rechtssysteem?
Europees integratieproces verliep volgens 2 grote krachtlijnen:
• Verdieping
= verschillende initiatieven tot samenwerking in Europa leiden tot geleidelijke soevereiniteitsoverdracht naar
supranationale instellingen en organen
• Verbreding
= steeds meer landen willen deel uitmaken van dit proces
Die zijn heel erg nauw met elkaar verbonden. Wanneer steeds meer landen toetreden, moet interne institutionele
structuur ook aangepast worden.
H1: De verdieping van het Europees integratieproces
De eerste initiatieven tot intergouvernementele samenwerking in Europa
Grote initiatieven voor Europese samenwerking zijn te situeren vanaf het einde van WO II.
Europa had nood aan ondersteuning voor heropbouw en VS boden financiële en economische hulp aan via het
Marshallplan. Een belangrijke voorwaarde voor het ontvangen van deze hulp was dat de betrokken Europese landen
zich onderling moesten organiseren om hulp te coördineren.
Dit leidde in 1948 tot de oprichting van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEES). De OEES
had als doel de coördinatie tussen alle Europese landen die Marshallhulp ontvingen. In 1961 werd de organisatie
hervormd tot Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Daarbij werd de OEES
opgeheven en konden voortaan ook niet-Europese landen lid worden van de OESO.
Tegelijkertijd organiseerden de Benelux-landen zich onderling door het oprichten van een douane-unie, waarbij
interne handelstarieven werden afgeschaft en er gezamenlijke tarieven werden ingevoerd ten aanzien van derde
landen.
Een ander belangrijk initiatief was het Congres van Den Haag, waaruit in 1949 de oprichting van de Raad van Europa
voortvloeide. Deze organisatie is onafhankelijk van de EU en richt zich voornamelijk op mensenrechten, democratie
en rechtsstaat. Het is een eerder klassieke intergouvernementele organisatie. De EU daarentegen is een
supranationale organisatie die functioneert o.b.v. een eigen, autonoom rechtssysteem (zie Deel 2).
Intergouvernementeel Supranationaal
Instellingen opereren deels
Actoren Lidstaten zijn belangrijkste actoren
onafhankelijk van lidstaten
Op basis van consensus of
Besluitvorming Op basis van meerderheid
unanimiteit
Lidstaten zijn niet gebonden tegen Lidstaten kunnen gebonden worden
Gebondenheid aan besluiten
hun wil in ook als ze niet akkoord gaan
Internationaal recht (verdragen, Eigen rechtsbronnen van de
Bronnen van rechtsvorming
gewoonterecht) organisatie
Geen autonome rechtsorde, Autonome rechtsorde met eigen
Rechtsorde
aanvullend op nationaal recht rechtsnormen
, Rechtsgevolgen worden bepaald
Rechtsgevolgen in nationale Regels kunnen directe werking en
door grondwet van lidstaat
rechtsorden? voorrang hebben
(monisme vs. dualisme)
Raad van Europa, VN, NAVO, OESO,
Voorbeelden Europese Unie
Benelux
Oprichting van de Europese Gemeenschappen
De Verklaring van Schuman en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal
Op 9 mei 1950 legde de Franse minister van Buitenlandse Zaken, Robert Schuman, een verklaring af die bekendstaat
als de Schumanverklaring. Het voorstel dat hij presenteerde, had hij samen opgesteld met Jean Monnet, een hoge
Franse ambtenaar. Deze verklaring wordt beschouwd als het beginpunt van de Europese integratie en vormt de basis
voor wat later de EU zou worden. Schuman en Monnet worden daarom gezien als 2 van de “founding fathers” van
Europa.
Het plan stelde voor om de productie van kolen en staal — essentiële grondstoffen voor oorlogvoering — onder te
brengen bij een onafhankelijke, supranationale organisatie. Het doel was om oorlog tussen Europese landen
materieel onmogelijk te maken door samenwerking en gezamenlijke controle over deze industrieën.
In 1951 werd o.b.v. dit plan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS)
ondertekend in Parijs. De oprichtende landen waren Frankrijk, West-Duitsland, Italië en de Benelux-. Het verdrag
trad in werking in 1952 en de EGKS werd daarmee de eerste supranationale organisatie in Europa. De organisatie
had een specifiek doel: samenwerking op het gebied van kolen en staal.
De EGKS richtte de volgende instellingen op:
• De Hoge Autoriteit, bestaande uit onafhankelijke experten, die fungeerde als voorloper van de EC
• De Raad van Ministers, met vertegenwoordigers van de lidstaten
• De Gemeenschappelijke Vergadering, met vertegenwoordigers van nationale parlementen, die later zou
uitgroeien tot het EP
• Het Hof van Justitie, dat toezag op de naleving van het recht bij de uitleg en toepassing van het verdrag
De EGKS werd op 23 juli 2002 officieel opgeheven.
De Europese Defensiegemeenschap en de Europese Politieke Gemeenschap
N.a.v. Koude Oorlog wilde de VS dat West-Duitsland zich kon verdedigen tegen de Sovjet-Unie, maar het idee van
een sterk, zelfstandig Duits leger lag gevoelig, zeker bij landen zoals Frankrijk. Daarom stelde de Franse minister van
Defensie, René Pleven, in 1950 een alternatief voor.
Hij wilde dat Europese landen samen een leger zouden vormen, onder een supranationale organisatie. Dit plan kreeg
de naam Europese Defensiegemeenschap (EDG). Zo zou Duitsland wél meedoen aan de verdediging van Europa,
maar zonder een eigen leger op te bouwen.
Aan dat leger zou ook een Europese Politieke Gemeenschap (EPG) verbonden worden. Die zou ervoor zorgen dat de
deelnemende landen samen konden beslissen wanneer en hoe het Europese leger ingezet zou worden.
In 1952 werd een verdrag voor de EDG en EPG ondertekend, maar het is nooit in werking getreden. Elk land moest
het verdrag eerst goedkeuren volgens zijn eigen regels. In Frankrijk ging het parlement uiteindelijk niet akkoord en
daardoor kwam het plan niet van de grond.
Tijdens de Conferentie van Messina kwamen de vertegenwoordigers van de 6 lidstaten van de EGKS bijeen. Ze
bespraken hoe de samenwerking kon worden uitgebreid naar andere domeinen.
,Monnet vond dat het model van de EGKS — dus samenwerking binnen één sector onder een supranationale
autoriteit — ook op andere gebieden toegepast moest worden. Hij pleitte voor zogenaamde sectorale integratie,
bijvoorbeeld via een Europese Transportgemeenschap. Aan de andere kant stond het idee van de Nederlandse
minister Beyen. Hij stelde voor om niet telkens per sector aparte verdragen te sluiten, maar te gaan voor een
algemene economische integratie. Zijn plan was gericht op het opzetten van één grote gemeenschappelijke markt,
waarin goederen, diensten, kapitaal en personen vrij konden bewegen. Deze 2 verschillende visies — sectorale
integratie van Monnet en algemene marktintegratie van Beyen — hebben uiteindelijk geleid tot 2 belangrijke
Europese verdragen.
Men richt daarom een Comité op die een verslag over oprichting van gemeenschappelijke Europese markt moest
voorbereiden. Dit Comité stond o.l.v. de Belg Paul-Henri Spaak. Het resultaat, het Spaakrapport, leidde tot de
Verdragen van Rome (1957), opgedeeld in
• Het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG)
• Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom-verdrag)
De Europese Gemeenschap voor Atoomenergie
Het Euratom-verdrag, werd afgesloten voor de sector van de kernenergie. Dit verdrag trad in 1958 in werking en is
voor onbepaalde tijd gesloten. Het is sindsdien nooit fundamenteel gewijzigd. Alle lidstaten van de EU zijn ook
automatisch lid van Euratom.
De Europese Economische Gemeenschap
Het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) trad in 1958 in werking. Het
belangrijkste doel van dit verdrag was de totstandkoming van een gemeenschappelijke markt.
Normaal gesproken kan elk land zelf beslissen over handelstarieven, maar binnen de EEG bestonden er afspraken die
landen toelieten om samen te werken en specifieke handelsovereenkomsten te sluiten. Er zijn verschillende vormen
van samenwerking op handelsgebied:
• Vrijhandelszone
= landen sluiten een overeenkomst waarin
ze afspreken om geen handelstarieven te
heffen op producten die onderling worden
verhandeld
• Douane-unie
= een vrijhandelszone mét afspraken over
gemeenschappelijke tarieven voor
producten die uit landen buiten de unie
komen
• Gemeenschappelijke (interne) markt
= een douane-unie met vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal. Ook gelden er meer
gemeenschappelijke regels in verschillende sectoren, zoals bijvoorbeeld minimumlonen.
Het EEG-verdrag bevatte dan ook bepalingen over de 4 economische vrijheden:
• Vrij verkeer van goederen
• Vrij verkeer van diensten
• Vrij verkeer van personen
• Vrij verkeer van kapitaal
, Daarnaast stelde het verdrag mededingingsregels vast, die de vrije concurrentie moesten waarborgen. Ook voorzag
het gezamenlijke beleidsmaatregelen op verschillende terreinen, zoals handel, landbouw en transport.
Aangezien een gemeenschappelijke markt niet van de ene op de andere dag kon worden gerealiseerd, werd een
overgangsperiode van 12 maanden voorzien, met als doel deze uiterlijk in 1970 te voltooien.
Van Europese Gemeenschappen naar Europese Unie
De politieke van de lege stoel en het compromis van Luxemburg
Er ontstond een crisis in het Europese integratieproces, bekend als de ‘lege-stoelcrisis’. Frankrijk besloot niet langer
deel te nemen aan de vergaderingen van de Raad als protest tegen het voorstel om het gemeenschappelijk
landbouwbeleid via meerderheid van stemmen goed te keuren (i.p.v. met unanimiteit). Frankrijk verzette zich
hiertegen, omdat het de landbouwsector als van fundamenteel nationaal belang beschouwde.
De crisis leidde tot het compromis van Luxemburg. Volgens dit compromis wordt, wanneer een lidstaat in de Raad
aangeeft dat een kwestie voor haar van fundamenteel nationaal belang is, niet onmiddellijk een beslissing genomen.
In plaats daarvan wordt er verder onderhandeld totdat een oplossing wordt gevonden die voor alle lidstaten
aanvaardbaar is — m.a.w.: er wordt gezocht naar unanimiteit. Hoewel besluiten formeel nog steeds bij meerderheid
kunnen worden genomen, werd met dit compromis een belangrijke nuance toegevoegd. Het compromis van
Luxemburg is geen officieel verdragsartikel, maar een zogenaamd gentlemen’s agreement.
De Europese Akte: van Gemeenschappelijke Markt naar Interne Markt
De jaren ’70 werden ook gekenmerkt door de oliecrisis, waarbij de lidstaten voornamelijk focusten op de
bescherming van hun eigen economieën en markten (protectionisme). Deze terugval in Europese samenwerking
wordt vaak aangeduid als de periode van ‘eurosclerose’ of ‘europessimisme’. Deze fase van stagnatie duurde tot
halverwege de jaren ’80. In 1985 werd Jacques Delors voorzitter van de EC. Onder zijn leiding stelde de EC het
Witboek op, waarin een inventaris werd gemaakt van alle bestaande belemmeringen voor de voltooiing van de
interne markt. Het doel was om deze obstakels weg te werken tegen eind 1992 (en dus een interne markt te
creëren). In dit kader werd het EEG-Verdrag voor het eerst aangepast in 1886, aangezien de bestaande verdragen
onvoldoende mogelijkheden boden om dit doel te realiseren. De belangrijkste vernieuwingen waren:
• De invoering van het begrip ‘interne markt’
• Het invoeren van besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid voor harmonisatierichtlijnen
• Uitbreiding van de bevoegdheden van de EEG (o.a. onderzoek en milieu)
• Institutionele hervormingen binnen de Europese instellingen
o ER krijgt officieel karakter
o Bevoegdheidsuitbreiding EP
o Oprichting Gerecht (van eerste aanleg)
Dit werd de Europese Eenheidsakte genoemd. Alle wijzigingen van de 3 Gemeenschapsverdragen werden nl.
gebundeld in een tekst.
Samenwerking buiten het kader van de Europese Gemeenschappen
Naast samenwerking op economisch vlak werd er steeds meer samengewerkt op andere domeinen. Deze initiatieven
vonden plaats buiten het kader van het EEG-Verdrag.
1. Buitenlands- en veiligheidsbeleid
Er waren al vroeg pogingen om een gezamenlijk buitenlands en defensiebeleid op te zetten. Het voorstel voor een
Europese Politieke en Defensie Gemeenschap was mislukt, omdat het Franse parlement weigerde te ratificeren. Als
gevolg hiervan bleef het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB) grotendeels buiten het
formele Europese integratieproces. Tot op heden is dit beleid sterk intergouvernementeel van aard.