Kwantitatieve onderzoeksmethoden (KOM)
De Onderzoekscyclus
• Wetenschapsfilosofie
Wat is wetenschap?
Freud Einstein
“Ervaringen in de kindertijd hebben een “Op 29 mei 1919 zal er een totale zonne-eclips
belangrijke invloed op wie we worden als zijn die het toelaat om te observeren dat licht
volwassenen.” buigt onder invloed van de zwaartekracht.”
Intimiteitsproblemen op dit moment? Bij een eclips zie je sterren die onzichtbaar
zouden moeten zijn omdat ze achter de zon
Vb. Te weinig geknuffeld geweest als kind staan, DUS: zwaartekracht buigt licht
Of = Voorwaarts voorspellingen maken
Vb. Te veel geknuffeld geweest als kind
= Achterwaarts bewijzen zoeken
"veilig" - je kan altijd nieuwe verklaringen "riskant" - als je voorspelling niet klopt ligt je
verzinnen (PSEUDO-WETENSCHAP) theorie in de duigen (WETENSCHAP)
Dit onderscheid werkt opgemerkt door Popper.
De Wetenschappelijke methode
1) Traditioneel (logisch)positivisme
“Wetenschappelijk” naar de wereld kijken is observeren zonder vooroordelen
“Inductief” redeneren = een proces waarbij algemene conclusies worden getrokken op basis van
specifieke observaties.
“Deductief” hypothesen afleiden = men gaat vanuit algemene theorieën of wetten specifieke
hypotheses formuleren, die vervolgens empirisch getest kunnen worden.
, 2) Kritiek van Popper (Kritisch Rationalisme)
Observeren kan niet zonder vooronderstellingen:
− Interesse van de wetenschapper bepaalt (mee) waar die naar kijkt
− Je vertrekt altijd van eerdere kennis + de omgeving waarin je werkt
Waarnemingen kunnen nooit tot een universele wet leiden, inductie is een mythe:
“Heel je leven enkel witte zwanen observeren is geen bewijs dat alle zwanen wit zijn”
Theorie moet “bekritiseerbaar” zijn vanuit de feiten en “falsifieerbaar” zijn (niet proberen
bewijzen maar proberen ontkrachten).
• Wetenschapsmodellen en de sociale wetenschappen
3 grondleggers – 3 modellen
1) Emile Durkheim (1858-1917) – Naturalisme / (post) positivisme
Sociale wetenschappen naar analogie met natuurlijke wetenschappen
Sociale feiten ~ natuurlijke feiten:
− Extern aan het individu
− Wetmatig en dwingend
− Objectief
Observeren en meten (kwanitatief) = “WAT”
→ Rechtstreeks of zoeken naar betrouwbare indicatoren
2) Max Weber (1864-1920) – Verstehende / hermeneutische sociologie
Anti-naturalisme:
− Mensen gedragen zich niet als gehoorzame uitvoerders van een voorspelbaar
programma
− Vereist andere onderzoeksmethoden
Betekenis zoeken: beweegredenen en intenties die actoren aan hun handelen geven
Antwoord op “waarom”-vragen; kwalitatief
De Onderzoekscyclus
• Wetenschapsfilosofie
Wat is wetenschap?
Freud Einstein
“Ervaringen in de kindertijd hebben een “Op 29 mei 1919 zal er een totale zonne-eclips
belangrijke invloed op wie we worden als zijn die het toelaat om te observeren dat licht
volwassenen.” buigt onder invloed van de zwaartekracht.”
Intimiteitsproblemen op dit moment? Bij een eclips zie je sterren die onzichtbaar
zouden moeten zijn omdat ze achter de zon
Vb. Te weinig geknuffeld geweest als kind staan, DUS: zwaartekracht buigt licht
Of = Voorwaarts voorspellingen maken
Vb. Te veel geknuffeld geweest als kind
= Achterwaarts bewijzen zoeken
"veilig" - je kan altijd nieuwe verklaringen "riskant" - als je voorspelling niet klopt ligt je
verzinnen (PSEUDO-WETENSCHAP) theorie in de duigen (WETENSCHAP)
Dit onderscheid werkt opgemerkt door Popper.
De Wetenschappelijke methode
1) Traditioneel (logisch)positivisme
“Wetenschappelijk” naar de wereld kijken is observeren zonder vooroordelen
“Inductief” redeneren = een proces waarbij algemene conclusies worden getrokken op basis van
specifieke observaties.
“Deductief” hypothesen afleiden = men gaat vanuit algemene theorieën of wetten specifieke
hypotheses formuleren, die vervolgens empirisch getest kunnen worden.
, 2) Kritiek van Popper (Kritisch Rationalisme)
Observeren kan niet zonder vooronderstellingen:
− Interesse van de wetenschapper bepaalt (mee) waar die naar kijkt
− Je vertrekt altijd van eerdere kennis + de omgeving waarin je werkt
Waarnemingen kunnen nooit tot een universele wet leiden, inductie is een mythe:
“Heel je leven enkel witte zwanen observeren is geen bewijs dat alle zwanen wit zijn”
Theorie moet “bekritiseerbaar” zijn vanuit de feiten en “falsifieerbaar” zijn (niet proberen
bewijzen maar proberen ontkrachten).
• Wetenschapsmodellen en de sociale wetenschappen
3 grondleggers – 3 modellen
1) Emile Durkheim (1858-1917) – Naturalisme / (post) positivisme
Sociale wetenschappen naar analogie met natuurlijke wetenschappen
Sociale feiten ~ natuurlijke feiten:
− Extern aan het individu
− Wetmatig en dwingend
− Objectief
Observeren en meten (kwanitatief) = “WAT”
→ Rechtstreeks of zoeken naar betrouwbare indicatoren
2) Max Weber (1864-1920) – Verstehende / hermeneutische sociologie
Anti-naturalisme:
− Mensen gedragen zich niet als gehoorzame uitvoerders van een voorspelbaar
programma
− Vereist andere onderzoeksmethoden
Betekenis zoeken: beweegredenen en intenties die actoren aan hun handelen geven
Antwoord op “waarom”-vragen; kwalitatief