Beleidsinstrumenten
HOOFDSTUK 1: RUIMTELIJKE PLANNING
1. Inleiding
Ruimtelijke ordening is een aanslag op het eigendomsrecht. Ruimtelijke ordening moet derhalve
gelegitimeerd worden. Men kan verwijzen naar het algemeen belang of mensen inspraak geven.
1.1 Begrippenkader
Ruimte en ruimtelijke kwaliteit
Ruimte: De omgeving waarin de mens leeft en werkt en waarin natuur aanwezig is, een totaliteit. De
mens heeft behoefte aan plekken om activiteiten te doen en bepaald zo sterk de ruimte. De ruimte
heeft een structuur, samenhangende onderdelen die deel zijn van grotere gehelen.
Ruimtelijke kwaliteit: Steunt op relatie mens–ruimte. Waarde die wordt gehecht in een ruimere
context. Ideaal streefdoel. Een positieve herwaardering voor de ruimte economische meerwaarde
nu (gebruikswaarde) en in de toekomst (toekomstwaarde). Beleving van de ruimte
(belevingswaarde) is fundamenteel, wel sterk door context en de betrokken actoren bepaald.
Ruimtelijke structuur: De samenhang tussen ruimtelijke elementen en activiteiten. Het resultaat van
sociaaleconomische processen die op een morfologische drager ingrijpen. Komt voor op alle niveaus.
Sterke relatie met ruimtelijke kwaliteit en ruimtelijke draagkracht.
Structuurbepalende elementen: Elementen die de hoofdlijnen van de ruimtelijke structuur van het
betrokken niveau beschrijven. Bv. gemeente: historische kern, concentraties van lokale activiteiten…
Ruimtelijk samenhangend geheel: Specifieke verschijningsvorm en ruimtelijke structuur, afwijkend
van de omgeving Eigenheid die duidelijk in de ruimte te lokaliseren is.
Ruimtelijke planning en ruimtelijk beleid
Ruimtelijke planning: Planmatig denken om een goede ruimtelijke structuur te creëren door
grondige analyse van de bestaande situatie om tot een verantwoorde visie als basis van een
kwalitatief beleid te komen. Democratische aanpak en ruim overleg.
Ruimtelijk beleid: Resultaat van de ruimtelijke planning. Basisvisie voor goed ruimtelijk beleid op
korte en lange termijn: zuinigheid in het gebruik van ruimte, de draagkracht van de ruimte als norm
en bewaken van de ruimtelijke kwaliteit.
Ruimtelijke ordening: Het fysisch resultaat van ruimtelijk beleid. Omvat het organiseren en uitvoeren
van de beleidsbeslissingen.
Stedenbouw: Bakent de ruimtelijke voorwaarden af waarbinnen architecturale bouwprogramma’s
verwezenlijkt kunnen worden.
Ruimtelijk beleid en andere beleidsdomeinen
Oplossingen moeten via een geïntegreerde aanpak samen met andere beleidsdomeinen gevonden
worden. Ruimtelijke planning maakt het wel mogelijk om de complexe realiteit op een
gestructureerde manier te benaderen.
1
,1.2 De evolutie van onze ruimte
Vlaanderen vroeger: Dorpen en steden omgeven door platteland. Nog niet veel lintbebouwing,
verspreide bewoning en zonevreemde industrie.
Na WO2: Economische en culturele grenzen open nieuwe invloeden tot op lokaal niveau Nieuwe
functionele landschappen. Havencomplexen, industrie parken en grote commerciële centra en linten
groeien. Ook nieuwe alleenstaande woningen in het groen met hiervoor enorm uitgebreide
verkeersinfrastructuur.
Netwerk van herkenbare kernen Diffuse nevel met verspreide woningbouw, meestal alleen met
de wagen te bereiken.
Vroeger koos een bedrijf een plek op lokale criteria Grote lokale binding.
Globalisering van de economie Productie kan overal waar goedkope arbeid en grondstoffen zijn.
Culturele individualisering Iedereen knutselt zijn eigen leefwereld bij elkaar.
Gezinsverdunning,, grote keuze van woon en werkplaats, vervoer …
Overheid heeft hier weinig vat op.
Alsmaar meer gezinnen
De bevolkingsgroei sinds 1970 is 7%. Groei van het aantal huishoudens is 33%. Komt door de trend
van gezinsverdunning, steeds minder kinderen per gezin.
Niet enkel meer wooneenheden, maar ook andere. Vooral voor kleine gezinnen en ouderen.
Vlaamse ruit (Antwerpen – Brussel – Gent – Leuven) heeft de grootste bevolkingsdichtheid > Parijs.
Het wonen maakt zich los van stad en dorp
Vanaf jaren ’50-’60: Wonen komt los van stads- en dorpskernen en verspreid zich over open ruimte.
Zoveel dat stadskernen uitholden = desurbanisatie.
Beleid vd steden gaf voorkeur aan kantoren, wegen en winkels.
Beleid van overheid + projectontwikkelaars moedigde stadsvlucht aan.
Kleinhandel verhuisd ook naar de rand van de steden.
Ruimte wordt opgesplitst Gefragmenteerde steden. Bv. Gebied tussen Antwerpen en Brussel.
De toegenomen mobiliteit
Jaren ’60: opmars van de auto Belangrijk voor ruimtelijke ontwikkeling vd laatste 50 jaar.
Overheid speelde hierop in: voorzieningen, activiteiten en diensten konden nu overal (ziekenhuizen,
shoppingcentra, bioscopen, expo’s, pretparken), gingen naar periferie van steden. Grote subsidiëring
voor infrastructuur van woon-werkverkeer. Openbaar vervoer kon niet mee. Stedelijk weefsel werd
aan de auto aangepast.
Het verkeer nam toe want auto werd nodig om overal te raken Verkeersonveiligheid en files.
Historische stadskernen verandert: veel openbaar vervoer, ludieke en toeristische functies vinden er
plaats. Traditionele stedelijke functies naar de periferie, want moet bereikbaar zijn met auto.
Vlaanderen heeft het dichtste wegennet van heel de EU. 4,2km per m².
2
, Lintbebouwing
In sommige streken al op Ferraris-kaarten. Maar de schaal van de groei nu veel groter .
Bebouwing groeit in Vlaanderen voornamelijk langs de wegen aan door goedkope bouwgrond
Steden en gehuchten groeien aan elkaar.
Vanaf jaren ’80 kleinhandel en KMO’s aan gemeente- en gewestwegen Commerciële linten Nu
ook langs autosnelwegen door infrastructuur en bereikbaarheid en om opgemerkt te worden.
De open ruimte als overloop voor stedelijke functies
Wonen, stedelijke en economische activiteiten en recreatie naar open ruimte ten nadele van
landbouw en natuur. Grote landschappelijke complexen zijn nu kleine stukjes (kust, kempen,
natuurreservaten).
Ook bedrijven naar de open ruimte. Eind jaren ’60 middelen hiervoor vrijgemaakt
Veel bedrijventerreinen en havenontwikkeling.
De transformatie van het landschap door de landbouw
Na WO2 economische groei Schaalvergroting, intensivering en doorgedreven economische
bedrijfslogica. Vlaamse landbouw een vd productiefste en modernste in EU.
MAAR gevarieerde cultuurlandschappen met kleine landschapselementen moet plaats maken voor
schrale ruilverkaveling. Nu veel grootschalige elementen in het landschap (serres, grote stallen…)
1.3 Grote problemen en grote potenties van onze
ruimte Spreiding van de bebouwing
Als een terrein van een eigenaar naast een weg lag werd dit bouwgrond, ongeacht de relatie met
wonen en landschap. De restruimten ertussen door verkavelaars en bouwpromotors aangesproken.
Bedreiging op openbare ruimte
Stadsvlucht van kapitaalkrachtige gezinnen naar onbebouwde ruimten. Sociaal lager klasse nam hun
plaats in (ouderen en allochtonen). Zij moeten opdraaien voor financiering van de stedelijke functies,
die voornamelijk door stadsvluchters gebruikt worden. Zonder investeringen leegstand en
verloedering van stadskernen. Sociale segregatie
Antwoord: Gedeconcentreerde bundeling. Nieuwe woningen waar al wonen is, bedrijven bij
bedrijven. Resterende niet-bebouwde ruimte open houden + Heropleving woonkernen en
betaalbare diensten
Uitgebreide infrastructuur en onderbezette voorzieningen
Versnippering is duur door (nuts)voorzieningen en diensten. Openbaar vervoer op zo’n plekken bijna
onbetaalbaar.
Antwoord: ook hier bundeling.
Natuurlijke en landschappelijke elementen gaan teloor
Dichte verkeersinfrastructuur en bebouwing versnipperde open ruimte met barrières.
Verlies aan waardevolle landschappen en patrimonium + hoge behoeften aan bossen en groen.
Antwoord: ook hier bundeling.
3
HOOFDSTUK 1: RUIMTELIJKE PLANNING
1. Inleiding
Ruimtelijke ordening is een aanslag op het eigendomsrecht. Ruimtelijke ordening moet derhalve
gelegitimeerd worden. Men kan verwijzen naar het algemeen belang of mensen inspraak geven.
1.1 Begrippenkader
Ruimte en ruimtelijke kwaliteit
Ruimte: De omgeving waarin de mens leeft en werkt en waarin natuur aanwezig is, een totaliteit. De
mens heeft behoefte aan plekken om activiteiten te doen en bepaald zo sterk de ruimte. De ruimte
heeft een structuur, samenhangende onderdelen die deel zijn van grotere gehelen.
Ruimtelijke kwaliteit: Steunt op relatie mens–ruimte. Waarde die wordt gehecht in een ruimere
context. Ideaal streefdoel. Een positieve herwaardering voor de ruimte economische meerwaarde
nu (gebruikswaarde) en in de toekomst (toekomstwaarde). Beleving van de ruimte
(belevingswaarde) is fundamenteel, wel sterk door context en de betrokken actoren bepaald.
Ruimtelijke structuur: De samenhang tussen ruimtelijke elementen en activiteiten. Het resultaat van
sociaaleconomische processen die op een morfologische drager ingrijpen. Komt voor op alle niveaus.
Sterke relatie met ruimtelijke kwaliteit en ruimtelijke draagkracht.
Structuurbepalende elementen: Elementen die de hoofdlijnen van de ruimtelijke structuur van het
betrokken niveau beschrijven. Bv. gemeente: historische kern, concentraties van lokale activiteiten…
Ruimtelijk samenhangend geheel: Specifieke verschijningsvorm en ruimtelijke structuur, afwijkend
van de omgeving Eigenheid die duidelijk in de ruimte te lokaliseren is.
Ruimtelijke planning en ruimtelijk beleid
Ruimtelijke planning: Planmatig denken om een goede ruimtelijke structuur te creëren door
grondige analyse van de bestaande situatie om tot een verantwoorde visie als basis van een
kwalitatief beleid te komen. Democratische aanpak en ruim overleg.
Ruimtelijk beleid: Resultaat van de ruimtelijke planning. Basisvisie voor goed ruimtelijk beleid op
korte en lange termijn: zuinigheid in het gebruik van ruimte, de draagkracht van de ruimte als norm
en bewaken van de ruimtelijke kwaliteit.
Ruimtelijke ordening: Het fysisch resultaat van ruimtelijk beleid. Omvat het organiseren en uitvoeren
van de beleidsbeslissingen.
Stedenbouw: Bakent de ruimtelijke voorwaarden af waarbinnen architecturale bouwprogramma’s
verwezenlijkt kunnen worden.
Ruimtelijk beleid en andere beleidsdomeinen
Oplossingen moeten via een geïntegreerde aanpak samen met andere beleidsdomeinen gevonden
worden. Ruimtelijke planning maakt het wel mogelijk om de complexe realiteit op een
gestructureerde manier te benaderen.
1
,1.2 De evolutie van onze ruimte
Vlaanderen vroeger: Dorpen en steden omgeven door platteland. Nog niet veel lintbebouwing,
verspreide bewoning en zonevreemde industrie.
Na WO2: Economische en culturele grenzen open nieuwe invloeden tot op lokaal niveau Nieuwe
functionele landschappen. Havencomplexen, industrie parken en grote commerciële centra en linten
groeien. Ook nieuwe alleenstaande woningen in het groen met hiervoor enorm uitgebreide
verkeersinfrastructuur.
Netwerk van herkenbare kernen Diffuse nevel met verspreide woningbouw, meestal alleen met
de wagen te bereiken.
Vroeger koos een bedrijf een plek op lokale criteria Grote lokale binding.
Globalisering van de economie Productie kan overal waar goedkope arbeid en grondstoffen zijn.
Culturele individualisering Iedereen knutselt zijn eigen leefwereld bij elkaar.
Gezinsverdunning,, grote keuze van woon en werkplaats, vervoer …
Overheid heeft hier weinig vat op.
Alsmaar meer gezinnen
De bevolkingsgroei sinds 1970 is 7%. Groei van het aantal huishoudens is 33%. Komt door de trend
van gezinsverdunning, steeds minder kinderen per gezin.
Niet enkel meer wooneenheden, maar ook andere. Vooral voor kleine gezinnen en ouderen.
Vlaamse ruit (Antwerpen – Brussel – Gent – Leuven) heeft de grootste bevolkingsdichtheid > Parijs.
Het wonen maakt zich los van stad en dorp
Vanaf jaren ’50-’60: Wonen komt los van stads- en dorpskernen en verspreid zich over open ruimte.
Zoveel dat stadskernen uitholden = desurbanisatie.
Beleid vd steden gaf voorkeur aan kantoren, wegen en winkels.
Beleid van overheid + projectontwikkelaars moedigde stadsvlucht aan.
Kleinhandel verhuisd ook naar de rand van de steden.
Ruimte wordt opgesplitst Gefragmenteerde steden. Bv. Gebied tussen Antwerpen en Brussel.
De toegenomen mobiliteit
Jaren ’60: opmars van de auto Belangrijk voor ruimtelijke ontwikkeling vd laatste 50 jaar.
Overheid speelde hierop in: voorzieningen, activiteiten en diensten konden nu overal (ziekenhuizen,
shoppingcentra, bioscopen, expo’s, pretparken), gingen naar periferie van steden. Grote subsidiëring
voor infrastructuur van woon-werkverkeer. Openbaar vervoer kon niet mee. Stedelijk weefsel werd
aan de auto aangepast.
Het verkeer nam toe want auto werd nodig om overal te raken Verkeersonveiligheid en files.
Historische stadskernen verandert: veel openbaar vervoer, ludieke en toeristische functies vinden er
plaats. Traditionele stedelijke functies naar de periferie, want moet bereikbaar zijn met auto.
Vlaanderen heeft het dichtste wegennet van heel de EU. 4,2km per m².
2
, Lintbebouwing
In sommige streken al op Ferraris-kaarten. Maar de schaal van de groei nu veel groter .
Bebouwing groeit in Vlaanderen voornamelijk langs de wegen aan door goedkope bouwgrond
Steden en gehuchten groeien aan elkaar.
Vanaf jaren ’80 kleinhandel en KMO’s aan gemeente- en gewestwegen Commerciële linten Nu
ook langs autosnelwegen door infrastructuur en bereikbaarheid en om opgemerkt te worden.
De open ruimte als overloop voor stedelijke functies
Wonen, stedelijke en economische activiteiten en recreatie naar open ruimte ten nadele van
landbouw en natuur. Grote landschappelijke complexen zijn nu kleine stukjes (kust, kempen,
natuurreservaten).
Ook bedrijven naar de open ruimte. Eind jaren ’60 middelen hiervoor vrijgemaakt
Veel bedrijventerreinen en havenontwikkeling.
De transformatie van het landschap door de landbouw
Na WO2 economische groei Schaalvergroting, intensivering en doorgedreven economische
bedrijfslogica. Vlaamse landbouw een vd productiefste en modernste in EU.
MAAR gevarieerde cultuurlandschappen met kleine landschapselementen moet plaats maken voor
schrale ruilverkaveling. Nu veel grootschalige elementen in het landschap (serres, grote stallen…)
1.3 Grote problemen en grote potenties van onze
ruimte Spreiding van de bebouwing
Als een terrein van een eigenaar naast een weg lag werd dit bouwgrond, ongeacht de relatie met
wonen en landschap. De restruimten ertussen door verkavelaars en bouwpromotors aangesproken.
Bedreiging op openbare ruimte
Stadsvlucht van kapitaalkrachtige gezinnen naar onbebouwde ruimten. Sociaal lager klasse nam hun
plaats in (ouderen en allochtonen). Zij moeten opdraaien voor financiering van de stedelijke functies,
die voornamelijk door stadsvluchters gebruikt worden. Zonder investeringen leegstand en
verloedering van stadskernen. Sociale segregatie
Antwoord: Gedeconcentreerde bundeling. Nieuwe woningen waar al wonen is, bedrijven bij
bedrijven. Resterende niet-bebouwde ruimte open houden + Heropleving woonkernen en
betaalbare diensten
Uitgebreide infrastructuur en onderbezette voorzieningen
Versnippering is duur door (nuts)voorzieningen en diensten. Openbaar vervoer op zo’n plekken bijna
onbetaalbaar.
Antwoord: ook hier bundeling.
Natuurlijke en landschappelijke elementen gaan teloor
Dichte verkeersinfrastructuur en bebouwing versnipperde open ruimte met barrières.
Verlies aan waardevolle landschappen en patrimonium + hoge behoeften aan bossen en groen.
Antwoord: ook hier bundeling.
3