1
Voorkennis
Term Definitie
Atoomnummer Het aantal protonen (positief geladen deeltjes)
Atoommassa Totaal aantal protonen en neutronen
Isotopen Meer of minder neutronen dan normaal voor een atoom
Potentiële energie Energie dat atomen bij elkaar houdt maar op dat moment niet
gebruikt wordt => als bindingen gebroken kinetische energie
vrij
3 soorten chemische Covalente : 1 of meerdere elektronen delen met andere
bindingen atomen
Ionische : volledig opnemen of afstaan van elektronen
(=ion)
Hydrogene : delen elektronen maar ongelijk geladen
kanten doordat 1 atoom een sterkere
aantrekkingskracht heeft (polaire molecule)
Hoofdstuk 1: de chemie van de levende dingen
Emulsie Middel dat iets apolair wel kan laten oplossen in water (bv olie
en water kunnen enkel gemengd worden dmv zeep)
Hydrofiel Polaire moleculen die aangetrokken zijn tot water en er
gemakkelijk mee interageren
Hydrofoob Niet-polaire, neutrale moleculen die niet interageren met
water en niet oplossen
Homeostase Natuurlijk evenwicht (bv. pH van bloed is 7,4)
Buffer Elke substantie die ervoor kan zorgen dat veranderingen in pH
tegengehouden worden
Dehydratie synthese Om macromoleculen te vormen komen er covalente bindingen
tussen kleinere moleculen => elke keer als er een subeenheid
wordt toegevoegd verdwijnt er een watermolecule
Hydrolyse Afbreken van macromoleculen door water => water valt de
uiteinden van de subeenheden aan waardoor deze van elkaar
loskomen
Verschillende Suikers of koolhydraten
macromoleculen Lipiden of vetten
Proteïnen of eiwitten
Nucleïnezuren
Functies van suiker en 1. Energie voor levende organismen
koolhydraten 2. Planten gebruiken cellulose als structurele
ondersteuning
Monosacharides Simpelste vorm v koolhydraten , ringvormige structuur die
bestaat uit C, O en H in een 1-2-1 verhouding
Ribose
Deoxiribose
Glucose
Galatose
Fructose
Oligosaccharides Korte ketens van monosacharides gevormd door dehydratie
synthese
Sucrose (frutose & glucose)
Lactose (glucose & galactose)
Maltose (glucose & glucose uit graan)
,2
Glycoproteïnen
Polysaccharides Complexe koolhydraten, ook door dehydratie synthese
Energieopslag en cellulose (=structurele ondersteuning
van planten)
Triglycerides of neutrale Bestaat uit een glycerol molecule en 3 vetzuurstaarten
vetten Verzadigde vetten: 2 H’s voor elke C, vast bij
kamertemperatuur, dierlijk
Onverzadigde vetten: minder dan 2 H’s voor elke C,
knikjes in de lijnen, vloeibaar bij kamertemperatuur
Fosfolipiden Gemodificeerde vorm van lipiden en primaire structurele
component van celmembranen
Steroïden Andere structuur dan gewoonlijke vetten, maar wel niet-
oplosbaar in water
Cholesterol als basis
Popypeptide Enkele reeks van 3 tot 10 aminozuren aan elkaar gemaakt
dmv peptidebindingen (door dehydratie synthese)
Eiwit Popypeptide langer dan 100 aminozuren en complexere
structuur en functies
Denaturatie Verlies van biologische functie van eiwit (door gebroken
eiwitstructuur door switch in pH)
Eiwitten gevormd door Vorm van eiwit kan veranderen in aanwezigheid van polaire of
relatief zwakke H- geladen moleculen
bruggen zorgt voor…
Enzym Eiwit dat als biologische kathalysator fungeert (reacties
versnellen, eiwit van vorm veranderen)
Nucleotiden Bevatten desoxyribose, enkele/dubbele ring met stikstof, een
of meer fosfaatgroepen
ATP Adenosine trifosfaat, universele energiebron voor cellen door
bindingen tussen fosfaatgroepen die veel potentiële energie
bevatten
Componenten ATP Adenine
5 koolstofatomen suiker (desoxyribose)
3 fosfaat groepen samen
Hoofdstuk 2: de structuur en functie van cellen
Plasmamembraan Buitenste membraan waarmee alle cellen omgeven zijn
Eukaryoten Menselijke cellen- 3 bestanddelen
Plasmamembraan
Nucleus / kern
Cytoplasma (alles in cel buiten de kern) =>
samengesteld uit cytosol (celorganellen)
Prokaryoten Bacterieën
Plasmamembraan omgeven door stijve celwand
Genetisch materiaal
Missen meeste organellen die wel in eukaryoten
voorkomen
Microvilli Microscopisch kleine projecties van het plasmamembraan (kan
het oppervlak van een cel vergroten)
Soorten microscopen Lichtmicroscoop (max 1000x vergroten) => kan op
levende monsters gebruikt worden
Transmissie-elektronenmicroscoop (max tot 100 000x
vergroten) => structurele details
,3
Scanning elektronenmicroscoop (meer dan 100 000x
vergroten) => 3D beeld van buitenoppervlak
Organellen Membraangebonden structuren van een cel
Celkern / nucleus DNA
Dubbellaags membraan (kernmembraan) met
kernporieën
Nucleolus vanbinnen => synthetiseert componenten
van ribosomen => door kernporieën en vormen
ribosomen in cytoplasma
Ribosomen Maken van specifieke eiwitten => aminozuren tot
eiwitten maken door ze in juiste volgorde te verbinden
volgens een RNA-template
Verpakt in membraangebonden blaasjes, naar
celmembraan getransporteerd en uitgescheiden
Endoplasmatisch RER SER
reticulum Synthese van eiwitten Zonder ribosomen
Eiwitten komen vrij in Synthetiseert andere
ER => nadien in SER macromoleculen
en verpakt en Enzymen hierop
overgedragen naar vergemakkelijken
golgi apparaat chemische rzacties
Met ribosomen nodig voor het vormen
van macromoleculen
Verpakken van eiwitten
en lipiden voor levering
aan Golgi
Golgi-apparaat Verpakking en verzend centrum van de cel
Bevat enzymen om producten van ER verder te
verfijnen tot uiteindelijke vorm
In buitenste laag producten in blaasjes verpakt en
verzonden
Blaasjes Membraangebonden
Soorten:
1. Blaasjes die cellulaire producten verzenden en
opslaan
2. Secretoire blaasjes (afkomstig van membraan van
golgi)
3. Endocytotische blaasjes
4. Perixosomen en lysosomen (blijft altijd in blaasje!)
Mitochondriën Glad buitenmembraan
Binnenmembraan met plooien om opp te vergroten
(eiwit enzymen => verbruikt O en CO2)
Energie komt vrij om ATP te maken
Alternatieve bronnen Lipiden (ruwe energie)
voor energie Glycogeenkorrels
Cytoskelet Vezels, microtubili, microfilamenten
Microtubili: kleine holle buisjes
Microfilamenten: dunne, vaste vezels
Raamwerk voor plasmamembraan
Ondersteunt & verankert structuren binnen cel
Cilia en flagella Cilia: haarachtig, materialen verplaatsen langs de cel
Flagella: langere haarachtige structuur, op zaadcellen
9 paar gefuseerde microtubuli omringen 2 microtubuli
in het midden
, 4
Energie voor nodig (ATP)
Centriolen Essentieel voor celdeling => uitlijnen en delen van genetisch
materiaal van de cel
Opbouw Fosfolipiden (2 lagen)
plasmamembraan o Polaire kop, niet- polaire staarten
o Staarten ontmoeten elkaar in midden van het
membraan
Cholesterol
o Hogere mechanische sterkte van membraan (niet
te stijf of flexibel)
o Voorkomen dat fosfolipiden te veel bewegen
o Eiwitten in membraan verankeren
Eiwitten
o Moleculen en informatie door plasmamembraan
transporteren
o Interne ondersteuning cel
o 1 gebied elektrisch neutraal, 1 gebied elektrisch
geladen => geladen gaan vaak buiten
membraan strekken, neutrale delen ingebed in
fosfolipidenlaag
Passief transport Transporteren van een molecule zonder dat de cel energi moet
gebruiken => mechanisme van diffusie
Diffusie In gas en vloeistof
Moleculen bewegen, botsen en veranderen van richting
=> beweging van ene gebied naar andere als gevolg
van deze willekeurige beweging is diffusie
Moleculen gaan van gebied mt hoge concentratie naar
gebied met lage concentratie (verschil in concentratie=
concentratiegradiënt)
Alleen over korte afstanden (dus niet over organen)
In water
Altijd in richting van oplossing met hogere concentratie
opgeloste stoffen en weg van oplossing met hoge
concentratie water
Osmose Netto diffusie van water over een selectief permeabel
membraan : transport van water doorheen het membraan
Aan ene kant glucose => minder waterstofdeeltjes
Van kant met water naar kant van glucose omdat daar
minder waterstofdeeltjes zitten
Selectief permeabel Niet alle stoffen kunnen door difussie passeren
membraan (plasmamembraan)
Osmotische druk Vloeistofdruk die nodig is om osmose precies tegen te gaan
3 vormen van passief Diffusie door de lipidedubbellaag
transport door het Geen doorgang voor: polaire of elektrisch geladen
celmembraan moleculen
Wel: kleine ongeladen, niet-polaire moleculen (zuurstof,
koolstofdioxide, ureum)
Diffusie door kanalen (kanalen in plasmamembraan)
Grootte & vorm van eiwitkanalen + lading van
aminozuurgroepen die het kanaal vormen bepalen
welke moleculen er doorheen kunnen
Sommigen heel de tijd open (waterkanalen)
Sommigen ‘gated’ : onder bepaalde voorwaarden
Voorkennis
Term Definitie
Atoomnummer Het aantal protonen (positief geladen deeltjes)
Atoommassa Totaal aantal protonen en neutronen
Isotopen Meer of minder neutronen dan normaal voor een atoom
Potentiële energie Energie dat atomen bij elkaar houdt maar op dat moment niet
gebruikt wordt => als bindingen gebroken kinetische energie
vrij
3 soorten chemische Covalente : 1 of meerdere elektronen delen met andere
bindingen atomen
Ionische : volledig opnemen of afstaan van elektronen
(=ion)
Hydrogene : delen elektronen maar ongelijk geladen
kanten doordat 1 atoom een sterkere
aantrekkingskracht heeft (polaire molecule)
Hoofdstuk 1: de chemie van de levende dingen
Emulsie Middel dat iets apolair wel kan laten oplossen in water (bv olie
en water kunnen enkel gemengd worden dmv zeep)
Hydrofiel Polaire moleculen die aangetrokken zijn tot water en er
gemakkelijk mee interageren
Hydrofoob Niet-polaire, neutrale moleculen die niet interageren met
water en niet oplossen
Homeostase Natuurlijk evenwicht (bv. pH van bloed is 7,4)
Buffer Elke substantie die ervoor kan zorgen dat veranderingen in pH
tegengehouden worden
Dehydratie synthese Om macromoleculen te vormen komen er covalente bindingen
tussen kleinere moleculen => elke keer als er een subeenheid
wordt toegevoegd verdwijnt er een watermolecule
Hydrolyse Afbreken van macromoleculen door water => water valt de
uiteinden van de subeenheden aan waardoor deze van elkaar
loskomen
Verschillende Suikers of koolhydraten
macromoleculen Lipiden of vetten
Proteïnen of eiwitten
Nucleïnezuren
Functies van suiker en 1. Energie voor levende organismen
koolhydraten 2. Planten gebruiken cellulose als structurele
ondersteuning
Monosacharides Simpelste vorm v koolhydraten , ringvormige structuur die
bestaat uit C, O en H in een 1-2-1 verhouding
Ribose
Deoxiribose
Glucose
Galatose
Fructose
Oligosaccharides Korte ketens van monosacharides gevormd door dehydratie
synthese
Sucrose (frutose & glucose)
Lactose (glucose & galactose)
Maltose (glucose & glucose uit graan)
,2
Glycoproteïnen
Polysaccharides Complexe koolhydraten, ook door dehydratie synthese
Energieopslag en cellulose (=structurele ondersteuning
van planten)
Triglycerides of neutrale Bestaat uit een glycerol molecule en 3 vetzuurstaarten
vetten Verzadigde vetten: 2 H’s voor elke C, vast bij
kamertemperatuur, dierlijk
Onverzadigde vetten: minder dan 2 H’s voor elke C,
knikjes in de lijnen, vloeibaar bij kamertemperatuur
Fosfolipiden Gemodificeerde vorm van lipiden en primaire structurele
component van celmembranen
Steroïden Andere structuur dan gewoonlijke vetten, maar wel niet-
oplosbaar in water
Cholesterol als basis
Popypeptide Enkele reeks van 3 tot 10 aminozuren aan elkaar gemaakt
dmv peptidebindingen (door dehydratie synthese)
Eiwit Popypeptide langer dan 100 aminozuren en complexere
structuur en functies
Denaturatie Verlies van biologische functie van eiwit (door gebroken
eiwitstructuur door switch in pH)
Eiwitten gevormd door Vorm van eiwit kan veranderen in aanwezigheid van polaire of
relatief zwakke H- geladen moleculen
bruggen zorgt voor…
Enzym Eiwit dat als biologische kathalysator fungeert (reacties
versnellen, eiwit van vorm veranderen)
Nucleotiden Bevatten desoxyribose, enkele/dubbele ring met stikstof, een
of meer fosfaatgroepen
ATP Adenosine trifosfaat, universele energiebron voor cellen door
bindingen tussen fosfaatgroepen die veel potentiële energie
bevatten
Componenten ATP Adenine
5 koolstofatomen suiker (desoxyribose)
3 fosfaat groepen samen
Hoofdstuk 2: de structuur en functie van cellen
Plasmamembraan Buitenste membraan waarmee alle cellen omgeven zijn
Eukaryoten Menselijke cellen- 3 bestanddelen
Plasmamembraan
Nucleus / kern
Cytoplasma (alles in cel buiten de kern) =>
samengesteld uit cytosol (celorganellen)
Prokaryoten Bacterieën
Plasmamembraan omgeven door stijve celwand
Genetisch materiaal
Missen meeste organellen die wel in eukaryoten
voorkomen
Microvilli Microscopisch kleine projecties van het plasmamembraan (kan
het oppervlak van een cel vergroten)
Soorten microscopen Lichtmicroscoop (max 1000x vergroten) => kan op
levende monsters gebruikt worden
Transmissie-elektronenmicroscoop (max tot 100 000x
vergroten) => structurele details
,3
Scanning elektronenmicroscoop (meer dan 100 000x
vergroten) => 3D beeld van buitenoppervlak
Organellen Membraangebonden structuren van een cel
Celkern / nucleus DNA
Dubbellaags membraan (kernmembraan) met
kernporieën
Nucleolus vanbinnen => synthetiseert componenten
van ribosomen => door kernporieën en vormen
ribosomen in cytoplasma
Ribosomen Maken van specifieke eiwitten => aminozuren tot
eiwitten maken door ze in juiste volgorde te verbinden
volgens een RNA-template
Verpakt in membraangebonden blaasjes, naar
celmembraan getransporteerd en uitgescheiden
Endoplasmatisch RER SER
reticulum Synthese van eiwitten Zonder ribosomen
Eiwitten komen vrij in Synthetiseert andere
ER => nadien in SER macromoleculen
en verpakt en Enzymen hierop
overgedragen naar vergemakkelijken
golgi apparaat chemische rzacties
Met ribosomen nodig voor het vormen
van macromoleculen
Verpakken van eiwitten
en lipiden voor levering
aan Golgi
Golgi-apparaat Verpakking en verzend centrum van de cel
Bevat enzymen om producten van ER verder te
verfijnen tot uiteindelijke vorm
In buitenste laag producten in blaasjes verpakt en
verzonden
Blaasjes Membraangebonden
Soorten:
1. Blaasjes die cellulaire producten verzenden en
opslaan
2. Secretoire blaasjes (afkomstig van membraan van
golgi)
3. Endocytotische blaasjes
4. Perixosomen en lysosomen (blijft altijd in blaasje!)
Mitochondriën Glad buitenmembraan
Binnenmembraan met plooien om opp te vergroten
(eiwit enzymen => verbruikt O en CO2)
Energie komt vrij om ATP te maken
Alternatieve bronnen Lipiden (ruwe energie)
voor energie Glycogeenkorrels
Cytoskelet Vezels, microtubili, microfilamenten
Microtubili: kleine holle buisjes
Microfilamenten: dunne, vaste vezels
Raamwerk voor plasmamembraan
Ondersteunt & verankert structuren binnen cel
Cilia en flagella Cilia: haarachtig, materialen verplaatsen langs de cel
Flagella: langere haarachtige structuur, op zaadcellen
9 paar gefuseerde microtubuli omringen 2 microtubuli
in het midden
, 4
Energie voor nodig (ATP)
Centriolen Essentieel voor celdeling => uitlijnen en delen van genetisch
materiaal van de cel
Opbouw Fosfolipiden (2 lagen)
plasmamembraan o Polaire kop, niet- polaire staarten
o Staarten ontmoeten elkaar in midden van het
membraan
Cholesterol
o Hogere mechanische sterkte van membraan (niet
te stijf of flexibel)
o Voorkomen dat fosfolipiden te veel bewegen
o Eiwitten in membraan verankeren
Eiwitten
o Moleculen en informatie door plasmamembraan
transporteren
o Interne ondersteuning cel
o 1 gebied elektrisch neutraal, 1 gebied elektrisch
geladen => geladen gaan vaak buiten
membraan strekken, neutrale delen ingebed in
fosfolipidenlaag
Passief transport Transporteren van een molecule zonder dat de cel energi moet
gebruiken => mechanisme van diffusie
Diffusie In gas en vloeistof
Moleculen bewegen, botsen en veranderen van richting
=> beweging van ene gebied naar andere als gevolg
van deze willekeurige beweging is diffusie
Moleculen gaan van gebied mt hoge concentratie naar
gebied met lage concentratie (verschil in concentratie=
concentratiegradiënt)
Alleen over korte afstanden (dus niet over organen)
In water
Altijd in richting van oplossing met hogere concentratie
opgeloste stoffen en weg van oplossing met hoge
concentratie water
Osmose Netto diffusie van water over een selectief permeabel
membraan : transport van water doorheen het membraan
Aan ene kant glucose => minder waterstofdeeltjes
Van kant met water naar kant van glucose omdat daar
minder waterstofdeeltjes zitten
Selectief permeabel Niet alle stoffen kunnen door difussie passeren
membraan (plasmamembraan)
Osmotische druk Vloeistofdruk die nodig is om osmose precies tegen te gaan
3 vormen van passief Diffusie door de lipidedubbellaag
transport door het Geen doorgang voor: polaire of elektrisch geladen
celmembraan moleculen
Wel: kleine ongeladen, niet-polaire moleculen (zuurstof,
koolstofdioxide, ureum)
Diffusie door kanalen (kanalen in plasmamembraan)
Grootte & vorm van eiwitkanalen + lading van
aminozuurgroepen die het kanaal vormen bepalen
welke moleculen er doorheen kunnen
Sommigen heel de tijd open (waterkanalen)
Sommigen ‘gated’ : onder bepaalde voorwaarden