Strofe = versregels staan in groepjes bij elkaar. 1 groep is 1 strofe. Ze worden gescheiden
door een witregel.
Figuurlijk taalgebruik = een woord wordt niet in de letterlijke betekenis gebruikt. Het is dus
niet letterlijk mogelijk.
Enjambement = een zin afbreken op een ongebruikelijke plaats. Het laatste woord van de
versregel wordt dan benadrukt.
Beeldspraak = het gebruik van beelden om uit te leggen wat je wilt zeggen.
- Vergelijking: het beeld en datgene waarmee het wordt vergeleken staan allebei in de tekst
en worden verbonden met “als”. Ex: Haar ogen fonkelden als sterren.
- Metafoor: alleen het beeld wordt genoemd en de lezer moet uit de context afleiden waar
het beeld naar verwijst. Ex: het schip der woestijn – kameel.
- Personificatie: iets wat levenloos is, krijgt menselijke eigenschappen. Ex: De wind zong
met de bladeren.
Stijlfiguren = middelen om taal krachtiger of speelser te maken, of om bepaalde woorden te
benadrukken.
- Antithese: een tegenstelling.
- Paradox: een schijnbare tegenstelling. Het lijkt alsof dat wat er staat zichzelf tegenspreekt,
maar als je goed leest, blijkt het toch te kloppen.
- Parallelisme: een bepaalde zinsbouw komt steeds op dezelfde manier terug.
- Opsomming: woorden of woordgroepen worden opgesomd.
- Eufemisme: drukt op een verzachtende manier iets uit wat moeilijk / pijnlijk is.
- Retorische vraag: een vraag waarop de vraagsteller geen antwoord verwacht omdat het
antwoord in de vraag besloten ligt.
Rijm = de herhaling van klank.
- Eindrijm: rijm aan het einde van een versregel.
mannelijke rijm: 1 lettergreep rijmt.
vrouwelijk rijm: 2 lettergrepen rijmen.
onzijdig / glijdend rijm: 3 lettergrepen rijmen.
Met eindrijm kun je een rijmschema maken.
Gepaard rijm – AABB
Gekruist rijm – ABAB
Omarmend rijm – ABBA
Gebroken rijm – ABCB
- Beginrijm / alliteratie: de herhaling van een klank aan het begin van een woord. Ex: Drie
druiven drijven.
- Klinkerrijm / assonantie: de beklemtoonde klinkers rijmen op elkaar. Het gaat om hoe ze
worden uitgesproken, niet hoe ze worden geschreven. Ex: De man staat voor het raam.
1