Inhoud
Hoofdstuk 1: Het bewegingsstelsel
De beenderen: Traumatische aandoeningen (54p)
1) Onderzoeksmethoden voor beenweefsel
2) Beenfractuur
2.1 Pathologie bespreking
2.2 Fractuurheling
2.3 Prognose
2.4 Fractuurbehandeling: Inleiding tot reductie + retentie + stabilisatie
2.5 Fractuurbehandeling: Stabilisatiemethoden (uitwendige stabilisatie + externe - en interne fixatie)
2.6 Metallurgie van osteosynthese
2.7 Complicaties van fractuurbehandeling
3) Periostitis
De beenderen: Infectieuze aandoeningen (8p)
1) Inleiding
2) Osteomyelitis
3) Bacteriële osteïtis van de oppervlakkige compactalaag
De gewrichten (40p)
1) Inleiding
1.1 Gewrichtsstructuur
1.2 Gewrichtsfysiologie
1.3 Heling van kraakbeendefecten
1.4 Onderzoek van gewrichten
2) Gewrichtsaandoeningen
2.1 Distorsie (verstuiking)
2.2 Luxatie
2.3 Proximale patella fixatie
2.4 Penetrerende gewrichtswonde / peeswonde
2.5 Infectieuze artritis / osteoartritis / tendovaginitis
2.6 Niet-infectieuze osteoartritis / artrose
2.7 Hydrartrose
2.8 Gewrichtsankylose
2.9 Synoviale hernia
2.10 Osteochondritis dissecans / osteochondrose
2.11 Subchondrale beencyste
1
,De spieren (6p)
1) Inleiding: Onderzoeksmethoden van de spieren
2) Aandoeningen
2.1 Spierkneuzing
2.2 Spierruptuur
2.3 Spierwonde
2.4 Spierhernia
De pezen en ligamenten (16p)
1) Inleiding
2) Aandoeningen
2.1 Peeswonden
2.2 Peesruptuur
2.3 Tendinitis
2.4 Peesscheur met bijhorende tenosynovitis (geen examenleerstof voor examen juni 2025)
Hoofdstuk 2: Shock & bloedtransfusie (40p)
1) Inleiding tot shock
1.1 Wat is shock
1.2 Classificatie van shock
2) Verschillende vormen van shock
2.1 Hypovolemische shock (ischemische shock)
2.2 Cardiogene shock
2.3 Obstructieve shock
2.4 Distributieve shock (vasodilatorische shock)
2.5 Traumatische shock
3) Verdere bespreking van shock
3.1 Pathogenese op cellulair niveau: het energiegebrek
3.2 Gevolgen voor de functie van de organen & homeostase
3.3 Symptomen en diagnose van shock
3.4 Prognose
3.5 Behandeling
4) Vloeistoftherapie
4.1 Kristalloïden
4.2 Colloïden
5) Bloedtransfusie
2.1 Indicaties
2.2 Soorten transfusie & soorten bloedproducten
2.3 Donorselectie
2.4 Bloedafname
2.5 Bewaring
2.6 Transfusietechniek: praktische richtlijnen
2.7 Overlevingstijd RBC (effect van bloedtransfusie)
2.8 Gevaren transfusie
2.9 Alternatieven voor bloedtransfusie
2
,Hoofdstuk 3: Oftalmologie (71p)
1) Onderzoek van het oog
1.1 Zichtvermogen onderzoeken
1.2 Oogstructuren onderzoeken
1.3 Druppels/zalven aanbrengen op het oog
1.4 Desinfectie van het oog
1.5 Genetische aspecten van oogaandoeningen (geen examenleerstof)
2) Orbita en oogbol
2.1 Inleiding
2.2 Bespreking pathologieën
→ Exoftalmus
→ Enoftalmus
→ Afwijkende oogboldiameter
→ Prolaps van de oogbol
→ Fysisch trauma
→ Panoftalmie of intra-oculaire infectie
3) Oogleden
3.1 Wonden ooglid
3.2 Ontsteking van de oogleden en geassocieerde klieren
3.3 Afwijkingen van de positie van de oogleden
3.4 Andere ooglidafwijkingen (geen examenleerstof)
3.5 Afwijkingen van wimpers (cilia)
3.6 Tumoren van oogleden
3.7 Derde ooglid
4) Traanapparaat
5) Conjunctiva
5.1 Conjunctivitis
5.2 Tumoren – squameus cel carcinoma
6) Cornea
6.1 Keratitis
6.2 Cornea ulcus
6.3 Keratoconjunctivitis sicca
6.4 Infectieuze keratoconjunctivitis
7) Uvea
7.1 Congenitale aandoeningen van de uvea
7.2 Uveïtis
8) Glaucoom
8.1 Klinische symptomen
8.2 Classificatie
8.3 Behandeling
9) Lens
9.1 Inleiding
9.2 Cataract
9.3 Luxatie van de lens
3
,Hoofdstuk 4: Gastro-intestinaal stelsel (11p)
1) Exploratie van het gastro-intestinaal stelsel
1.1 Laparotomie
1.2 Laparoscopie
2) Chirurgie van het gastro-intestinaal stelsel
2.1 Inleiding tot entero- en enterectomie van de darm
2.2 Enterotomie
2.3 Enterectomie
2.4 Complicaties (3)
Hoofdstuk 5: Perifeer zenuwstelsel (5p)
1) Etiologie van zenuwbeschadiging
2) Types van zenuwbeschadiging
3) Letsels en symptomen
4) Diagnose
5) Prognose
6) Behandeling
7) Neuroma vorming
Hoofdstuk 6: Cardiovasculair stelsel (10p)
1) Letsels van het lymfestelsel
1.1 Wonden van de lymfevaten
1.2 Lymfangitis
2) Letsels van de bloedvaten
2.1 Letsels van de arteries
2.2 Letsels van de venen
Inleiding tot deze cursus
In dit tweede deel van de cursus algemene heelkunde zullen per stelsel de meest frequent voorkomende
heelkundige aandoeningen besproken worden. Meestal wordt dit vooraf gegaan door een algemene bespreking
van het onderzoek van het betreffende stelsel. Vervolgens wordt voor deze verschillende pathologieën de
pathogenese besproken, alsook de symptomen, de hulpmiddelen bij de diagnostiek, de behandeling en de
prognose. Alles zal diersoort-overschrijdend besproken worden waarbij per pathologie echter wel de nadruk
wordt gelegd op het al dan niet frequent voorkomen bij de ene of andere diersoort.
4
,Hoofdstuk 1: Het bewegingsstelsel
Deel 1: Been
1.1. Traumatische aandoeningen van de beenderen
5
,6
,Inleiding
Inleiding – functie van beenderen
1) Mechanische ondersteuning bij beweging dankzij de aanhechting van pezen en spieren. Dit
is dé belangrijkste functie van het skelet.
2) Bescherming van de weke delen: denk maar aan …
→ Thorax dient als bescherming van het cardiopulmonair stelsel
→ Schedel en wervelkolom dient als bescherming van het CZS
→ Bekken dient als bescherming van het urogenitaal stelsel
Mogelijke aandoeningen die ervoor zorgen dat het been zijn functie niet meer kan
uitoefenen zijn: traumatische aandoeningen, infectieuze aandoeningen en algemene
metabole aandoeningen (deze laatste wordt niet in deze cursus besproken)
1) Onderzoeksmethoden
1) Klinisch onderzoek van het beenstelsel
1) Adspectie in rust: kijken naar
→ Zwelling
→ Deformatie
→ Symmetrie: makkelijke manier om afwijking vast te stellen (links rechts vergelijken)
2) Adspectie in beweging: kijken naar de functie van beenderen, ligamenten, pezen,
gewrichten …
3) Palpatie: oppervlakkige beenderen palperen en volgende zaken beoordelen
→ Pijnlijkheid: is er een pijnreactie bij (1) druk en/of bij (2) beweging
→ Temperatuur: voel je een verschil in temperatuur tussen links en rechts?
- Moeilijker want afhankelijk van de beharing van het dier: Geschoren lidmaat
voelt altijd warmen aan dan een niet geschoren lidmaat!
> Temperatuurverschillen pas voelbaar vanaf een verschil van 3°C
- Er bestaan ook camera’s die verschil in temperaturen detecteren
→ Beweeglijkheid: beweeglijkheid is altijd abnormaal en kan indicatief zijn voor een
breuk – bot is een rigide structuur dat normaal gezien niet beweeglijk is.
→ Crepitatie: krisperend geluid ten gevolge van …
- Botstructuren die over elkaar wrijven
- Luchtcrepitatie: lucht verspringt onder de huid
Probleemstelling: beenderen zijn niet altijd goed bereikbaar bij dieren, denk maar aan het
hoefbeen dat omgeven is door de klauw. Daarom zijn volgende onderzoeksmethoden ook
belangrijk bij het klinisch onderzoek van het beenstelesel:
4) Percussie: met je vinger/hamer kloppen en pijnreactie controleren
→ Voorbeeld: kloppen op de hoef en pijnlijkheid beoordelen.
→ Let op: niet duidelijk of het gaat om probleem met been, gewricht, pees, spier …
5) Auscultatie: naar diepe crepitatie; kan indicatief zijn voor fractuur van de diepe beenderen
6) Rectaal onderzoek: voelen naar crepitatie; bij bv. vermoeden op bekkenfractuur
Crepitatie mogelijks beter te voelen bij passieve beweging
7
,2) Medische beeldvorming
1) Radiografie: is belangrijk voor het diagnosticeren van fracturen, tumoren, periostitis,
demineralisatie en het opmerken van een infectie maar heeft ook zijn beperkingen …
→ Meerdere richtingen: er zijn verschillende opnamen in verschillende richtingen
nodig, op basis van één RX-opname kan er geen diagnose gesteld worden
- Denk maar aan opname kaakbeen: overlap beenderige structuren is één van
de belangrijkste beperkingen bij radiografie
→ Kwaliteit: moeten goede opname zijn (lokalisatie pathologie, dier staat niet stil etc)
→ Demineralisatie: moet al verder gevorderd zijn (30 – 60% verlies van mineralen)
vooraleer het zichtbaar is op radiografie
→ Correlatie klinisch beeld: Niet elke radiografische verandering is klinisch belangrijk
2) CT of computer tomografie: voordeel = verschillende doorsnede worden genomen van het
bot en deze worden samen gevoegd door een computer – bijzonder handig wanneer we
onvoldoende informatie kunnen verkrijgen via een RX-opname
3) Scintigrafie: Detecteert, m.b.v. radioactiviteit, verhoogd metabool actieve regio’s oftewel
hotspots (bv.: nieuwbeen-vorming, groeiplaten)
4) MRI: beoordeelt de magnetische eigenschappen van het bot – enkel voor bepaalde
indicaties nuttig zoals het vaststellen van botoedeem, accumulatie van vocht dat ook tot
pijn kan leiden.
5) Echografie: beoordeelt de akoestische eigenschappen van het bot waarbij we enkel het
oppervlak van het bot in beeld kunnen brengen wat zeer handig is voor fracturen die zich
bevinden in de diepte
→ Probleemstelling: fracturen in de diepte, die bij GHD bedekt kunnen zijn door een
grote spiermassa zijn soms moeilijk in beeld te brengen met radiografie
- Voorbeeld: dikbilrund met fractuur t.h.v. femur ligt plat en je krijgt het niet
recht. Hoe weet je dat dit een spier-, zenuw- of botprobleem is?
→ Oplossing: echostralen kunnen 15 – 20 cm diep penetreren en oppervlak/aflijning
van het bot weergeven opdat je niet de exacte configuratie kan bepalen, maar wel
of er een fractuur is of niet
6) Thermografie: geeft aan of er een infectieus proces gaande is (niet vaak gebruikt)
7) Bloedonderzoek: uitvoeren om …
→ Onderscheid maken tussen fractuur en myositis (myositis = ↑ gehalte CPK)
→ Detectie van infectieuze processen (↑ gehalte aan SA = acute fase eiwit)
8) Biopsie: aan de hand van een trepan (bij bijvoorbeeld de diagnose van tumoraal proces)
8
,Casusvoorbeeld: hoefbeenfractuur
Klinisch onderzoek: pijnlijk bij percussie van de hoef
Medische beeldvorming: een RX-opname geeft een fractuur van het hoefbeen weer (LM)
Opgelet: fractuur niet zichtbaar op een dorsopalmaire (DP) radiografie want dit is loodrecht
genomen op de fractuur. Er is een schuine opname van de fractuur nodig ( = beperking radiografie).
Casusvoorbeeld: kaakbeenfractuur
Klinisch onderzoek: /
Medische beeldvorming:
- RX-opname: twee opnamen genomen van bovenaan rechts (Re mandibula) en onderaan links (Li
mandibula) gezien kaakbeenderen elkaar overlappen. Overlap van deze beenderige structuren
maakt het echter alsnog lastig om opnamen goed te beoordelen
- CT opname:
9
, 1 Beenfractuur
1) Pathologie bespreking
Beenfractuur is een partiële of totale onderbreking van de continuïteit van het beenweefsel
1) Etiologie
1.1. Predisponerende factoren: demineralisatie 1
1) Algemene demineralisatie: komt voor bij …
→ Hogere leeftijd: de echt geriatrische patiënten (geen paard 20j, wel van 30j!)
→ Tijdelijk ↓ aanvoer of ↑ afvoer van mineralen zoals bij dracht/lactatie waarbij
veel mineralen gemobiliseerd naar foetus/melk
- Algemene inactiviteit: vb einde van stalperiode bij aangebonden runderen
- Algemene skeletaandoeningen: osteodystrofie, osteogenesis imperfecta
2) Lokale demineralisatie: komt voor bij …
→ Onvoldoende belasting van één van de ledematen
- Zoals bij immobilisatie (fixatie met platen of langdurig gips) 2
- Zoals bij zenuwparalyse of gewrichtsproblemen
→ Fixatie: van een fractuur met twee beenplaten waardoor onderliggend been daar
niet rechtstreeks wordt belast (alle krachten worden door de platen opgevangen)
- !! na verwijdering van platen kunnen hier fracturen optreden !!
→ Lokale pathologische processen zoals avasculaire necrose, beencyste, erge
osteomyelitis, primaire of secundaire beentumoren …
1.2. Traumatische oorzaak (inwerkende kracht)
1) Trauma: fractuur is een gevolg van een kracht die groter is dan de stevigheid van het bot
zoals het geval bij een uitwendig trauma (slag, val of aanrijding) of abnormale beweging
(uitglijden) …
→ Plaats van de fractuur: meestal op de plaats waar het trauma inwerkt, soms op een
afstand van de inslag (bijvoorbeeld fractuur in groeiplaat calcaneus na trauma op
Achillespees).
→ Configuratie van de fractuur: wat bepaalt of een bot zal breken of niet is …
- Grootte van de kracht
- Hardheid of elasticiteit van beenderen (hard bot = weinig elastisch);
bijvoorbeeld zeer jonge dieren hebben niet harde, zeer elastische
beenderen die weinig gevoelig zijn voor fracturen
1
Elke vorm van demineralisatie leidt tot (1) daling van de mineraaldensiteit en dus stevigheid ↓ en (2)
verhoogd risico op fracturen: m.a.w. kleinere krachten kunnen al fracturen veroorzaken
2
Gipsen doet de minerale densiteit van het bot massaal dalen – belasting moet geleidelijk wordt opgebouwd.
10