Proefexamen Spierfunctie - Les 2, 3, 4
1. Welk principe is cruciaal voor spieradaptatie tijdens krachttraining?
A. Homeostase
B. Reversibiliteit
C. Progressieve overload
D. Repetitieve belasting
2. Welke trainingsvorm is het meest geschikt om spierkracht te verhogen bij getrainde personen?
A. 40% van 1RM
B. 60% van 1RM
C. 80% van 1RM
D. 100% van 1RM
3. Wat is géén effect van delayed-onset muscle soreness (DOMS)?
A. Toegenomen spierkracht
B. Pijn 24-48u na inspanning
C. Inflammatie in spierweefsel
D. Verminderde spierfunctie
4. Wat is het doel van hold-relax-agonist-contraction (HRAC)?
A. Spiertonus verhogen
B. Autogene inhibitie
C. Reciproke inhibitie
D. Toename van spiermassa
5. Welke test meet het spieruithoudingsvermogen het best?
A. 1RM test
B. Isokinetische piekkracht
C. Tijd tot uitputting bij 30% MVC
D. PImax bij rust
6. Wat is een typisch kenmerk van ballistisch rekken?
A. Passief en langdurig
B. Dynamisch met verende beweging
C. Spiercontractie gevolgd door rek
D. Enkel toegepast bij ouderen
7. Welk van onderstaande beïnvloedt de krachtproductie het minst?
A. Spierlengte
B. Contractiesnelheid
C. Glycogeenvoorraad
, D. Spiervezeltype
8. Welke component hoort niet thuis in het FITT-VP principe?
A. Frequentie
B. Intensiteit
C. Testresultaat
D. Progressie
9. Wat is het effect van weerstandstraining op VO2max bij gezonde individuen?
A. Sterke toename
B. Matige toename
C. Geen significante verandering
D. Daling met >10%
10. Welke combinatie van belasting en snelheid is kenmerkend voor powervorming?
A. Lage belasting - lage snelheid
B. Hoge belasting - lage snelheid
C. Lage belasting - hoge snelheid
D. Matige belasting - matige snelheid
11. Wat is een belangrijk voordeel van gesuperviseerde krachttraining?
A. Minder spierhypertrofie
B. Langzamere trainingsprogressie
C. Hogere motivatie en feedback
D. Hogere kans op overtraining
12. Welke stretchtechniek maakt gebruik van autogene inhibitie?
A. Passieve stretching
B. Ballistische stretching
C. Hold-relax
D. HRAC
13. Welke aanpassing treedt het eerst op bij beginnende krachttraining?
A. Toename in mitochondriën
B. Spierhypertrofie
C. Verhoging spiervezeldiameter
D. Neurale adaptatie
14. Welke spiergroep is vaak verkort en heeft baat bij stretching in revalidatie?
A. M. deltoideus
B. M. psoas
C. M. latissimus dorsi
D. M. gluteus medius
1. Welk principe is cruciaal voor spieradaptatie tijdens krachttraining?
A. Homeostase
B. Reversibiliteit
C. Progressieve overload
D. Repetitieve belasting
2. Welke trainingsvorm is het meest geschikt om spierkracht te verhogen bij getrainde personen?
A. 40% van 1RM
B. 60% van 1RM
C. 80% van 1RM
D. 100% van 1RM
3. Wat is géén effect van delayed-onset muscle soreness (DOMS)?
A. Toegenomen spierkracht
B. Pijn 24-48u na inspanning
C. Inflammatie in spierweefsel
D. Verminderde spierfunctie
4. Wat is het doel van hold-relax-agonist-contraction (HRAC)?
A. Spiertonus verhogen
B. Autogene inhibitie
C. Reciproke inhibitie
D. Toename van spiermassa
5. Welke test meet het spieruithoudingsvermogen het best?
A. 1RM test
B. Isokinetische piekkracht
C. Tijd tot uitputting bij 30% MVC
D. PImax bij rust
6. Wat is een typisch kenmerk van ballistisch rekken?
A. Passief en langdurig
B. Dynamisch met verende beweging
C. Spiercontractie gevolgd door rek
D. Enkel toegepast bij ouderen
7. Welk van onderstaande beïnvloedt de krachtproductie het minst?
A. Spierlengte
B. Contractiesnelheid
C. Glycogeenvoorraad
, D. Spiervezeltype
8. Welke component hoort niet thuis in het FITT-VP principe?
A. Frequentie
B. Intensiteit
C. Testresultaat
D. Progressie
9. Wat is het effect van weerstandstraining op VO2max bij gezonde individuen?
A. Sterke toename
B. Matige toename
C. Geen significante verandering
D. Daling met >10%
10. Welke combinatie van belasting en snelheid is kenmerkend voor powervorming?
A. Lage belasting - lage snelheid
B. Hoge belasting - lage snelheid
C. Lage belasting - hoge snelheid
D. Matige belasting - matige snelheid
11. Wat is een belangrijk voordeel van gesuperviseerde krachttraining?
A. Minder spierhypertrofie
B. Langzamere trainingsprogressie
C. Hogere motivatie en feedback
D. Hogere kans op overtraining
12. Welke stretchtechniek maakt gebruik van autogene inhibitie?
A. Passieve stretching
B. Ballistische stretching
C. Hold-relax
D. HRAC
13. Welke aanpassing treedt het eerst op bij beginnende krachttraining?
A. Toename in mitochondriën
B. Spierhypertrofie
C. Verhoging spiervezeldiameter
D. Neurale adaptatie
14. Welke spiergroep is vaak verkort en heeft baat bij stretching in revalidatie?
A. M. deltoideus
B. M. psoas
C. M. latissimus dorsi
D. M. gluteus medius