WOORDENLIJST TIJD EN SAMENLEVING
OUDSTE TIJD
Australopithecus Een mensachtige die al op 2 benen
kon lopen en vooral leefden op de
grond. De bekendste is Lucy, dit skelet
werd opgegraven in Ethiopië.
Homo Habilis “De handige mens”. De eerste
mensensoort. Deze soort maakte
gereedschappen en had een
primitieve vorm van spraak.
Homo Erectus “De rechtoplopende mens” Grotere
hersenen dan de voorgangers en
daarom grotere behoefte aan (dierlijk)
voedsel. Gebruikte als eerste vuur.
Homo Heidelbergensis Een belangrijke evolutionaire schakel
in het onstaan van de mens. Deze
soort was een meester in het maken
van werktuigen en een hele goede
jager. Kon plannen, vooruitdenken en
gebruikte een hoog niveau van taal.
Homo Neanderthalensis Deelt 99,7% DNA en leefden tegelijk
= Neanderthaler met de Homo Sapiens. Grotere
herseninhoud dan de onze.
Ondertussen volledig verdwenen.
Homo Sapiens “Wij”. Deze soort verspreidde zich
over de hele planeet.
Nomaden Mensen zonder vaste verblijfplaats. Ze
= jager-verzamelaars leefden in tijdelijke kampen en trokken
de hele tijd rond.
De jager-verzamelaarsgroepen Binnen deze groepen werkten enkele
gezinnnen samen (+-25p) om eten te
vinden. De taken werden binnen deze
groep gelijk verdeeld. De mannen
maakten werktuigen, gingen op jacht
en waren de beschermers en
verdedigers van de groep. De vrouwen
verzamelden vruchten, planeten,… en
zorgen voor de kinderen.
Vuursteen Dit werd gebruikt door de Homo
= silex Sapiens, vooral aan het oppervlak,
daarna ook de winning van vuursteen.
Bola Een slingerwaper van aan mekaar
gebonden stenen
Holbewoners Deze term is een misvatting en
bestond vroeger dus niet echt. Men
heeft nooit in die grotten gewoond
omdat dit te gevaarlijk was.
Agrarische revolutie De tijd waarbij men rondreisde en
= Neolitische revolutie geen verblijf had is voorbij. Ze
vestigen zich nu op 1 plek en
beginnen aan de eigen
, voedselproductie (landbouw).
Sedentarisatie Dit is een belangrijke factor van de
landbouwsamenleving.
De bevolking blijft op 1 plek wonen,
daardoor moeten ze hun eigen
voedsel voorzien.
Domesticatie Dit is een belangrijke factor van de
landbouwsamenleving.
In deze samenlevingsvorm is men niet
meer afhankelijk van wilde dieren of
planten. Ze maken de dieren of
planten tam.
Hiërogliefen Het schrift dat de oude Egyptenaren
gebruikten om hun taal op te
schrijven. (Geen letters, maar
verschillende tekens.)
Kunnen we lezen dankzij de
steen van Rosetta
Farao De bovenste toplaag en leider van de
Egyptische maatschappij.
OUDHEID
Polis Een stad (en het omliggende
= stadstaten platteland) dat functioneerde als een
zelfstandige gemeenschap met een
eigen bestuur, wetten en leger.
Acropolis Een hogere burch. Het versterkte,
hoger gelegen deel van een Griekse
stadstaat
Agora Het centrale plein, gelegen aan de
voet van de acropolis, waar burgers
samenkwamen om handel te drijven,
politieke vergaderingen te houden en
nieuws uit te wisselen.
Autonomie Zelfbestuur
De stadstaat wordt gekenmerkt door
het zelf kunnen besturen van de stad.
Autarkie Economische zelfstandigheid
De stadstaat wordt ten tweede
gekenmerkt door het niet afhankelijk
zijn van anderen. Bv: het hebben van
een eigen munt.
Oligarchie Alle macht is in handen van een kleine
groep mensen -> Sparta
Democratie De wil en macht ligt niet bij 1 persoon
of groep, maar de wil van de
meerderheid van de bevolking is
doorslaggevend -> Athene.
Demagogen Redenaars die als beroepspolitieker de
massa in de gewenste richting konden
leiden.
Zeus De oppergod die almachtig en
alwetend is. De koning van alle Goden.
OUDSTE TIJD
Australopithecus Een mensachtige die al op 2 benen
kon lopen en vooral leefden op de
grond. De bekendste is Lucy, dit skelet
werd opgegraven in Ethiopië.
Homo Habilis “De handige mens”. De eerste
mensensoort. Deze soort maakte
gereedschappen en had een
primitieve vorm van spraak.
Homo Erectus “De rechtoplopende mens” Grotere
hersenen dan de voorgangers en
daarom grotere behoefte aan (dierlijk)
voedsel. Gebruikte als eerste vuur.
Homo Heidelbergensis Een belangrijke evolutionaire schakel
in het onstaan van de mens. Deze
soort was een meester in het maken
van werktuigen en een hele goede
jager. Kon plannen, vooruitdenken en
gebruikte een hoog niveau van taal.
Homo Neanderthalensis Deelt 99,7% DNA en leefden tegelijk
= Neanderthaler met de Homo Sapiens. Grotere
herseninhoud dan de onze.
Ondertussen volledig verdwenen.
Homo Sapiens “Wij”. Deze soort verspreidde zich
over de hele planeet.
Nomaden Mensen zonder vaste verblijfplaats. Ze
= jager-verzamelaars leefden in tijdelijke kampen en trokken
de hele tijd rond.
De jager-verzamelaarsgroepen Binnen deze groepen werkten enkele
gezinnnen samen (+-25p) om eten te
vinden. De taken werden binnen deze
groep gelijk verdeeld. De mannen
maakten werktuigen, gingen op jacht
en waren de beschermers en
verdedigers van de groep. De vrouwen
verzamelden vruchten, planeten,… en
zorgen voor de kinderen.
Vuursteen Dit werd gebruikt door de Homo
= silex Sapiens, vooral aan het oppervlak,
daarna ook de winning van vuursteen.
Bola Een slingerwaper van aan mekaar
gebonden stenen
Holbewoners Deze term is een misvatting en
bestond vroeger dus niet echt. Men
heeft nooit in die grotten gewoond
omdat dit te gevaarlijk was.
Agrarische revolutie De tijd waarbij men rondreisde en
= Neolitische revolutie geen verblijf had is voorbij. Ze
vestigen zich nu op 1 plek en
beginnen aan de eigen
, voedselproductie (landbouw).
Sedentarisatie Dit is een belangrijke factor van de
landbouwsamenleving.
De bevolking blijft op 1 plek wonen,
daardoor moeten ze hun eigen
voedsel voorzien.
Domesticatie Dit is een belangrijke factor van de
landbouwsamenleving.
In deze samenlevingsvorm is men niet
meer afhankelijk van wilde dieren of
planten. Ze maken de dieren of
planten tam.
Hiërogliefen Het schrift dat de oude Egyptenaren
gebruikten om hun taal op te
schrijven. (Geen letters, maar
verschillende tekens.)
Kunnen we lezen dankzij de
steen van Rosetta
Farao De bovenste toplaag en leider van de
Egyptische maatschappij.
OUDHEID
Polis Een stad (en het omliggende
= stadstaten platteland) dat functioneerde als een
zelfstandige gemeenschap met een
eigen bestuur, wetten en leger.
Acropolis Een hogere burch. Het versterkte,
hoger gelegen deel van een Griekse
stadstaat
Agora Het centrale plein, gelegen aan de
voet van de acropolis, waar burgers
samenkwamen om handel te drijven,
politieke vergaderingen te houden en
nieuws uit te wisselen.
Autonomie Zelfbestuur
De stadstaat wordt gekenmerkt door
het zelf kunnen besturen van de stad.
Autarkie Economische zelfstandigheid
De stadstaat wordt ten tweede
gekenmerkt door het niet afhankelijk
zijn van anderen. Bv: het hebben van
een eigen munt.
Oligarchie Alle macht is in handen van een kleine
groep mensen -> Sparta
Democratie De wil en macht ligt niet bij 1 persoon
of groep, maar de wil van de
meerderheid van de bevolking is
doorslaggevend -> Athene.
Demagogen Redenaars die als beroepspolitieker de
massa in de gewenste richting konden
leiden.
Zeus De oppergod die almachtig en
alwetend is. De koning van alle Goden.