Samenvatting moleculaire en algemene genetica Commented [LL1]: Met cursus bij
Hoofdstuk 1: inleidende en algemene aspecten van genetica
1.1 Inleiding - Historiek
Fenotype = alle uiterlijke kenmerken
Pre-mendeliaanse erfelijkheidsleer: soortgelijk brengt soortgelijk voort
Vb. witte hond x witte hond witte hond
Pangenesis = oude theorie van ongeveer 2500 jaar geleden (theorie van Hypocrates)
Al de verschillende ‘onderdelen’ / lichaamsdelen bestaan uit gemmules die de
eigenschappen omvatten
Die gemmules komen samen in een gonade, die gameten vormen
Evolutietheorie van Lamarck
Volledig gebaseerd op pangenesis theorie
Vb. giraffen die steeds hun nek moeten strekken om te eten, krijgen een langere nek
doorheen de evolutie
Epigenetica
Deze vorm van overerving staat boven de klassieke vorm van overerving
,1.2 Algemene begrippen van de erfelijkheidsleer of genetica
Grote misvattingen over genetica
Overerving van verworven karakteristieken
Versmelting van kenmerken
o Intermediaire kenmerken kunnen ook terug de oorspronkelijke kenmerken geven
in de volgende generatie
o !!! niet hetzelfde als intermediaire overerving (eerst beschrevend oor Bateson) !!!
Genetica = studie van de overerving van gelijkenissen (diermodellen, klonen) en verschillen
(identificatie, gendefecten)
Overerving van kenmerken
Variatie van kenmerken
Fenotypische kenmerken: 2 grote groepen
Monogenisch: bepaald door 1 gen
o Ongeveer 1/3de van de fenotypische kenmerken
o Vertonen discontinue variatie (zwart-wit principe, wel of niet aanwezig)
o Geen milieu-invloeden
Bestuderen in kwalitatieve genetica
Polygenisch: bepaald door meerdere genen (tot honderduizenden genen) =
multifactoriële kenmerken
o Continue variatie (kan vaak door een getal uitgedrukt worden
o Vaak milieu-invloeden
o Vb lichaamsgewicht, lichaamsgrootte,
o ! erfelijke ziektes behoren vaak tot deze groep
Vb heupdysplasie: gemiddeld 20-30 genen, milieu-invloeden: ras
,training, …
Kwantitatieve genetica
3 subdisciplines binnen genetica
Transmissiegenetica = klassieke of algemene genetica
o Basisprincipes van erfelijkheid
o Geeft beschrijving en verklaring voor doorgeven van kenmerken over generaties
Moleculaire genetica
o Chemische natuur van genen
o Cellulaire processen van vermeerderen en vertalen van genetische informatie
Populatiegenetica
o Onderzoekt genetische samenstelling en veranderingen in samenstelling van
groepen in relatie tot tijd en plaats
Recentere subdisciplines
o Immunogenetica: erfelijke aspecten immuunsysteem
o Farmacogenetica: invloed genetische achtergrond individu op werking
geneesmiddel
o Nutrigenomics: farmacogenetica waarbij ook voedingsstoffen in rekening
gebracht worden
,1.3 Grondslagen van genetica
1.3.1 De wetten van Mendel
Mendel
Grondlegger van genetica
Begon met eenvoudige kruisexperimenten met erwten die slecht voor 1 kenmerk
verschilde = momnohybridisme
o Veel uniforme, fokzuivere variëteiten binnen de erwten beschikbaar
(zelfbestuiving)
o Makkelijk te kweken, korte generatieduur
o Rassen onderling gemakkelijk te kruisen
o Kruisingen leveren vruchtbare dochterplanten op
o Veel nakomelingen statistische analyse
Erwtenexperiment
Mendel keek naar 7 kenmerken vb. lange / korte stengel
P = parentes = oudergeneratie
F1= filiale 1 = dochtergeneratie 1
F2= filiale 2 = dochtergeneratie 2
Bevindingen
o Lange stengel x korte stengel = lange stengel
o Lange stengel x lange stengel (generatie hierboven) = ¾ lange stengel + ¼ korte
stengel
Ontdekte dominantie (grote letter) en recessiviteit (kleine letter)
1ste afzonderignswet = Mendelwet
Erfelijke eigenschappen worden gecontroleerd door afzonderlijke en niet deelbare
eenheden
alle F1 individuen zijn indentiek en veruiterlijken slechts de dominante vorm van het
kenmerk
de eenheden komen steeds in paren voor: 1 van de vader en 1 van de moeder
bij de vorming van gameten worden de eenheden van elkaar gescheiden
Enkele begrippen
Fenotype = waarneembare veruiterlijking van een kenmerk ten gevolge van de inwerking
van een allelenpaar
Genotype = genetische samenstelling van een organisme
Gen = opsplitsbare eenheid die de erfelijke overdracht van een kenmerk controleert
Allel = variante vorm van een gen
Locus = chromosomale locatie van een gen
Homozygoot = individu / cel met twee identieke allelen voor een bepaald gen
Heterozygoot = individu / cel met twee verschillende allelen voor een bepaald gen
Hemizygoot = individu / cel met slechts 1 in plaats van 2 allelen voor een bepaald gen
o Kan zowel een normale als abnormale toestand zijn
Monohybridisme: objecten / cellen / individuen die met slechts 1 kenmerk verschillen
, Dihybridisme: objecten / cellen / individuen die met 2 kenmerken van elkaar verschillen
2de afzonderingswet = Mendelwet
Wanneer de overerving van meerdere kenmerken gezamenlijk gevolgd wordt, dan kunnen
deze als volkomen onafhankelijk van elkaar worden beschouwd
1.3.2 De chromosoomtheorie van de erfelijkheid
1.3.2.1 De celcyclus
Celcyclus
Levenscyclus van actief delende cellen, bestaande uit twee grote delen
o Interfase: groei en synthese fase
G1 = groeifase 1 = synthese van eiwitten en enzymes om celdeling te
kunnen uitvoeren
S = synthesefase = verdubbeling van chromosomen / replicatie (elk
chromosoom bestaat uit 2 zusterchromatiden die aan elkaar hangen met
een centromeer)
G2 = groeifase 2 = bijkomende aanmaak van benodigde producten voor
celdeling
o Mitose: einde van cyclus waarbij twee nieuwe dochtercellen gevormd worden
Onder strikte controle
Voortdurend evenwicht tussen activators en inhibitoren nodig
o Belangrijke spelers: cyclines en CDKs
Om te bepalen of een cel haploïd of diploïd is, moet je het aantal centromeren tellen dat je zit,
NIET het aantal zusterchromatiden
Links: diploïd
Midden: in metafase
Rechts: haploïd
1.3.2.2 Mitose
De mitose
Aan elkaar hangende zusterchromatiden worden losgemaakt eigenlijke celdeling
Synoniem: homotypische celdeling ontstaan van identieke dochtercellen
Verschillende (synthetische) fasen: profase metafase anafase telofase
interfase
Hoofdstuk 1: inleidende en algemene aspecten van genetica
1.1 Inleiding - Historiek
Fenotype = alle uiterlijke kenmerken
Pre-mendeliaanse erfelijkheidsleer: soortgelijk brengt soortgelijk voort
Vb. witte hond x witte hond witte hond
Pangenesis = oude theorie van ongeveer 2500 jaar geleden (theorie van Hypocrates)
Al de verschillende ‘onderdelen’ / lichaamsdelen bestaan uit gemmules die de
eigenschappen omvatten
Die gemmules komen samen in een gonade, die gameten vormen
Evolutietheorie van Lamarck
Volledig gebaseerd op pangenesis theorie
Vb. giraffen die steeds hun nek moeten strekken om te eten, krijgen een langere nek
doorheen de evolutie
Epigenetica
Deze vorm van overerving staat boven de klassieke vorm van overerving
,1.2 Algemene begrippen van de erfelijkheidsleer of genetica
Grote misvattingen over genetica
Overerving van verworven karakteristieken
Versmelting van kenmerken
o Intermediaire kenmerken kunnen ook terug de oorspronkelijke kenmerken geven
in de volgende generatie
o !!! niet hetzelfde als intermediaire overerving (eerst beschrevend oor Bateson) !!!
Genetica = studie van de overerving van gelijkenissen (diermodellen, klonen) en verschillen
(identificatie, gendefecten)
Overerving van kenmerken
Variatie van kenmerken
Fenotypische kenmerken: 2 grote groepen
Monogenisch: bepaald door 1 gen
o Ongeveer 1/3de van de fenotypische kenmerken
o Vertonen discontinue variatie (zwart-wit principe, wel of niet aanwezig)
o Geen milieu-invloeden
Bestuderen in kwalitatieve genetica
Polygenisch: bepaald door meerdere genen (tot honderduizenden genen) =
multifactoriële kenmerken
o Continue variatie (kan vaak door een getal uitgedrukt worden
o Vaak milieu-invloeden
o Vb lichaamsgewicht, lichaamsgrootte,
o ! erfelijke ziektes behoren vaak tot deze groep
Vb heupdysplasie: gemiddeld 20-30 genen, milieu-invloeden: ras
,training, …
Kwantitatieve genetica
3 subdisciplines binnen genetica
Transmissiegenetica = klassieke of algemene genetica
o Basisprincipes van erfelijkheid
o Geeft beschrijving en verklaring voor doorgeven van kenmerken over generaties
Moleculaire genetica
o Chemische natuur van genen
o Cellulaire processen van vermeerderen en vertalen van genetische informatie
Populatiegenetica
o Onderzoekt genetische samenstelling en veranderingen in samenstelling van
groepen in relatie tot tijd en plaats
Recentere subdisciplines
o Immunogenetica: erfelijke aspecten immuunsysteem
o Farmacogenetica: invloed genetische achtergrond individu op werking
geneesmiddel
o Nutrigenomics: farmacogenetica waarbij ook voedingsstoffen in rekening
gebracht worden
,1.3 Grondslagen van genetica
1.3.1 De wetten van Mendel
Mendel
Grondlegger van genetica
Begon met eenvoudige kruisexperimenten met erwten die slecht voor 1 kenmerk
verschilde = momnohybridisme
o Veel uniforme, fokzuivere variëteiten binnen de erwten beschikbaar
(zelfbestuiving)
o Makkelijk te kweken, korte generatieduur
o Rassen onderling gemakkelijk te kruisen
o Kruisingen leveren vruchtbare dochterplanten op
o Veel nakomelingen statistische analyse
Erwtenexperiment
Mendel keek naar 7 kenmerken vb. lange / korte stengel
P = parentes = oudergeneratie
F1= filiale 1 = dochtergeneratie 1
F2= filiale 2 = dochtergeneratie 2
Bevindingen
o Lange stengel x korte stengel = lange stengel
o Lange stengel x lange stengel (generatie hierboven) = ¾ lange stengel + ¼ korte
stengel
Ontdekte dominantie (grote letter) en recessiviteit (kleine letter)
1ste afzonderignswet = Mendelwet
Erfelijke eigenschappen worden gecontroleerd door afzonderlijke en niet deelbare
eenheden
alle F1 individuen zijn indentiek en veruiterlijken slechts de dominante vorm van het
kenmerk
de eenheden komen steeds in paren voor: 1 van de vader en 1 van de moeder
bij de vorming van gameten worden de eenheden van elkaar gescheiden
Enkele begrippen
Fenotype = waarneembare veruiterlijking van een kenmerk ten gevolge van de inwerking
van een allelenpaar
Genotype = genetische samenstelling van een organisme
Gen = opsplitsbare eenheid die de erfelijke overdracht van een kenmerk controleert
Allel = variante vorm van een gen
Locus = chromosomale locatie van een gen
Homozygoot = individu / cel met twee identieke allelen voor een bepaald gen
Heterozygoot = individu / cel met twee verschillende allelen voor een bepaald gen
Hemizygoot = individu / cel met slechts 1 in plaats van 2 allelen voor een bepaald gen
o Kan zowel een normale als abnormale toestand zijn
Monohybridisme: objecten / cellen / individuen die met slechts 1 kenmerk verschillen
, Dihybridisme: objecten / cellen / individuen die met 2 kenmerken van elkaar verschillen
2de afzonderingswet = Mendelwet
Wanneer de overerving van meerdere kenmerken gezamenlijk gevolgd wordt, dan kunnen
deze als volkomen onafhankelijk van elkaar worden beschouwd
1.3.2 De chromosoomtheorie van de erfelijkheid
1.3.2.1 De celcyclus
Celcyclus
Levenscyclus van actief delende cellen, bestaande uit twee grote delen
o Interfase: groei en synthese fase
G1 = groeifase 1 = synthese van eiwitten en enzymes om celdeling te
kunnen uitvoeren
S = synthesefase = verdubbeling van chromosomen / replicatie (elk
chromosoom bestaat uit 2 zusterchromatiden die aan elkaar hangen met
een centromeer)
G2 = groeifase 2 = bijkomende aanmaak van benodigde producten voor
celdeling
o Mitose: einde van cyclus waarbij twee nieuwe dochtercellen gevormd worden
Onder strikte controle
Voortdurend evenwicht tussen activators en inhibitoren nodig
o Belangrijke spelers: cyclines en CDKs
Om te bepalen of een cel haploïd of diploïd is, moet je het aantal centromeren tellen dat je zit,
NIET het aantal zusterchromatiden
Links: diploïd
Midden: in metafase
Rechts: haploïd
1.3.2.2 Mitose
De mitose
Aan elkaar hangende zusterchromatiden worden losgemaakt eigenlijke celdeling
Synoniem: homotypische celdeling ontstaan van identieke dochtercellen
Verschillende (synthetische) fasen: profase metafase anafase telofase
interfase