praktijk
Een psycholoog in de zorg is een scientist practicioner
Werkveld:
Ziekenhuis: patiënten hebben een medische aandoening waardoor er klachten
ontstaan. Ze kijken of de scores passen bij een ziekte ja of nee. Er wordt ook
gekeken naar alternatieve verklaringen en impact op het dagelijks leven.
1. algemeen ziekenhuis
2. categoraal ziekenhuis: bepaalde doelgroep bijvoorbeeld kanker/ epilepsie
3. academisch ziekenhuis: wetenschappelijk onderzoek en met universiteiten
Geestelijke gezondheidszorg (ggz): cognitief functioneren, stemmingsstoornissen,
schizofrenie of verslaving. Relatie tussen hersenen, cognitie, emotie en gedrag wordt
onderzocht.
Revalidatie: doel is om patiënten zo zelfstandig mogelijk deel te laten nemen aan
activiteiten in de maatschappij. Biedt ook aandacht hoe patiënten omgaan met
coping, persoonlijkheidsfactoren, cognitieve stoornissen.
Langdurige zorg: patiënten die niet meer zelfstandig kunnen wonen vanwege
cognitieve stoornissen of lichamelijke klachten. Bijvoorbeeld ouderen, herstellen na
een operatie, hersenletsel. Samenwerken met ouderengeneeskunde,
verpleegkundigen, verzorgenden.
Forensisch zorg: neuropsychologen zien patiënten die strafbaar gedrag hebben
laten zien. Behandeling van patiënten kan vrijwillig of gedwongen plaatsvinden.
Vragen zoals: komt het door cognitieve stoornis of ondersteuning van een
behandelindicatie.
Diagnostiek
Onderzoek gaat in vijf stappen:
1. vraagstelling: doel weten. wat wil je onderzoeken
2. dossieronderzoek: medische en psychische geschiedenis
3. hypothese: verwachting van een uitkomst van onderzoek
4. anamnese gesprek: ingaan op klachten van patiënt, beloop van klachten, mate
waarin de klachten haar beperken om dagelijkse taken uit te voeren, de stemming,
slaappatroon, veranderingen in emoties of gedrag.
5. heteroanamnese gesprek: gesprek met naaste over gedrag/emoties van patiënt
6. psychometrisch testonderzoek: verschillende tests en vragenlijsten, observaties.
7. conclusie: antwoord gegeven op de vraag
Betrouwbaarheid, validiteit en stoorfactoren
Betrouwbaarheid is dat de uitkomsten van bepaalde testen consistent zijn
Validiteit is dat een test meet wat hij moet meten
face validity: de mate waarin een test op het eerste gezicht meet wat het moet
weten (gezichtsherkenning test waarbij portret foto’s worden getoond)
inhoudsvaliditeit: richt zich op of de test representatief is voor het onderwerp dat
men wil testen. (is het herkennen van portretfoto’s vergelijkbaar met herkennen van
echte gezichten).
begripsvaliditeit: zijn de resultaten van een test ook daadwerkelijk een indicatie over
waar men een uitspraak over wilt doen. (meet de gezichtsherkenning test ook
daadwerkelijk het geheugen voor gezichten?)
criterium validiteit
1. predictieve validiteit: hoe goed voorspelt een test het daadwerkelijke gedrag
, 2. concurrente validiteit: de vergelijking tussen een neurologisch test en een
ander instrument)
ecologische validiteit: bijzondere vorm van predictieve validiteit. hiermee wordt
aangegeven in welke mate de test voorspelt hoe een patiënt functioneert in zijn of
haar omgeving.
1. veridicality: in hoeverre kan prestatie op een bepaalde taak het gedrag in
dagelijks functioneren voorspellen.
2. verisimilitude: in hoeverre lijkt een test op vergelijkbare taken in het dagelijks
leven.
Stoorfactor is een element dat een testprestatie beïnvloedt. Bijvoorbeeld visuele
beperkingen, gehoorproblemen, vermoeidheid, aandachtsspanning, pijnklachten,
onzekerheid.
Neuropsychologen moeten goed kijken naar onderpresteren of over rapportage.
Ontbrekend ziektebesef: anosognosie. Patiënt is onbewust van het hebben van een
aandoening en bijbehorende beperkingen.
Intact ziektebesef: patiënt weet wel dat ze een aandoening of beperking heeft maar ziet de
gevolgen er niet van.
Bewust: het kan ook zijn dat een patiënt bewust doet alsof hij ziek is voor bijvoorbeeld een
uitkering.
Multivariate normative comparisons: testscore van patiënt vergelijken met een gezond
persoon.
AST: Algemene Standaard Testgebruik. Biedt informatie en richtlijnen over testkeuzes en
het juiste gebruik van instrumenten.
Behandeling
Neuropsychologische behandeling: richt zich op het leren omgaan met cognitieve
stoornissen, geheugenverlies, mentale traagheid etc.
Psycho-educatie: gericht op cognitieve stoornissen, leren omgaan met
functiestoornissen (emotioneel, praktisch). Inzicht krijgen op de oorzaak,
Handelingsadviezen: client, omgeving (gezin school/werk)
Compensatie adviezen: aanpassen aan omgeving, gebruiken van sterke kanten van
cliënt
Leefstijladvies: optimaliseren voorwaarden van cognitief functioneren (slaap,
dagritme, beweging, voeding)
Therapie: oplossingsgericht, psychomotore, cognitieve gedrag, ergotherapie,
fysiotherapie.
Kwaliteit in de gezondheid bewaken is de wet BIG ingezet: Beroepen in de Individuele
Gezondheidszorg.
1. Grijze stof (Cortex & Kernen)
Bestaat voornamelijk uit zenuwcellichamen (neuronen) en dendrieten.
Bevat ook gliacellen (ondersteunende cellen) en bloedvaten.
Bevindt zich in de buitenste laag van de hersenen (hersenschors/cortex) en diep
in de hersenen in structuren zoals de basale ganglia en thalamus.
Functie: Verwerken en interpreteren van informatie, zoals denken, voelen en
bewegen.
2. Witte stof
Bestaat voornamelijk uit gemyeliniseerde axonen (lange zenuwuitlopers bedekt met
myeline).
, Myeline is een vettige substantie die de axonen isoleert en zorgt voor snelle
signaalgeleiding tussen neuronen.
Bevindt zich onder de grijze stof in de hersenen en vormt in het ruggenmerg de
buitenste laag.
Functie: Communicatie tussen verschillende hersengebieden en tussen de
hersenen en het ruggenmerg.
Samenvatting
Grijze stof = Informatieverwerking (zenuwcellichamen)
Witte stof = Signaaloverdracht (gemyeliniseerde axonen)
Schade aan de grijze stof kan leiden tot cognitieve en motorische stoornissen (zoals bij
dementie), terwijl schade aan de witte stof vaak problemen met signaaloverdracht
veroorzaakt (zoals bij multiple sclerose).
Hersenletsel kan verschillende oorzaken hebben, afhankelijk van of het traumatisch of niet-
traumatisch is.
1. Traumatisch hersenletsel (THL)
Dit ontstaat door een externe kracht op de schedel, zoals:
Klappen of stoten tegen het hoofd (bijvoorbeeld bij een val of mishandeling).
Verkeersongevallen (botsingen, fietsongelukken, etc.).
Sportblessures (bijvoorbeeld bij contactsporten zoals voetbal of boksen).
Explosies of schokgolven (zoals bij militaire operaties).
2. Niet-traumatisch hersenletsel (NTHL)
Dit ontstaat door interne processen in het lichaam, zoals:
Beroerte (herseninfarct of hersenbloeding) – verstoorde bloedtoevoer naar de
hersenen.
Herseninfecties (zoals meningitis of encefalitis).
Zuurstoftekort (bijvoorbeeld door verdrinking of hartstilstand).
Tumoren in de hersenen.
Vergiftiging of drugs/alcoholmisbruik.
Aandoeningen zoals multiple sclerose (MS) of Alzheimer.
Gevolgen kunnen zijn: geheugen of planningsstoornissen, emotionele problemen zoals angst
of depressie, gedragsproblemen zoals apathie of impulsiviteit.
, Hoofdstuk 4
De komst van beeldvormende technieken, wat doet het?:
- Anatomie van hersenen onthullen: hersenstructuren en onderlinge verbindingen
- Biochemische processen onthullen: elektrische en metabolische activiteiten.
- Onthullen hoe verschillende hersensgebieden met elkaar in verbinding staan en
communiceren
Neuropsychologisch onderzoek en neuro-imaging worden gecombineerd om inzicht te
krijgen in de relatie tussen hersenstructuren en functies. Beeldvorming van de hersenen
gebeurt op twee manieren:
1. Structurele beeldvorming
- Structuur en anatomie
- Vaststellen van hersenletsel (bijv. hersenbloeding of tumor)
2. Functionele beeldvorming
- Activiteit en functie (neurobiologische processen)
- Vaststellen van metabole ziektes en afwijkingen op fijnere schaal (bijv. Alzheimer).
- Identificeren van relatie tussen hersengebieden en cognitieve processen.
Het verschil tussen functionele en structurele radiologische beeldvorming ligt in wat er in
beeld wordt gebracht:
Structurele beeldvorming → Laat de anatomie en fysieke structuur van het lichaam zien
(bijv. hersenen, botten, organen).
Functionele beeldvorming → Laat activiteit of werking van organen en weefsels zien, vaak
in real-time.
Bij beeldvorming wordt onderscheid gemaakt tussen spatiële resolutie (Dit verwijst naar de
mate van detail waarmee een beeldvormende techniek structuren in de hersenen kan
onderscheiden) en temporele resolutie (hoe snel hersenprocessen in de tijd worden
gemeten). Spatiele resolutie is bijvoorbeeld als je een specifiek gebied in de hersenen wilt
bestuderen en temporele resolutie is om de snelheid of de tijd van hersenprocessen te
meten.
Structurele radiologische beeldvorming
- CT-scan en MRI
- Structurele technieken zijn vooral van belang in de kliniek om pathologie (het
onderzoeken van ziekten, hun oorzaken, mechanismen en effecten op het lichaam)
in de hersenen zichtbaar te maken. Een hoge spatiele resolutie.
Een CT-scan (Computertomografie) is een medische beeldvormingstechniek die met
behulp van röntgenstraling gedetailleerde dwarsdoorsneden van het lichaam maakt. (plakjes)
Met behulp van een CT-scan kan afwijkende morfologie in kaart worden gebracht,
bijvoorbeeld atrofie (verlies van hersenweefsel) bij dementie, een lokale of gegeneraliseerde
zwelling na hersentrauma of een aangeboren afwijking.
- De meeste ziekte processen gaan gepaard met toename van het watergehalte van het
hersenweefsel.
- Hypodens: afwijkende hersenweefsel wordt donkerder aangegeven op de scan
- Hyperdens: bloed en kalk zijn wit
Een scan wordt vaak gebruikt om in een ziekenhuisopname snel een uitspraak te kunnen
doen, gaat het om een herseninfarct of hersenbloeding etc.