verder dan zijn limiet ➔ fractuur. Niet noodzakelijk dat de
fractuur optreedt op de plaats waar de krachten inwerken. Jong dier slag op zijn bil
➔ veel kracht via de achillespees op de calcaneus. Als daar een groeiplaat zit die
zwak is ➔ ergens anders een fractuur.
Twee zaken die bepalend zijn voor de kans op een fractuur: de hardheid en elasticiteit van het bot. Jonge dieren:
hogere elasticiteit ➔ meer buiging mogelijk waardoor de kans op een fractuur lager is. Oudere dieren: minder
elasticiteit + bot is zwakker ➔ hogere kans op een fractuur.
, 3
CLASSIFICATIE
LOKALISATIE
Fractuur radius en ulna van een
hond = midden.
Fractuur laterale humerus condyle
= links.
Tuberculum supraglenoidale is
afgebroken en naar beneden
gezakt ➔ bicepspees
aanhechting. Rechts.
Bovenste: femur is gebroken ➔ intra-articulair, femero-patellair.
Onderste: ulna is gebroken ➔ intra-articulair.
Groeiplaten zijn vaak betrokken in fracturen ➔ dit is zwakker want is kraakbeen. Zone waarbij hypertrofische KB
cellen gaan vermenigvuldigen en daarna gaan deze mineraliseren. Altijd op deze zone een fractuur, basis
germinale cellen blijven aan de epifysaire kant. Deze cellen moeten in contact blijven voor herstel fractuur. Plus
goede bloedvoorziening, meestal wel zo want meeste epifyse hebben een aparte voedende arterie.
Uitzondering: proximale femur, voedsingsarterie automatisch mee beschadigd. Belang snel behandelen, terug
aan elkaar zetten. Als het te lang duurt krijgen we geleidelijk aan avascualaire necrose van de femurkop.
CONFIGURATIE VAN DE FRACTUUR
Totale versus partiële (onvolledige)
fracturen. Rechts twee kleine fissuur
lijnen: is eigenlijk 1 schuine lijn maar
door opname lijken het er twee naast
elkaar. We moeten verschillende
opname nemen om de 5 graden om te
kijken hoe de lijn doorloopt.
Partieel fractuur = barst ➔ begint in het
bot maar dan stopt halverwege het bot
en niet uitloopt naar een cortex. Dit is
stabiel, instabiliteit kan niet als een deel
van het bot nog aan elkaar hangt.
, 4
Meerdere schuine opnames nemen of CT opname ➔ enkel als het dier kan blijven rechtstaan anders kans op
een evolueren tot een volledige fractuur. Soms wordt er ook nog gewacht, RX nog is na 10 dagen ➔ dan zien we
demineralisatie als onderdeel van het helingsproces waardoor de fissuurlijn beter zichtbaar wordt.
Subchondraal bottrauma typisch door
overbelasting ➔ microfissuren waarrond
resorptie ontstaat. Deze predisponeren
voor totale fracturen.
Micro trauma aan de voorzijde van het bot
of direct periostale reactie zichtbaar.
Nooit acuut altijd door chronische
overbelasting.
CONFIGURATIE: BESCHRIJVING VAN DE VORM
Lambda mag je vergeten.
Inwerkende compressie krachten: cortex komt onder spanning
te staan ➔ zijdelingse slag waardoor fractuurlijn gaat uitwijken
in een proximale en distale component. Butterfly fragment
typisch is de zijde van de compressie kracht = de concave zijde.
Tensiekracht = start van de fractuurlijn. Hoe groter de
compressie kracht = hoe groter de butterfly fragment. A
Geen steun gaan we een volledige dwarse fractuur zonder
typisch driehoekje dat zich afscheidt. B
Torsie ➔ spiraalvormig. C
Zuivere comprimerende kracht ➔ licht schuine fractuur. D
Tractie krachten vaak ook een dwarse fractuur. E
FRAGMENTATIE
Enkelvoudig, meervoudig of verbrijzeld.
Links = longitudinaal in het saggitaal vlak.
Midden = dwarse fractuur met lateraal een butterfly
fragment. Inwerkende compressie kracht kwam dus van
lateraal ➔ zijdelingse impact van mediaal.
Rechts = verbrijzelde fractuur.
Bepalend of een fractuur verbrijzeld is of niet is
afhankelijk van de mate van energie dat in het bot is
opgestapeld op het moment dat de krachten werken.
Typisch renpaarden die in volle galop een verkeerde beweging maakt krijgen we direct veel meer fragmenten
dan dat een paard in rust zou staan.
, 5
OPEN OF GESLOTEN
Verbinding tussen de fractuurhaard en huidwonde. Vaak fracturen en een kleine huidwonde, niet noodzakelijk
op dezelfde plaats. Als we ergens een verbinding hebt spreken we van open ➔ er is contaminatie mogelijk.
Rekening mee houden in de behandeling.
STABIEL OF VERPLAATS
Barsten zijn stabiel, totale fracturen zijn onstabiel. Verplaatsing vaak te maken met contractie van de spieren.
Bot structuren worden typisch naast getrokken. Soms gaan de botstructuren ook uit elkaar getrokken worden
➔ calcaneus, patella, ulna,….
SPECIFIEKE FRACTUREN
Schilferfractuur: meestal intra-articulair,
kleine fragmenten die aan de rand zijn
afgebroken. Er is geen onderbreking van de
steunname.
Slab fractuur = van het ene gewricht interlinie tot het andere.
Typisch voor thv korte beenderen. Longitudinale fractuur op twee
gewrichten intra-articulair.
Compressie fractuur: typisch indeuking thv
korte been, heel vaak thv wervel.
Indeukingsfractuur enkel thv platte
beenderen, typisch thv schedelbeenderen.
Stuk bot naar binnen geschoven.
Avulsiefractuur: los getrokken stuk bot ➔
door krachten die komen op de aanhechting
van een ligament op een bot.
Monteggia fractuur: combinatie van een
luxatie en daardoor krijg je ook een fractuur.
Specifiek thv elleboog, radius en ulna naar
dorsaal ➔ humerus doet de ulna afbreken.
Komt voor bij alle diersoorten.
, 6
Groenhout en subperiostale
fractuur ➔ periost zorgt voor
stabiliteit. Afhankelijk van de
leeftijd, bij jonge dieren kan het
zijn dat beide cortex zijn
onderbroken maar is vrij stabiel.
Subperiostale fractuur beide
cortex zijn onderbroken.
Groenhout fractuur: groene jonge
twijg gaat niet breken maar
splijten. Heb je bij lange beenderen
van jonge dieren. Barst in een
cortex maar de andere is nog intact.
Type I kan zowel stabiel als instabiel zijn
afhankelijk van mate beschadiging periost.
Type II afwijking fractuur naar de metafyse.
Type III afwijking fractuur naar de epifyse ➔
altijd intra-articulair.
Type IV doorkruisen groeiplaat van epifyse
naar metafyse, komt niet frequent voor.
Type V ➔ functie van de groeiplaat gaat verloren door samendrukken van germinale cellen die normaal voor
groei moet zorgen.
Als een fractuur doorheen de groeiplaat loopt is dit meestal thv zone de hypertrofische KB cellen ➔ als je dat
snel op elkaar zet dan kan het zijn dat de germinale cellen niet beschadigd zijn maar vaak is dat niet het geval.
Vaak gebeurt het dat een deel van de groeiplaat beschadigd geraakt ➔ problemen toekomstige groei van het
been.
CASSUSEN
Spiraalvormige fractuur links stopt ze
precies halverwege maar als je naar
de middelste opname kijkt zie je dat
de lijn nog verder loopt helemaal tot
boven. Het is een volledige maar niet
verplaatste enkelvoudige,
spiraliserende fractuur. Die zeker op 1
vlak intra-articulair is thv
kogelgewricht. Andere kant eerder
niet intra-articulair omdat het naar de
griffelbeentjes toe uitkomt.
Weten in welke richting spiraliserend
➔ twee schuine opnames nodig.
, 7
Korte schuine, enkelvoudige,
verplaatste fractuur van de
femur niet intra-articulair.
Meerdere bijtwonden ➔
vermoedelijk een open
fractuur en ook een heup
luxatie.
Kleine breuk thv wervel, zie rood.
Bekken is een vierkant. Als je dat
laat vallen dan breekt het altijd op
twee plaatsen, zie blauw.
Verbrijzeld kootbeen, langs beide zijde intra-articulair. Altijd
nagaan is er 1 stuk bot dat het ene gewricht overbrugt naar het
andere = intact strut. Belangrijk voor de prognose, dit stuk bot
gaat de pilaar vormen waarop we de andere stukken kunnen
vastzetten en zo een collaps vermijden. In dit geval niet zo.
Prognose is slechter, bij steunname gaat het kootbeen in elkaar
vallen. Er zijn niet al te veel scherpe stukken waardoor het vaker
gesloten is.
Geit twee maand oud dat gevallen is:
Salter Harris I of II (rechts zie je een klein
stukje metafyse nog eraan) ➔ proximaal
deel van de radius. Verplaatst naar
lateraal.
Breuk thv ulna ➔ groenhout fractuur.
, 8
RX doorheen een gips: kan je min of
meer beoordelen. Kan niet goed zien
of het een fractuur of fissuur is.
CT genomen op verschillende niveaus. Proximaal
loopt de fractuur dorsopalmair vlak, meer naar
distaal gaat de fractuur als maar schuiner lopen.
Op het einde schuin lopend tot in het
kroongewricht, met als laatste deel een
afgebroken laterale condyle van het kootbeen.
SYMPTOMEN
• Onstabiele fractuur
o Gekraak soms hoorbaar ➔ volledig verbrijzelde fractuur
o Plotse erge pijn/claudicatie
o Abnormale beweeglijkheid tussen twee gewrichten
o Verandering lengte lidmaat
▪ Meestal verkorting
▪ Niet duidelijk korte beenderen / periarticulair
o Beenfragmenten palpeerbaar
▪ Niet altijd nodig maar soms is het niet duidelijk zoals bij bv een diepe fractuur waarbij
je wil weten of het proximaal of distaal is
▪ Pijn gaat niet zoveel erger zijn
o Crepitatie
▪ Niet bij stabiele fracturen
▪ Niet bij weke delen interpositie / distractie
o Bij open fracturen soms fragmenten zichtbaar
o Diffuse zwelling ➔ hematoom