H1: Wat is sociale psychologie?
= wetenschappelijk onderzoek naar de manier waarop gedachten, gevoelens en gedragingen
worden beïnvloed door anderen
Twee delen
1) Psychologie: gaat over gedachten, gevoelens, gedrag
2) Sociaal: hoe wordt het beïnvloed door anderen
Zo onderscheid het zich van andere disciplines
Hoe kunnen anderen een invloed hebben?
o Fysiek aanwezig
o In gedachten aanwezig (bv. net ruzie gehad met kotgenoot)
o Geïmpliceerd zijn: normen en waarden die we mee hebben gekregen van thuis uit, bv.
hoe we in de les zitten, hoe we luisteren
= sociale imprint en normen die we hebben meegekregen
Wat is een voorbeeld van menselijk gedrag waaraan de sociale omgeving geen bijdrage heeft?
= eten, reflexen dromen, maar inhoud is gekleurd door wat je meemaakt in je dagelijks leven en
dat is erg gekleurd door anderen
Niets? Alles is sociaal gekleurd, of alleszins meer sociaal gekleurd dan dat we denken
Verschillende verklaringsniveaus
VOORBEELD: wie kies je voor een leidinggevende functie?
1) Intrapersoonlijk (persoon in context)
Gaat over verklaringen op individueel niveau, bv. stereotypen van een leidinggevende (mate
waarin je vind dat een leidinggevende bv. moet empathisch of dominant etc. moet zijn)
Stereotypes kome vaak op twee dimensies terecht: competentie en warmte, en mannen scoren
hoger op competentie, vrouwen op warmte dimensie => mannen worden zo vaker geselecteerd
in beroepen omdat ze daar vaak competentie zoeken
Glass escalator= mannen in de vrouwelijke leiderschapsrollen beetje afsteken: ze krijgen
positieve aandacht omdat ze er bovenuit komen
2) Interpersoonlijk (relaties)
Gaat over wat er gebeurd in relatie tot anderen, bv. wat zei je buurman terwijl je de beslissing
maakte? Hoe beïnvloed je buurman jou?
Interpersoonlijk/sociale relaties: als de omgeving de stereotypen relevant maakt/naar boven
brengt, zullen ze meer doorwegen in je oordeel,
1
,ONDERZOEK
o Bv. de voorzitter van de sollicitatiecommissie heeft net een seksistische opmerking
gemaakt/stereotype activeert over vrouwelijke sollicitant
o Deelnemers kregen een transcript te lezen van jobinterview
• In dat transcript staat een opmerking van interviewer
• Geen gemene opmerking, maar impliceert dat de vrouw zwakker is
o Resultaten: of die opmerking je oordeel gaat beïnvloeden, hangt af van het beeld dat je
hebt van de interviewer
• Positief beeld: sollicitant als minder competent en minder geschikt ervaren
• Negatief beeld: als je dat stoort zo’n opmerking, is de kans
kleiner dat je je denkt dat sollicitant incompetent is
o Door onderzoeken die er gebeurd zijn, zijn organisaties zich wel
meer bewust van dat dit speelt
3) Positioneel
Heeft betrekking op de bredere context, samenstelling van groepen/compositie van de groep
heeft een invloed op een beslissing, bv. bedrijf met oudere mensen: dan wordt de beslissing
beïnvloed door het feit dat er veel ouderen zijn en sneller een oudere word aangenomen
Over welke soort job gaat het, bv. met jonge werknemers => zou kunnen dat ouderen afhaken of
minder geselecteerd worden, maar omgekeerde kan ook waar zijn en mensen aannemen met
een ander profiel
4) Ideologisch (cultureel)
Over hoe men in de samenleving denkt over bepaalde dingen, bv. in de VS discours rond
vrouwenrechten
Ideologisch: positie van vrouwen beter in samenleving met minder seksistische ideologie
o Seksistische ideologie?
• Vijandig seksisme: negatieve denkbeelden over vrouwen
• Welwillend seksisme: positieve denkbeelden maar die toch impliciet weergeven
dat vrouwen minder competent zijn
• In onderzoek vind men dat ze positief gecorreleerd zijn: als iemand meer akkoord
gaat met het ene, ze ook meer akkoord gaan met andere
o Twee maten voor positie van vrouwen
• Gender empowerment: deelname aan economie en politiek
• Gender delevopment: verschillen in gezondheid, scholing, levensstandaard
OEFENING: op welk verklaringsniveau?
o Studie met (1) meting vijandig seksisme en (2) CV beoordelen
o Intrapersoonlijk: het gaat om stereotypen, en je ziet dat de individuele deelnemers iets
gaan invullen over het vijandig seksisme (mate waarin zij die stereotypen onderscheiden)
als je voor een aantal landen gaat kijken naar de correlatie zitten we op het
ideologisch niveau
2
,Al deze niveaus van verklaring zijn waar, en ook relevant.
Reductionisme=als je probeert het hele fenomeen terug te brengen tot één enkel niveau van
verklaring
OEFENING: radicalisering online en op jonge leeftijd (13j)
o Hoe zou je het fenomeen van radicalisering bestuderen vanuit een sociaal
psychologische blik?
o Bedenk 1 onderzoeksvraag die je zou willen onderzoeken, op 1 verklaringsniveau
• Bv. sluiten bepaalde meisjes meer aan bij groepen?
Sociale psychologie gaat over sociale invloed op gevoelens, gedachten en gedrag
=> vooral gebruik gemaakt van experimentele methode, want dat is het enige dat causaliteit kan
aantonen, MAAR sommige dingen zijn moeilijk te manipuleren
Overzicht methoden sociale psychologie
1) Experimenten
Wat is belangrijk hierbij?
o OV: proberen we te manipuleren => zo krijgen we meerdere condities; die worden afgezet
tegen een andere neutrale conditie
o AV: hetgeen we meten
o Onderzoek: “worden mensen hulpvaardiger als ze zich goed voelen?”
o Significant effect
VOORBEELD
o Worden mensen hulpvaardiger als ze zich goed voelen?
o Manipulatie: compliment of kritiek geven
o AV: Hoeveel papieren rapen vrouwelijke psychologiestudenten op als een medewerker
een hele map vol papieren laat vallen bij het langslopen?
o Resultaat: degene die compliment hadden gekregen, gingen meer papieren oprapen
Interne validiteit= in hoeverre kan je wat je hebt gemeten toeschrijven aan de OV?
Is dat hier goed? Hier hebben ze geen controleconditie gebruikt, enkel eentje met compliment
en kritiek => zouden dat tegen elkaar moeten opwegen
of bij het operationaliseren: is die kritiek geven wel een goede meting van je variabele?
of toevallig indelen van de groepen, zijn alle groepen hetzelfde?
Externe validiteit= mate waarin resultaten kunnen worden gegeneraliseerd en toegepast in
andere contexten, bv. resultaten vrouwelijke psychologiestudenten te veralgemenen naar
doelpopulatie? En zou hetzelfde gebeuren in een dagelijkse situatie? (t.o.v. iemand die je kent)
=> Belang van replicatie!
3
, Laboratoriumexperimenten
o Over het algemeen:
• Experimenten een hoge interne validiteit, maar lage externe validiteit
• Hoe verbeteren? nadenken over zaken die in het dagelijks leven voorkomen
o Gevaar voor reductionisme
o Kans op demand karakteristieken, beperking van spontaan gedrag
o Bv. zimbardo-experiment
Veldexperimenten
o Lagere interne, hoge externe validiteit
o Minder controle op storende factoren
o Gevaar van antwoordtendensen
o Bv. jeugdkamp Sherif
o Bv. CILS volgorde vragenlijsten
2) Survey onderzoek
Ervaring in reële situaties, bv. discriminatie ervaringen van moslims in # Europese steden: in
welke mate ervaren zij discriminatie en in hoeverre is dat op grond van hun religie?
Discriminatie, gender en religie zijn niet zomaar te manipuleren => ervaring, voorlopers en
gevolgen van reële situaties onderzoeken
in een correlationeel verband
‘controleren voor’ storende variabelen
3) Archiefonderzoek
Onderzoek naar culturele producten of naar maatschappelijke ontwikkelingen
o Of culturele producten samenhangen met gedrag, bv. vormen/weerspiegelen
kinderboeken het emotionele repertoire? (Boiger et al., 2013)
o Of ontwikkelingen op grotere schaal samenhangen met gedrag, Bv. Hangt
inkomensherverdeling samen met geluk? (Oishi et al., 2014)
Dit laat toe de buitenste schil (reële sociale context) te bestuderen & mogelijke invloed ervan op
mensen
Relatie tussen inkomensongelijkheid en geluk
o Negatief verband tussen inkomen en geluk
o Gekeken naar Gini-coëfficiënt
o Naarmate de coëfficiënt hoger is, is er meer ongelijkheid
o Algemene maat voor tevredenheid met je leven
4