Het woord adolescentie wordt gebruikt voor de periode tussen de kinderjaren en de
volwassenheid. Leeftijd is geen criterium om de begin en eindtijd van adolescentie te definiëren.
Het begin van de adolescentie is gekoppeld aan de overgang van de kinderjaren naar
adolescentie, het eind is een overgang van de adolescentie naar volwassenheid.
Belangrijkste ontwikkelingstaak is volgens Erikson: Ontwikkelen van eigen identiteit.
- Reacties van de omgeving zoals ouders, vrienden spelen een belangrijke rol
- Ze willen zich erkend en herkend worden door de mensen om zich heen.
Jeugdstrafrecht in NL vanaf 12 en volwassenstrafrecht vanaf 18 jaar.
Emerging adulthood: verlengde adolescentie. Dit kan leiden tot een quarterlife crisis: waarin
jongeren rond de leeftijd 25 moeilijkheden ervaren bij het vinden van een plaats in de volwassen
wereld.
Emerging adulthood: Arnett
Age of identitiy exploration
Age of instability
Age of self-focus
Age of feeling in between
Age of possibilities
Transitional care: ‘jeugd’ wordt gedefinieerd als periode tussen 15 en 24 jaar. De leeftijd van 18
jaar wordt dan niet gehanteerd als scherpe grens.
Wanneer er voor praktische redenen toch leeftijdsgrenzen moeten worden aangegeven:
Vroege adolescentie: 10-13 jaar
Midden adolescentie: 14-18 jaar
Late adolescentie: 19-23 jaar
Het begrip puberteit heeft betrekking op het proces van geslachtsrijp worden. Als deze
veranderingen plaatsvinden treedt er veranderingen in gedrag en stemming: puberen.
Storm and Stress: adolescentie word gezien als een periode van grote emotionele beroering en
opstandigheid. Jongeren vertonen grote emotionele onrust, schommelige stemming, op
gespannen voet leven met ouders.
1. Conflicten met ouders
2. Stemmingswisselingen
3. Risicogedrag
Maar wanneer moeten we ons afvragen of deze problemen zouden kunnen duiden op een
stoornis in de ontwikkeling? Om dit te beantwoorden zijn er 3 aandachtspunten:
1. Is het eenmalig of langdurig?
2. Is het een symptoom van een stoornis?
3. Timing van het probleemgedrag. Wanneer ontstaat het?
Life course persistent: antisociaal of problematisch gedrag is al aanwezig vóór adolescentie
,Adolescence limited: antisociaal of problematisch gedrag alleen aanwezig vanaf en tijdens
adolescentie. Hier verdwijnt het gedrag na de adolescentie weer.
Wat een persoon voor de adolescentie meemaakt heeft invloed op het gedrag tijdens
adolescentie. Het verloop van de ontwikkeling word in grote mate bepaald door wat er in de
periode voorafgaand aan de adolescentie gebeurd.
Intra-individuele veranderingen: verwijzen naar de veranderingen die binnen een persoon
plaatsvinden over tijd. Dit kan gaan over fysieke, cognitieve, emotionele of gedragsmatige
ontwikkelingen. Bijvoorbeeld iemand leert beter omgaan met stress en emoties. Veranderingen
binnen een persoon.
Interindividuele verschillen: verschillen in het verloop van de ontwikkeling tussen
verschillende jongeren. Verschillen tussen jongeren. Bijvoorbeeld ene persoon ervaart meer
stress dan de ander.
Longitudinaal onderzoek: een vergelijking van verschillende individuen met zichzelf op
verschillende momenten van de levensloop door ze te volgen over de tijd. Dit is een methode
om verschillen die met leeftijd samenhangen op te sporen. Dus niet alleen op een moment
onderzoek doen maar over een lange tijd.
Fase: bepaalde gedragswijzen en attituden zijn typerend voor een bepaald niveau van de
ontwikkeling. En dat deze karakteristieken ontstaan in de loop van een proces met vaste een
volgorde.
Het ontwikkelproces wordt door verschillende factoren beïnvloed:
Ontwikkelingsperiode met ontwikkeltaken
- Vormen van eigen identiteit en bereiken van autonomie t.o.v. ouders
- Leren omgaan met innerlijke conflicten (bijvoorbeeld ambivalente gevoelens)
- Cognitief functioneren word verder vormgegeven (denken en morele vraagstukken)
Ontwikkelingstaken verwijzen naar de eisen en verwachtingen doe binnen een bepaalde cultuur
voor een bepaalde leeftijdsgroep geldt. Ontwikkelingstaken bouwen op elkaar voort: wat een
persoon geleerd heeft tijdens het ene ontwikkelingstaak heeft consequenties op de volgende
ontwikkelingstaken.
Ontwikkelingstaken:
- Positie tov ouders: minder afhankelijk worden van ouders
- Onderwijs of werk: kennis en vaardigheden, keuzes maken op het gebied van werk
- Vrije tijd: zinvol doorbrengen van tijd zonder verplichtingen
- Eigen woonsituatie: zorgdragen voor eigen kamer en spullen, huisgenoten
- Autoriteit en instanties: accepteren dat mensen boven je staan, binnen de lijnen
opkomen voor jezelf
- Gezondheid en uiterlijk: goed eten, goed drinken
- Sociale contacten en vriendschappen: contacten leggen en onderhouden
- Sociale media en internet: telefoon, computer, gevaren herkennen
- Intimiteit en seksualiteit: wensen en grenzen, wat is je seksualiteit
- Omgaan met cultuurverschillen: normen van verschillende culturen kennen
,Continuïteit: ontwikkeling gaat voort in de richting die er al lang in zit. Dus als het goed gaat dan
blijft het goed gaan en als het slecht gaat blijft het slecht gaan.
Discontinuïteit: met jongeren waarmee het tot een bepaald moment vrij goed ging, gaat het
ineens minder goed.
Plasticiteit: je kunnen aanpassen
Life events: bepaalde gebeurtenissen en ervaringen leveren een bijdrage aan de ontwikkeling
van jongeren.
Levenslooptrajecten: welke samenhang tussen gebeurtenissen is te traceren? Hoe groot is
bijvoorbeeld de kans dat vroegrijpe meisjes die een relatie aangaan, stoppen met school?
Acceleratie: een ongunstig verlopende gebeurtenis/leven zorgt ervoor dat jongeren sneller
ontwikkelingen (meestal negatief).
Ontwikkelingspsychopathologie: Gericht op condities waaronder stoornissen in de
ontwikkeling ontstaan, in stand blijven of verdwijnen, en op individuele verschillen in
aanpassing daarbij.
Persoon-omgeving interactie: kenmerken van persoon hangen samen met omgeving
1. Passieve interactie: invloed van de omgeving waar je niet veel aan kan veranderen, je
krijgt het door ouders.
2. Evocatieve interactie: individuele sociale interacties, gedrag van individu veroorzaakt
een reactie
3. Actieve interactie: jij als individu je omgeving zelf selecteren
Wetenschappelijke kennis over erfelijke invloeden komt door volgende methoden:
1. Observeren
2. Komt het gedrag voort bij kinderen met dezelfde ouders maar andere omgeving hebben?
3. Dieronderzoek
4. Moleculaire genetica, richt zich op de functie en structuur van genen.
Epigenetica: hoe de werking van genen kan veranderen bijvoorbeeld onder invloed van de
omgeving.
Methylering: genen kunnen aan en uitgezet worden.
Diathesis-stress model: jongeren met een bepaald temperament of karakter zijn extra vatbaar
voor negatieve omgevingsinvloeden.
Differential sucseptibility: is een theorie die stelt dat sommige mensen gevoeliger zijn voor
zowel positieve als negatieve omgevingsinvloeden dan anderen. Dit betekent dat dezelfde
omstandigheden (bijvoorbeeld stress of ondersteuning) verschillende effecten kunnen hebben,
afhankelijk van iemands genetische en biologische aanleg.
Mediatie: het effect van de omgeving op het gedrag van een jongere loopt via een omgeving.
Bijvoorbeeld gepest worden door leeftijdsgenoten leidt tot lage zelfwaardering, dit leidt weer tot
depressie en suïcidale gedachten.
Moderatie: er is moderatie in het samenspel tussen persoon en omgeving ALS de effecten van
de omgeving afhangen van persoonskenmerken (differential susceptibility).
, Transactionele modellen: mensen geven hun omgeving vorm, maar worden ook vormgegeven
door de omgeving.
Dynamisch interactionisme: Mensen geven hun eigen omgeving vorm, maar worden ook door
de omgeving vormgegeven. Dit wordt ook wel transactionele modellen genoemd.
Psychosociale ontwikkelingstheorie Eikson
Preschool
School age
Adolescence
Young adulthood
Middle adulthood
Cognitieve gedragstherapie
Systeemtherapie
Waar komt het probleem vandaan?
Is dit continue of discontinue?
Veranderingen binnen de adolescent zelf en in relatie tot diens omgeving:
1. Biologisch domein
2. Cognitief domein
3. Sociaal domein
4. Specifieke problemen