COMMUNICATIEWETENSCHAP SAMENVATTING 2024-2025
Inhoud
Communicatiewetenschap les 1 Hoofdstuk 1: Inleiding (p 7-11) ...........................1
Hoofdstuk 2: Basisconcepten en modellen (p 11-16).............................................2
Hoofdstuk 3: Verbale communicatie (p 42 - 63)...................................................23
Communicatiewetenschap les 4 Hoofdstuk 4: Non-verbale communicatie (p 64-
87)........................................................................................................................ 37
Communicatiewetenschap les 5 Hoofdstuk 5: Interpersoonlijke en
groepscommunicatie (p 89-113)..........................................................................52
Communicatiewetenschap les 6 Hoofdstuk 6: Organisatiecommunicatie (p 116-
153)...................................................................................................................... 65
Communicatiewetenschap les 7 Hoofdstuk 7: de Mediaorganisatie (p 157-196) 67
Communicatiewetenschap les 8 Hoofdstuk 8 Massacommunicatie: de inhoud (p
201-212) .............................................................................................................. 74
Communicatiewetenschap les 9 hoofdstuk 9 Massacommunicatie: het publiek (p
214-234) .............................................................................................................. 79
Communicatiewetenschap les 10 Hoofdstuk 10 Massacommunicatie: effecten...86
Communicatiewetenschap les 11 Hoofdstuk 11: Social media & well being........86
Communicatiewetenschap les 1 Hoofdstuk 1:
Inleiding (p 7-11)
Communicatiewetenschap = relatief jonge wetenschappelijke discipline
→ belang van theorieën, concepten
Health & Bryant (1992) communicatiewetenschap 4 belangrijke invalshoeken:
retoriek
propaganda
media-effecten
informatietheorie
,belang communicatiewetenschappen
→ vb: tweet trump over video games, video games zijn slecht
hoe verklaren: social learning theory (andermans gedrag analyseren)
→ gedrag pas aanleren als het door de samenleving
geaccepteerd is
Aristoteles → onderzocht
overtuigen van mensen → hoe kunnen sommige mensen iemand overtuigen
3 intrinsieke middelen: ethos (persoonlijkheid en waarden van de spreker) ,
pathos (inspelen op de emoties van het publiek) , logos (logica van argumentatie)
= 3 middelen om publiek te overtuigen
Hoofdstuk 2: Basisconcepten en modellen (p
11-16)
2.1 Inleiding
Communicatiewetenschap bestudeert de communicatie
→ geen eenduidige, allesomvattende, ‘correcte’ definitie van communicatie
In de communicatie kunnen we 2 dominante tradities ontdekken
processchool
betekeniscreatieschool
2.2 Wat is communicatie
Communicatie =
1. Overdracht of uitwisseling van informatie
2. Verbinding of verkeer
Bij overdracht van informatie ligt klemtoon op de zender die een boodschap
verstuurt (niks met ontvanger)
,Bij uitwisseling van informatie ligt klemtoon op gemeenschappelijk maken van
ideeën ( “communicatie”: “communicare” = gemeenschappelijk maken)
⇒ communicatie is geen eenzijdig proces → beide partners zijn gelijkwaardig
Verbinding of verkeer wordt zeer weinig gebruikt → communicatie wordt gezien
als transport
Hoe is het begrip ‘communicatie’ door communicatiewetenschappers
omschreven
→ Fauconnier (1981), één van de grondleggers van communicatiewetenschap
stelt dat er geen enkele definitie bestaat doe werkelijk als de definitie van
communicatie kan beschouwd worden
→ definitie kan enkel goed zijn als:
bruikbaar of operationeel is binnen een bepaalde wetenschappelijke visie
logisch en coherent is
niet tegengesproken wordt door de waarneembare werkelijkheid
onderscheiden van andere maatschappelijke verschijnselen
vb: communicatie is een proces waardoor een zender bewustzijnsinhoud
overdraagt of tracht over te dragen aan een of meerdere ontvangers en dit door
middel van een kanaal, signalen en tekens (Fauconnier, 1981)
→ lees de andere p 12
⇒ 2 belangrijke visies op communicatie in die definities
→ Health & Bryant (1992) omschreven twee visies als 2 scholen
1. Processchool → communicatie als de transmissie van boodschappen
nadruk op hoe zenders en ontvanger encoderen en decoderen
communicatie is beïnvloedingsproces (ene persoon beïnvloedt gedrag of
de gedachten van de andere persoon)
verschil tussen output en input ⇒ communicatiefout
basis: sociologie en psychologie
2. Betekeniscreatieschool → communicatie als de productie en uitwisseling van
betekenissen
, bestudeert hoe boodschappen of teksten interageren met mensen om
betekenissen creëren
afwijkingen tussen zender en ontvanger niet noodzakelijk een fout ( maar
bv wel als resultaat van culturele verschillen)
communicatie is de studie van teksten → centrale methode daarbij is de
semiotiek
richt zich primair op de producten van communicatie (krantenartikels,
reclamespots)
2.3 Breek- of discussiepunten in de definities van communicatie
→ Verschillende discussiepunten op basis van Fauconnier (1981)
2.3.1 Intentionaliteit als breekpunt
→ de intentie of bedoeling ligt aan de basis
→ er is pas sprake van communicatie wanneer de zender de bedoeling heeft om
een boodschap uit te sturen en de ontvanger de bedoeling heeft om de
boodschap te ontvangen
Horizontaal: zender bedoeld of niet bedoeld om boodschap uit te sturen
Verticaal: Ontvanger bedoeld of niet bedoeld om de boodschap te ontvangen
Lees voorbeeldsituaties onder model op pagina 14
Volgens de teleologische opvatting is dus slecht enkel sprake van communicatie
is situatie 1
,→ het model van hierboven is ook typisch voor de processchool → concentreert
zich op de communicatieve ‘acts’ of handelingen
voor situatie 2,3,4 → communicatie is veel ruimer → alle gedrag van mensen is
communicatief
2.3.2 Geslaagdheid als criterium?
Fauconnier: GC = T + Ox + Ib + Ub
GC = geslaagde communicatie
T = Transmissie van de boodschap
Ox = ontvangst
X = juiste doelpubliek/bedoeld
I = interpretatie
U = uitkomst
lesopname bij dit voorbeeld handig
2.3.3 Eenrichtings- of tweerichtingsverkeer
Betrekking op richting van het com proces
Volgens processchool: eenrichtingsverkeer = voldoende op de spreken
over com
→ A zegt iets tegen B = com → B reageert op A = nieuw com proces
Als men zich gedragscommunicatief opstelt zal men eerder stellen dan
com een proces is van wisselwerking
,→ proces waarbij partners steeds van rol wisselen (zender wordt ontvanger en
omgekeerd)A zegt iets tegen B en B zegt iets tegen A = tweerichtingsverkeer → 1
geval van com
Onderzoekers van massacommunicatie: vooral eenrichtingsverkeer
Onderzoekers van interpersoonlijke com: com = een circulair proces
2.3.4 Observatieniveau
In communicatiewetenschap beperkt men enkel tot de ‘menselijke’
communicatie
→ binnen de menselijke communicatie onderscheid gemaakt tussen verschillende
observatieniveaus
Intrapersoonlijke communicatie = communicatie binnen één persoon, dus
praten met jezelf
Interpersoonlijke communicatie = communicatie tussen 2 personen
Communicatie in (kleine) groepen = bv iemand die les geeft aan groep
studenten
Organisatiecommunicatie = communicatie van bedrijven
Massacommunicatie = communicatie door nieuwsmedia, radiokanalen, ..
Communicatie met AI via chatbots => is het communicatie?
2.4 Elementen in het communicatieproces
2.4.1 Zender/bron
Zender = het technische apparaat bv: smartphone
Bron = de persoon die de boodschap verstuurt
→ in de eerste communicatiemodellen: zender = erg actief en ontvanger =
passief + makkelijk beïnvloedbaar
– later: publiek = actief → mensen selecteren en interpreteren/evalueren
informatie
,2.4.2 Ontvanger/bestemmeling
Enkel in het kader van technische moddelen → onderscheid gemaakt tussen
ontvanger en bestemmeling
Ontvanger: (telefoonhoorn) ontvangt de boodschap en decodeert en
interpreteert
bestemmeling: de persoon, het brein, het oor
→ na communicatiewetenschappelijk onderzoek meer aandacht voor de
ontvanger
2.4.3 Boodschap
= datgene wat wordt uitgedrukt door de zender en overgedragen naar de
ontvanger
= bevat iets dat betekenis (meaning) kan hebben
dat iets zijn tekens
= verbale of non-verbale stimuli die betekenis dragen, iets betekenen
= bestaat uit signifiant (betekenaar) en signifié (betekende)
→ tekens worden ingedeeld in 3 categoriën
Symbolen:
geen natuurlijke relatie tussen de betekenaar en betekende
= bewuste of onbewuste afspraak tussen mensen om op een bepaalde manier
uitdrukking te geven aan een bewustzijnsinhoud
betekenaar stoel verwijst naar fysiek object maar is dat object niet
→ zelfde object kan ook worden opgeroepen met ander teken bv: chair
→ kan omgekeerd ook: een teken kan meerdere betekenissen hebben
Iconen:
= fysieke gelijkenis tussen de betekenaar en het betekende
bv: foto van jouw gezicht is een icoon van jouw, blije emoji is icoon van een
blij gezicht
Indices:
, sensorische ervaring A verwijst naar B
bv: donkere wolken = index voor regen
Coderen (=encoderen)
= het omzetten in een code die de transmissie mogelijk maakt
→ de over te brengen bewustzijnsinhouden worden verwerkt tot tekens
→ 2 keer gecodeerd gedacht → teken → signaal
omgekeerde = decoderen → gebeurt bij de ontvanger (=het ontdoen van codes)
2.4.4 Signaal
louter technisch-natuurkundig concept
bv: luchttrillingen, lichtgolven → bij telefoongesprek worden woorden bv
omgezet in elektromagnetische trillingen
Primaire signalen:
natuurlijk
kenmerkend voor gesprekken, dialogen (face-to-face communicatie)
overbrengen van boodschappen gebeurt in dit geval via rechtstreekse
zintuiglijke prikkels (zien, horen, voelen, ruiken en smaken)
Secundaire signalen:
technisch
gebruikt bij indirecte communicatie
twee typen onderscheiden:
signalen geproduceerd op mechanische wijze (signalen door middel van
werktuigen zoals pen, pers
signalen geproduceerd op elektrische/elektronische wijze (elektrische
stroomstootjes, ..)
2.4.5 Kanaal
,= bindmiddel of de verbinding die de ruimtelijke scheiding tussen zender en
ontvanger overbrugt
dragers van signalen
bv: telefoonlijn, buizen, televisiekabels
2.4.6 Medium
Medium (mv: media) = vage term
Fauconnier (1981) ⇒ medium is object dat de boodschap draagt of kan
dragen of een technisch middel dat het tot uiting brengen en waarnemen
van de boodschap via de zintuigen mogelijk maakt
bv: muur (waar iets op staat), tv, radio, krant
Medium gemakkelijk te herkennen bij interpersoonlijke communicatie en
massacommunicatie → moeilijker bij face-to-face communicatie:
moeilijker omdat → geen medium? = ongemedieerde communicatie
Fiske (1990) gaat stem zien als medium
→ stem = medium: woorden (tekens), via stem (medium) omgezet in
luchttrillingen (signalen) die via een kanaal (lucht) naar ontvanger worden
gezonden
Media (medium in mv) classificeren → illustratie van Bordewijk en Van Kaam
(1986): ingedeeld naargelang de graad van interactiviteit/tweerichtingsverkeer
die ze toelaten
, centraal = televisiebron
individueel = bij het individu
controle over tijd = controle over het tijdstip dat iets
1. allocutie 2. registratie 3. consultatie 4. conversatie
Situatie 1: Allocutie
typische one way communicatie
heeft de opgeslagen informatie en kan kiezen wanneer men dit uitstuurt
bv: televisiezender, controle over programmatie (wanneer iets wordt
uitgezonden) en welke programma’s er worden uitgezonden (wat wordt er
uitgezonden, opgeslagen informatie)
Situatie 2: Registratie
individu heeft de opgeslagen informatie en de centrale bron kiest wanneer
het wordt gedaan
bv: Leerkracht (centrale bron) zegt wat we moeten leren voor een examen
(opgeslagen informatie)
bv: op youtube enquête invullen, centrale actor kiest wat en over tijd, en
wij, het individu moet het invullen
Situatie 3: Consultatie
tijdstip waarop iets wordt opgevraagd ligt bij het individu, maar centrale
databank heeft wel nog controle over wat er moet worden opgevraagd
bv: wikipedia, centrale bron geeft jouw informatie maar jij zelf kiest
wanneer en wat je opzoekt
Situatie 4: Conversatie
controles liggen bij het individu
typische conversatie via whatsapp bijvoorbeeld
oefeningen les 2 vanaf minuut 35
Inhoud
Communicatiewetenschap les 1 Hoofdstuk 1: Inleiding (p 7-11) ...........................1
Hoofdstuk 2: Basisconcepten en modellen (p 11-16).............................................2
Hoofdstuk 3: Verbale communicatie (p 42 - 63)...................................................23
Communicatiewetenschap les 4 Hoofdstuk 4: Non-verbale communicatie (p 64-
87)........................................................................................................................ 37
Communicatiewetenschap les 5 Hoofdstuk 5: Interpersoonlijke en
groepscommunicatie (p 89-113)..........................................................................52
Communicatiewetenschap les 6 Hoofdstuk 6: Organisatiecommunicatie (p 116-
153)...................................................................................................................... 65
Communicatiewetenschap les 7 Hoofdstuk 7: de Mediaorganisatie (p 157-196) 67
Communicatiewetenschap les 8 Hoofdstuk 8 Massacommunicatie: de inhoud (p
201-212) .............................................................................................................. 74
Communicatiewetenschap les 9 hoofdstuk 9 Massacommunicatie: het publiek (p
214-234) .............................................................................................................. 79
Communicatiewetenschap les 10 Hoofdstuk 10 Massacommunicatie: effecten...86
Communicatiewetenschap les 11 Hoofdstuk 11: Social media & well being........86
Communicatiewetenschap les 1 Hoofdstuk 1:
Inleiding (p 7-11)
Communicatiewetenschap = relatief jonge wetenschappelijke discipline
→ belang van theorieën, concepten
Health & Bryant (1992) communicatiewetenschap 4 belangrijke invalshoeken:
retoriek
propaganda
media-effecten
informatietheorie
,belang communicatiewetenschappen
→ vb: tweet trump over video games, video games zijn slecht
hoe verklaren: social learning theory (andermans gedrag analyseren)
→ gedrag pas aanleren als het door de samenleving
geaccepteerd is
Aristoteles → onderzocht
overtuigen van mensen → hoe kunnen sommige mensen iemand overtuigen
3 intrinsieke middelen: ethos (persoonlijkheid en waarden van de spreker) ,
pathos (inspelen op de emoties van het publiek) , logos (logica van argumentatie)
= 3 middelen om publiek te overtuigen
Hoofdstuk 2: Basisconcepten en modellen (p
11-16)
2.1 Inleiding
Communicatiewetenschap bestudeert de communicatie
→ geen eenduidige, allesomvattende, ‘correcte’ definitie van communicatie
In de communicatie kunnen we 2 dominante tradities ontdekken
processchool
betekeniscreatieschool
2.2 Wat is communicatie
Communicatie =
1. Overdracht of uitwisseling van informatie
2. Verbinding of verkeer
Bij overdracht van informatie ligt klemtoon op de zender die een boodschap
verstuurt (niks met ontvanger)
,Bij uitwisseling van informatie ligt klemtoon op gemeenschappelijk maken van
ideeën ( “communicatie”: “communicare” = gemeenschappelijk maken)
⇒ communicatie is geen eenzijdig proces → beide partners zijn gelijkwaardig
Verbinding of verkeer wordt zeer weinig gebruikt → communicatie wordt gezien
als transport
Hoe is het begrip ‘communicatie’ door communicatiewetenschappers
omschreven
→ Fauconnier (1981), één van de grondleggers van communicatiewetenschap
stelt dat er geen enkele definitie bestaat doe werkelijk als de definitie van
communicatie kan beschouwd worden
→ definitie kan enkel goed zijn als:
bruikbaar of operationeel is binnen een bepaalde wetenschappelijke visie
logisch en coherent is
niet tegengesproken wordt door de waarneembare werkelijkheid
onderscheiden van andere maatschappelijke verschijnselen
vb: communicatie is een proces waardoor een zender bewustzijnsinhoud
overdraagt of tracht over te dragen aan een of meerdere ontvangers en dit door
middel van een kanaal, signalen en tekens (Fauconnier, 1981)
→ lees de andere p 12
⇒ 2 belangrijke visies op communicatie in die definities
→ Health & Bryant (1992) omschreven twee visies als 2 scholen
1. Processchool → communicatie als de transmissie van boodschappen
nadruk op hoe zenders en ontvanger encoderen en decoderen
communicatie is beïnvloedingsproces (ene persoon beïnvloedt gedrag of
de gedachten van de andere persoon)
verschil tussen output en input ⇒ communicatiefout
basis: sociologie en psychologie
2. Betekeniscreatieschool → communicatie als de productie en uitwisseling van
betekenissen
, bestudeert hoe boodschappen of teksten interageren met mensen om
betekenissen creëren
afwijkingen tussen zender en ontvanger niet noodzakelijk een fout ( maar
bv wel als resultaat van culturele verschillen)
communicatie is de studie van teksten → centrale methode daarbij is de
semiotiek
richt zich primair op de producten van communicatie (krantenartikels,
reclamespots)
2.3 Breek- of discussiepunten in de definities van communicatie
→ Verschillende discussiepunten op basis van Fauconnier (1981)
2.3.1 Intentionaliteit als breekpunt
→ de intentie of bedoeling ligt aan de basis
→ er is pas sprake van communicatie wanneer de zender de bedoeling heeft om
een boodschap uit te sturen en de ontvanger de bedoeling heeft om de
boodschap te ontvangen
Horizontaal: zender bedoeld of niet bedoeld om boodschap uit te sturen
Verticaal: Ontvanger bedoeld of niet bedoeld om de boodschap te ontvangen
Lees voorbeeldsituaties onder model op pagina 14
Volgens de teleologische opvatting is dus slecht enkel sprake van communicatie
is situatie 1
,→ het model van hierboven is ook typisch voor de processchool → concentreert
zich op de communicatieve ‘acts’ of handelingen
voor situatie 2,3,4 → communicatie is veel ruimer → alle gedrag van mensen is
communicatief
2.3.2 Geslaagdheid als criterium?
Fauconnier: GC = T + Ox + Ib + Ub
GC = geslaagde communicatie
T = Transmissie van de boodschap
Ox = ontvangst
X = juiste doelpubliek/bedoeld
I = interpretatie
U = uitkomst
lesopname bij dit voorbeeld handig
2.3.3 Eenrichtings- of tweerichtingsverkeer
Betrekking op richting van het com proces
Volgens processchool: eenrichtingsverkeer = voldoende op de spreken
over com
→ A zegt iets tegen B = com → B reageert op A = nieuw com proces
Als men zich gedragscommunicatief opstelt zal men eerder stellen dan
com een proces is van wisselwerking
,→ proces waarbij partners steeds van rol wisselen (zender wordt ontvanger en
omgekeerd)A zegt iets tegen B en B zegt iets tegen A = tweerichtingsverkeer → 1
geval van com
Onderzoekers van massacommunicatie: vooral eenrichtingsverkeer
Onderzoekers van interpersoonlijke com: com = een circulair proces
2.3.4 Observatieniveau
In communicatiewetenschap beperkt men enkel tot de ‘menselijke’
communicatie
→ binnen de menselijke communicatie onderscheid gemaakt tussen verschillende
observatieniveaus
Intrapersoonlijke communicatie = communicatie binnen één persoon, dus
praten met jezelf
Interpersoonlijke communicatie = communicatie tussen 2 personen
Communicatie in (kleine) groepen = bv iemand die les geeft aan groep
studenten
Organisatiecommunicatie = communicatie van bedrijven
Massacommunicatie = communicatie door nieuwsmedia, radiokanalen, ..
Communicatie met AI via chatbots => is het communicatie?
2.4 Elementen in het communicatieproces
2.4.1 Zender/bron
Zender = het technische apparaat bv: smartphone
Bron = de persoon die de boodschap verstuurt
→ in de eerste communicatiemodellen: zender = erg actief en ontvanger =
passief + makkelijk beïnvloedbaar
– later: publiek = actief → mensen selecteren en interpreteren/evalueren
informatie
,2.4.2 Ontvanger/bestemmeling
Enkel in het kader van technische moddelen → onderscheid gemaakt tussen
ontvanger en bestemmeling
Ontvanger: (telefoonhoorn) ontvangt de boodschap en decodeert en
interpreteert
bestemmeling: de persoon, het brein, het oor
→ na communicatiewetenschappelijk onderzoek meer aandacht voor de
ontvanger
2.4.3 Boodschap
= datgene wat wordt uitgedrukt door de zender en overgedragen naar de
ontvanger
= bevat iets dat betekenis (meaning) kan hebben
dat iets zijn tekens
= verbale of non-verbale stimuli die betekenis dragen, iets betekenen
= bestaat uit signifiant (betekenaar) en signifié (betekende)
→ tekens worden ingedeeld in 3 categoriën
Symbolen:
geen natuurlijke relatie tussen de betekenaar en betekende
= bewuste of onbewuste afspraak tussen mensen om op een bepaalde manier
uitdrukking te geven aan een bewustzijnsinhoud
betekenaar stoel verwijst naar fysiek object maar is dat object niet
→ zelfde object kan ook worden opgeroepen met ander teken bv: chair
→ kan omgekeerd ook: een teken kan meerdere betekenissen hebben
Iconen:
= fysieke gelijkenis tussen de betekenaar en het betekende
bv: foto van jouw gezicht is een icoon van jouw, blije emoji is icoon van een
blij gezicht
Indices:
, sensorische ervaring A verwijst naar B
bv: donkere wolken = index voor regen
Coderen (=encoderen)
= het omzetten in een code die de transmissie mogelijk maakt
→ de over te brengen bewustzijnsinhouden worden verwerkt tot tekens
→ 2 keer gecodeerd gedacht → teken → signaal
omgekeerde = decoderen → gebeurt bij de ontvanger (=het ontdoen van codes)
2.4.4 Signaal
louter technisch-natuurkundig concept
bv: luchttrillingen, lichtgolven → bij telefoongesprek worden woorden bv
omgezet in elektromagnetische trillingen
Primaire signalen:
natuurlijk
kenmerkend voor gesprekken, dialogen (face-to-face communicatie)
overbrengen van boodschappen gebeurt in dit geval via rechtstreekse
zintuiglijke prikkels (zien, horen, voelen, ruiken en smaken)
Secundaire signalen:
technisch
gebruikt bij indirecte communicatie
twee typen onderscheiden:
signalen geproduceerd op mechanische wijze (signalen door middel van
werktuigen zoals pen, pers
signalen geproduceerd op elektrische/elektronische wijze (elektrische
stroomstootjes, ..)
2.4.5 Kanaal
,= bindmiddel of de verbinding die de ruimtelijke scheiding tussen zender en
ontvanger overbrugt
dragers van signalen
bv: telefoonlijn, buizen, televisiekabels
2.4.6 Medium
Medium (mv: media) = vage term
Fauconnier (1981) ⇒ medium is object dat de boodschap draagt of kan
dragen of een technisch middel dat het tot uiting brengen en waarnemen
van de boodschap via de zintuigen mogelijk maakt
bv: muur (waar iets op staat), tv, radio, krant
Medium gemakkelijk te herkennen bij interpersoonlijke communicatie en
massacommunicatie → moeilijker bij face-to-face communicatie:
moeilijker omdat → geen medium? = ongemedieerde communicatie
Fiske (1990) gaat stem zien als medium
→ stem = medium: woorden (tekens), via stem (medium) omgezet in
luchttrillingen (signalen) die via een kanaal (lucht) naar ontvanger worden
gezonden
Media (medium in mv) classificeren → illustratie van Bordewijk en Van Kaam
(1986): ingedeeld naargelang de graad van interactiviteit/tweerichtingsverkeer
die ze toelaten
, centraal = televisiebron
individueel = bij het individu
controle over tijd = controle over het tijdstip dat iets
1. allocutie 2. registratie 3. consultatie 4. conversatie
Situatie 1: Allocutie
typische one way communicatie
heeft de opgeslagen informatie en kan kiezen wanneer men dit uitstuurt
bv: televisiezender, controle over programmatie (wanneer iets wordt
uitgezonden) en welke programma’s er worden uitgezonden (wat wordt er
uitgezonden, opgeslagen informatie)
Situatie 2: Registratie
individu heeft de opgeslagen informatie en de centrale bron kiest wanneer
het wordt gedaan
bv: Leerkracht (centrale bron) zegt wat we moeten leren voor een examen
(opgeslagen informatie)
bv: op youtube enquête invullen, centrale actor kiest wat en over tijd, en
wij, het individu moet het invullen
Situatie 3: Consultatie
tijdstip waarop iets wordt opgevraagd ligt bij het individu, maar centrale
databank heeft wel nog controle over wat er moet worden opgevraagd
bv: wikipedia, centrale bron geeft jouw informatie maar jij zelf kiest
wanneer en wat je opzoekt
Situatie 4: Conversatie
controles liggen bij het individu
typische conversatie via whatsapp bijvoorbeeld
oefeningen les 2 vanaf minuut 35