Circulatie
HSK 1 – bewaking van de centrale circulatie
1. Perifere vs centrale circulatie
Perifere circulatie Centrale circulatie
- Veneuze systeem - Hart en arteriële bloedvatenstelsel
- Capillaire refill - Klein circulerend volume (15%)
- Groot circulerend volume (85%) - Hoge drug en snelle flow
- Lage drug en trage flow
2. Observatie van de centrale circulatie
2.1. Het bewustzijn
Veranderd bewustzijn = teken van ernstig onderliggend lijden → CC kan in gedrang komen
Meetinstrumenten:
De Glasgo Coma Scale (GCS) AVPU
- EMV score (ogen open – motorische - Om een snelle inschatting te maken
reactie – verbale reactie) - Bij zuigelingen en jonge kinderen
- Max 15 – min 3 - Alert – vocal – pain - unresponsive
- Vanaf 8 en minder: ernstig hersenletsel of
comateuze toestand
2.2. De pols
Manueel of continu via elektroden.
Aspecten enkel bij manuele meting: frequentie, regelmaat en kracht.
Normaalwaarden:
- Volwassene: 50-100 slagen/minuut
- Baby: 150 slagen/minuut
2.3. De diurese
Als de diurese snel achteruitgaat = teken dat CC snel achteruit gaat (<75 ml/4 uur)
hypotensie geeft hypoperfusie van de nefronen en dus oligurie.
Minimumnorm voor volwassenen = 0,5 ml/kgLG/uur.
2.4. Hartritmebewaking en ECG
De efficiëntie werking v/d hartspier is afhankelijk van:
- Prikkelvorming in de sinusknoop
- Snelheid
- Regelmaat
Observatie adhv het ECG
Afwijkingen zijn ritmestoornissen en hebben vaak tot gevolg dat de hemodynamische kwaliteit
afneemt.
Wet van Frank Starling = output van het hart is evenredig met einddiastolisch volume. Belang van
veneuze retour: goede vulling atria, atriale contractie, bepaalt vulling ventrikels, hoe beter hoe
krachtiger contractie ventrikel.
,2.5. De arteriële bloeddruk
= om het bloed in het lichaam te doen circuleren, moet er een zekere druk bestaan aan het
beginpunt van de stroom (linker hart en aorta) → zegt iets over de mechanische activiteit van het
hart.
Dit kan je meten op de klassieke, non-invasieve manier of invasief en continu met een arterielijn.
1) Invasieve meting van drukken
= men maakt een verbinding tss het meetinstrument en een bloedvat van de ZO waarlangs de
drukken continu worden geregistreerd.
Onderdelen om een systeem:
- Katheter = in a. radialis of a. femoralis → thv de plaats waar men druk wil registreren
- Drukbestendige leiding = maakt verbinding naar het meetinstrument zonder invloed op de
gemeten drukken.
- Druktransducer = zet de gemeten druk om in een elektrische waarde
- Bewakingsmonitor = geeft de gemeten waarde weer op een monitor in de vorm van curves
en digitale waarden. Kan zo nodig alarm geven.
- Het doorspoelsysteem (= flush-systeem) = adhv een drukzak, zorgt voor de doorgankelijkheid
van de katheter (continu).
Wet van Pascal = de druk op een vloeistof plant zich in alle richtingen en naar alle zijden
evenredig voort (invasieve drukmeting is hierop gebaseerd). Transducer moet niet in het hart
geplaatst worden. Voorwaarden:
- Transducer op dezelfde hoogte als het hart
- Drukbestendige leidingen
- Gesloten verbinding bloedvat – transducer
Voordelen arterielijn Nadelen
- Correcte meting - Infectiegevaar
- Continue meting - Stollings- en bloedingsrisico
- Monitoring met grenswaarden + alarm - Dure apparatuur
- Drukcurven zichtbaar - Vaak storing en vals alarm
- Arbeidsintensief voor vpk
- Hinderende kabels, katheters…
2) Arteriële drukcurve
Bij elke hartslag ontstaat er een gelijkaardige curve die ongeveer een kopie is van de voorgaande.
A Snelle stijging van systemische druk door contractie linker
ventrikel = systole
B Maximale druk in aorta door systole = systolische bloeddruk
(nrm: 100-140 mmHg)
C Eindsystolische fase van ventrikel
D Dicrotic nodge = aortaklep sluit
E Diastolische fase
F Einddiastole = diastolische bloeddruk
MAP = mean arterial pressure = de gemiddelde arteriële druk → normaal: 70-100 mmHg.
<70 mmHg = risico op orgaanfalen.
= [systolische druk + (diastolische druk x 2)] : 3
,2.6. De centraal veneuze druk (CVD)
= de druk gemeten in het ventraal veneuze systeem = druk in rechter atrium = druk in vena cava -
superior of -inferior (geen kleppen).
Zegt iets over de veneuze retour, de vaattonus en de pompfunctie van het hart.
Meetmethodes:
- Intermittent adhv een waterkolom → wet van de communiceerde vaten
o Katheter in vena jugularis of vena subclavia of vena brachialis
o Centraal veneuze drukleiding: verbinding met waterkolom via driewegkraan
o Waterkolom: manometer → nulpunt = hoogte hart = flebostatisch punt
o Steriele zoutoplossing
- Continu adhv een druktransducer in verbinding met rechter atrium
Flebostatisch punt = referentie punt
- Hetzelfde nulpunt = rechter atrium → waterpas nodig
- 4e intercostale ruimte
- Lateraal snijpunt met bovenste 1/3 en onderste 2/3
Normaalwaarden:
- 4-11 cmH2O, 3-8 mmHg en 1 mmHg = 1,36 cmH2O
Aandachtspunten manuele meting:
- Bij elke positieverandering moet de opstelling mee aangepast worden
- Verstorende factoren voor correcte meting: perfusiepomp/spuitpomp via dezelfde centrale
katheter en/of ptn hoest / ademt diep in / houdt adem in
- Luchtbellen voorkomen in de CVD lijn
- Vloeistoppeil in waterkolom gaat lichtjes op en neer op ritme AH
- Filter boven aan manometer mag niet nat komen
- Bji niet meten van CVD de doorgang naar waterkolom afsluiten
- Verstopping voorkomen → doorgankelijkheid controleren
- Insteekpunt + verband controleren
Te hoge CVD:
- Overvulde ptn = te veel of te snel getransfundeerd of geperfundeerd / hartfalen
- Toegenomen intrathoracale druk: fysiologisch bij een spanningspneumothorax / positieve
drukbeademing
- Foute meting door foute opstelling van de drukset
- Watermanometer met natte filter
- Klonter in katheter
Te lage CVD:
- Ondervulde ptn, foute meting door foute opstelling van de drukset en ptn met een slechte
veneuze retour
A-top Atriumcontractie
X-dal Atrium tijdens diastole
C-top Sluiten tricuspidalisklep
X-dal Systole RV, tricuspidalisklep buigt naar beneden
V-top Vulling atrium vanuit vena cava
Y-dal Openen tricuspidalisklep
, 2.7. Drukmetingen IN het hart via de Swan Ganz katheter
De CVD geeft niet altijd voldoende info, de Swan Ganz katheter:
- Tip van katheter in atria pulmonalis
- Meten linker ventrikelfunctie
- Volume van het circulerend bloed
- Drukken op verschillende plaatsen meten in het hart
Het heeft verschillende kanaaltjes:
- Lumen om ballon op te blazen op einde van katheter
- Distaal lumen tot uiteinde van katheter
- Proximaal lumen op 30 cm van uiteinde van katheter → zit in rechter atrium → CVD
- Thermistor op 4 cm van uiteinde van katheter om T° van bloed te meten en de cardiac output
te meten.
Plaatsing:
- Door arts in vena subclavia / vena jugularis
- Katheter wordt opgeschoven tot in rechter atrium
- Ballon wordt opgeblazen
- Ballon gaat met stroom tot het vast zit in a. pulmonalis
- Ballon wordt terug gelost
Curve tijdens plaatsing:
- CVD = kathetertip in rechter voorkamer
- RV = kathetertip in rechter ventrikel
- PAP = tip in art. pulmonalis (ballon niet opgeblazen)
o = druk in a. pulmonalis naar de long oe
o Gemeten via distaal lumen
o Normaalwaarde: 5-30 mmHg
- PCWP = tip inart. Pulmo:nalis met opgeblazen ballon = wedge
o = wiggedruk = druk in longvenen = druk in linker atrium
o = vullingsdruk van linker ventrikel
o Normaalwaarde: 5-15 mmHg
Cardiac output (CO) = het vermogen van de hartspier om het aangevoerde bloed door te pompen
naar de circulatie (SV x HF). Sterk variabel, normaal 4- 6 liter/minuut.
Cardiac index (CI) = gecorrigeerd op lichaamsoppervlakte (CO : lichaamsoppervlakte). Normaal
min 2 liter/minuut/m².
Voorwaarden goede cardiac output:
- Preload = aanvoer van bloed naar hart
- Afterload = weerstand in pulmonale circulatie en systeemcirculatie
- Inotropie = contractiekracht van hartspier
- Hartfrequentie
- Gecoördineerde patroon van contractie
- Efficiënte werking van de hartkleppen
HSK 1 – bewaking van de centrale circulatie
1. Perifere vs centrale circulatie
Perifere circulatie Centrale circulatie
- Veneuze systeem - Hart en arteriële bloedvatenstelsel
- Capillaire refill - Klein circulerend volume (15%)
- Groot circulerend volume (85%) - Hoge drug en snelle flow
- Lage drug en trage flow
2. Observatie van de centrale circulatie
2.1. Het bewustzijn
Veranderd bewustzijn = teken van ernstig onderliggend lijden → CC kan in gedrang komen
Meetinstrumenten:
De Glasgo Coma Scale (GCS) AVPU
- EMV score (ogen open – motorische - Om een snelle inschatting te maken
reactie – verbale reactie) - Bij zuigelingen en jonge kinderen
- Max 15 – min 3 - Alert – vocal – pain - unresponsive
- Vanaf 8 en minder: ernstig hersenletsel of
comateuze toestand
2.2. De pols
Manueel of continu via elektroden.
Aspecten enkel bij manuele meting: frequentie, regelmaat en kracht.
Normaalwaarden:
- Volwassene: 50-100 slagen/minuut
- Baby: 150 slagen/minuut
2.3. De diurese
Als de diurese snel achteruitgaat = teken dat CC snel achteruit gaat (<75 ml/4 uur)
hypotensie geeft hypoperfusie van de nefronen en dus oligurie.
Minimumnorm voor volwassenen = 0,5 ml/kgLG/uur.
2.4. Hartritmebewaking en ECG
De efficiëntie werking v/d hartspier is afhankelijk van:
- Prikkelvorming in de sinusknoop
- Snelheid
- Regelmaat
Observatie adhv het ECG
Afwijkingen zijn ritmestoornissen en hebben vaak tot gevolg dat de hemodynamische kwaliteit
afneemt.
Wet van Frank Starling = output van het hart is evenredig met einddiastolisch volume. Belang van
veneuze retour: goede vulling atria, atriale contractie, bepaalt vulling ventrikels, hoe beter hoe
krachtiger contractie ventrikel.
,2.5. De arteriële bloeddruk
= om het bloed in het lichaam te doen circuleren, moet er een zekere druk bestaan aan het
beginpunt van de stroom (linker hart en aorta) → zegt iets over de mechanische activiteit van het
hart.
Dit kan je meten op de klassieke, non-invasieve manier of invasief en continu met een arterielijn.
1) Invasieve meting van drukken
= men maakt een verbinding tss het meetinstrument en een bloedvat van de ZO waarlangs de
drukken continu worden geregistreerd.
Onderdelen om een systeem:
- Katheter = in a. radialis of a. femoralis → thv de plaats waar men druk wil registreren
- Drukbestendige leiding = maakt verbinding naar het meetinstrument zonder invloed op de
gemeten drukken.
- Druktransducer = zet de gemeten druk om in een elektrische waarde
- Bewakingsmonitor = geeft de gemeten waarde weer op een monitor in de vorm van curves
en digitale waarden. Kan zo nodig alarm geven.
- Het doorspoelsysteem (= flush-systeem) = adhv een drukzak, zorgt voor de doorgankelijkheid
van de katheter (continu).
Wet van Pascal = de druk op een vloeistof plant zich in alle richtingen en naar alle zijden
evenredig voort (invasieve drukmeting is hierop gebaseerd). Transducer moet niet in het hart
geplaatst worden. Voorwaarden:
- Transducer op dezelfde hoogte als het hart
- Drukbestendige leidingen
- Gesloten verbinding bloedvat – transducer
Voordelen arterielijn Nadelen
- Correcte meting - Infectiegevaar
- Continue meting - Stollings- en bloedingsrisico
- Monitoring met grenswaarden + alarm - Dure apparatuur
- Drukcurven zichtbaar - Vaak storing en vals alarm
- Arbeidsintensief voor vpk
- Hinderende kabels, katheters…
2) Arteriële drukcurve
Bij elke hartslag ontstaat er een gelijkaardige curve die ongeveer een kopie is van de voorgaande.
A Snelle stijging van systemische druk door contractie linker
ventrikel = systole
B Maximale druk in aorta door systole = systolische bloeddruk
(nrm: 100-140 mmHg)
C Eindsystolische fase van ventrikel
D Dicrotic nodge = aortaklep sluit
E Diastolische fase
F Einddiastole = diastolische bloeddruk
MAP = mean arterial pressure = de gemiddelde arteriële druk → normaal: 70-100 mmHg.
<70 mmHg = risico op orgaanfalen.
= [systolische druk + (diastolische druk x 2)] : 3
,2.6. De centraal veneuze druk (CVD)
= de druk gemeten in het ventraal veneuze systeem = druk in rechter atrium = druk in vena cava -
superior of -inferior (geen kleppen).
Zegt iets over de veneuze retour, de vaattonus en de pompfunctie van het hart.
Meetmethodes:
- Intermittent adhv een waterkolom → wet van de communiceerde vaten
o Katheter in vena jugularis of vena subclavia of vena brachialis
o Centraal veneuze drukleiding: verbinding met waterkolom via driewegkraan
o Waterkolom: manometer → nulpunt = hoogte hart = flebostatisch punt
o Steriele zoutoplossing
- Continu adhv een druktransducer in verbinding met rechter atrium
Flebostatisch punt = referentie punt
- Hetzelfde nulpunt = rechter atrium → waterpas nodig
- 4e intercostale ruimte
- Lateraal snijpunt met bovenste 1/3 en onderste 2/3
Normaalwaarden:
- 4-11 cmH2O, 3-8 mmHg en 1 mmHg = 1,36 cmH2O
Aandachtspunten manuele meting:
- Bij elke positieverandering moet de opstelling mee aangepast worden
- Verstorende factoren voor correcte meting: perfusiepomp/spuitpomp via dezelfde centrale
katheter en/of ptn hoest / ademt diep in / houdt adem in
- Luchtbellen voorkomen in de CVD lijn
- Vloeistoppeil in waterkolom gaat lichtjes op en neer op ritme AH
- Filter boven aan manometer mag niet nat komen
- Bji niet meten van CVD de doorgang naar waterkolom afsluiten
- Verstopping voorkomen → doorgankelijkheid controleren
- Insteekpunt + verband controleren
Te hoge CVD:
- Overvulde ptn = te veel of te snel getransfundeerd of geperfundeerd / hartfalen
- Toegenomen intrathoracale druk: fysiologisch bij een spanningspneumothorax / positieve
drukbeademing
- Foute meting door foute opstelling van de drukset
- Watermanometer met natte filter
- Klonter in katheter
Te lage CVD:
- Ondervulde ptn, foute meting door foute opstelling van de drukset en ptn met een slechte
veneuze retour
A-top Atriumcontractie
X-dal Atrium tijdens diastole
C-top Sluiten tricuspidalisklep
X-dal Systole RV, tricuspidalisklep buigt naar beneden
V-top Vulling atrium vanuit vena cava
Y-dal Openen tricuspidalisklep
, 2.7. Drukmetingen IN het hart via de Swan Ganz katheter
De CVD geeft niet altijd voldoende info, de Swan Ganz katheter:
- Tip van katheter in atria pulmonalis
- Meten linker ventrikelfunctie
- Volume van het circulerend bloed
- Drukken op verschillende plaatsen meten in het hart
Het heeft verschillende kanaaltjes:
- Lumen om ballon op te blazen op einde van katheter
- Distaal lumen tot uiteinde van katheter
- Proximaal lumen op 30 cm van uiteinde van katheter → zit in rechter atrium → CVD
- Thermistor op 4 cm van uiteinde van katheter om T° van bloed te meten en de cardiac output
te meten.
Plaatsing:
- Door arts in vena subclavia / vena jugularis
- Katheter wordt opgeschoven tot in rechter atrium
- Ballon wordt opgeblazen
- Ballon gaat met stroom tot het vast zit in a. pulmonalis
- Ballon wordt terug gelost
Curve tijdens plaatsing:
- CVD = kathetertip in rechter voorkamer
- RV = kathetertip in rechter ventrikel
- PAP = tip in art. pulmonalis (ballon niet opgeblazen)
o = druk in a. pulmonalis naar de long oe
o Gemeten via distaal lumen
o Normaalwaarde: 5-30 mmHg
- PCWP = tip inart. Pulmo:nalis met opgeblazen ballon = wedge
o = wiggedruk = druk in longvenen = druk in linker atrium
o = vullingsdruk van linker ventrikel
o Normaalwaarde: 5-15 mmHg
Cardiac output (CO) = het vermogen van de hartspier om het aangevoerde bloed door te pompen
naar de circulatie (SV x HF). Sterk variabel, normaal 4- 6 liter/minuut.
Cardiac index (CI) = gecorrigeerd op lichaamsoppervlakte (CO : lichaamsoppervlakte). Normaal
min 2 liter/minuut/m².
Voorwaarden goede cardiac output:
- Preload = aanvoer van bloed naar hart
- Afterload = weerstand in pulmonale circulatie en systeemcirculatie
- Inotropie = contractiekracht van hartspier
- Hartfrequentie
- Gecoördineerde patroon van contractie
- Efficiënte werking van de hartkleppen