BIOLOGISCHE
ANTROPOLOGIE
SAMENVATTING 2024/2025
,DEEL 1: MENSELIJKE EVOLUTIE EN SOCIAAL
GEDRAG
H1: algemene inleidende beschouwingen
1. Inleiding
• Bio-antropologie = fysiologische antropologie
o De (natuurwetenschappelijke) studie van de mens vanuit evolutionair oogpunt
o Multidisciplinair
o Dobzhansky: “niets in biologie is logisch behalve in licht van evolutie” -> men kan niets begrijpen zonder
een evolutionaire blik toe te passen
2. Antropologie en diens subvelden
Studie mensheid in alle vormen -> cross-cultureel en holistisch
• Innerlijke werking van groep mensen begrijpen die andere cultuur hebben dan wij
o We hebben 4 overkoepelende domeinen om een totaalbeeld te krijgen over de mens
▪ Cultureel, linguistisch, archeologie en biologische antropologie
o Onze biologie produceert cultuur, maar cultuur kan ook biologie beïnvloeden: bioculturele antropologie ->
zitten in een complexe samenwerking met elkaar
o Cultuur differentieert ons van dieren
4 field approach: deelgebieden antropologie
• Culturele antropologie
o Studie menselijke samenlevingen, vooral cross-cultureel
▪ Etnologie = vergelijkende studie van verschillende culturen om algemene patronen en verschillen
te begrijpen
▪ Etnografie = gedetailleerde beschrijving van een cultuur of gemeenschap op basis van
veldonderzoek -> inzicht krijgen in verschillende culturen
o Cultuur kan biologische neigingen afremmen of versterken
• Linguïstische antropologie
o Studie taal, diens geschiedenis en gebruik in diverse samenlevingen
o Linguïstische vorm = grammaticale regels
o Linguïstische functie = waarom wij spreken -> GOSSIP en grooming (hypothese Robin Dunbar)
o In welke sociale context ontwikkelde taal zich
o Taal is een bioculturele parasiet
o Taal is niet onveranderlijk en gaat dus ook continu evolueren
• Archeologie
o Vondsten uit het verleden -> gaan zo bijleveren aan onze kennis
o Artefacten (vb. stenen bijlen of zwaarden) en materiele cultuur van vroegere volkeren (vb. grotschilderingen)
o Archeogenetica -> nieuw en ontwikkeld zeer snel
• Biologische antropologie
o Elke wetenschapper die menselijke soort vanuit evolutionair perspectief bestudeert
o De totaal evolutionaire benadering van de mens als soort
Reikwijdte biologische antropologie
• Paleoantropologie
o Studie van fossiele overblijfselen van mensheid en primaten (naaste verwanten)
o Onderzoek via veldwerk en studie in musea en labo’s (a.d.h.v. dateringstechnieken)
o Vb. een schedel in uw tuin gevonden, men gaat kijken naar de leeftijd -> als de schedel al oud is ga jij kunnen
geschrapt worden af de lijst voor mogelijke verdachten, omdat je er toen nog net woonde.
• Skeletale biologie
, o De studie van het menselijk skelet en de patronen en processen van menselijke groei, fysiologie en
ontwikkeling.
o Er is veel variatie in hoe wij eruit zien, hierdoor leren we veel over vb. grootte van bepaalde variaties
o Osteologie = studie van skelet en botten hun structuur, functie en ontwikkeling
o Skeletbiologie = studie skelet en patronen en processen menselijke groei, fysiologie en ontwikkeling
o Antropometrici = eerste generatie biologische antropologen: deden metingen van het menselijk lichaam
• Paleopathologie (en bioarcheologie)
o Studie ziekten in oude menselijke populaties (bacteriën en virussen kunnen sporen achterlaten)
o Studie menselijke resten in archeologische context
o vb. als oude beschaving plots is ingestort, onderzoeken of komt door epidemie of kijken naar sporen van
infecties op schedel/botten -> wisselwerking van ziektes/bacteriën en gevolgen voor de mens
• Forensische antropologie
o Menselijke overblijfselen in legale (forensische) context -> vaak in een hedendaagse context, maar kan ook
vb. oude massagraven van oorlogen
▪ vb. doodsoorzaak, sporenonderzoek, verkrachting
o Studie oorlogsmisdrijven (genocide), moord (doodsoorzaak en sporenonderzoek) en verkrachting (‘rape kit’)
• Primatiologie
o Is onlosmakend verbonden met antropologie
o Studie niet-menselijke primaten hun anatomie, genetica, gedrag en ecologie -> inzicht geven hoe evolutie
menselijke soort gekneed heeft
▪ Niet menselijke primaten zijn evolutionair aangepast aan sociaal leven (groepsleven) -> grote
sekseverschillen (biologisch geslacht)
▪ Deze studies geven inzicht in evolutionaire verschillen en gelijkenissen
o Pioniers: Jane Goodall (chimpansees) & Diane Fossey (gorilla’s)
o Nu: Richard Wrangham (chimpansee) & Frans De Waal (Bonobo)
• Menselijke biologie
o Menselijke groei en ontwikkeling, adaptatie aan extreme omgevingsomstandigheden en menselijke
genetica (fysiologisch aanpassen)
o Men gaat zich aanpassen aan de omgeving (adaptieve wezens) maar dit kost energie -> er is geen
eindpunt, wij blijven ons continu aanpassen
o Voedingsantropologie: studie van samenhang tussen dieet, cultuur en evolutie (co-evolutie) -> variatie
tussen individuen en groepen
o Biomedische antropologie: effecten van vervuiling, giftige stoffen op menselijke groei
o Moleculaire antropologie: verschillen genoom tussen (en binnen) mensen en niet- menselijke primaten –
o Wij hebben impulsen, maar ook controle hierover (impulscontrole) -> varieert binnen genen en
samenlevingen
3. De oorsprong van de moderne bio-antropologie
• Begon met het ontdekken van fossielen van mens en mensachtigen (= homininen).
• Keerpunt -> boek van Charles Darwin: On the Origin of Species (1859)
o Hierin legt hij uit hoe soorten (ook mensen) via evolutie ontstaan zijn
• Originele benaming: ‘physical anthropology’
, o In de eerste helft van de 20ste eeuw was men vooral bezig met het meten van het lichaam en het
analyseren van verschillende fysieke kenmerken (= antropometrie)
o Belangrijk debat -> monogenisme: mensen komen van één enkele oorsprong (één ras) vs. polygenisme:
mensen komen van meerder oorsprongen (meerdere ‘rassen’)
‘Nieuwe’ fysische antropologie
• Veranderd rond het midden van de 20ste eeuw
• Gebaseerd op de ‘Neodarwinistische synthese’ -> combinatie van genetica, anatomie, ecologie, gedrag en Darwins
evolutietheorie
o Hierdoor komt er meer aandacht voor de samenwerking van disciplines en belang van wetenschappelijk
bewijs
Paleoantropologie
• Deel van de bio-antropologie dat zich focust op de evolutie van de mens via fossiele resten
• Nieuwe dateertechnieken ontstaan
o Men gaat fossiele preciezer kunnen dateren (vb. via koolstof datering)
o Archeogenetica: oude DNA gaan analyseren
• Vandaag is dit domein zeer multidisciplinair (= verschillende soorten wetenschappen gaan samenwerken)
H2: evolutie, selectie en adaptatie
1. Inleiding
Jaren 20 (‘roaring twenties’)
• Hevige strijd tussen wetenschap en creationisme
o Velen geloofden dat de wereld en de mens geschapen zijn door een goddelijke kracht (creationisme)
▪ De opkomst van nieuwe ideeën waren zeer controversieel omdat deze botste met deze religieuze
ideeën
• Verbod op lesgeven over de evolutietheorie in de VS
o The scopes monkey trial
▪ Men mocht geen les geven over de evolutietheorie, volgens de Butler Act, Tennessee
▪ Leraar John Scopes ging dit toch doen -> kreeg een boete van 100 $
2. De oorsprong van het moderne evolutie denken
De oude Grieken
• Waren de eersten die systematisch nadachten en schreven over hoe de natuur en de mens hierin werkte
• Aristoteles
o Griekse filosoof (384 v.C. – 322 v.C.)
o Great chain of being: al het leven is geordend in een hiërarchische ladder, van het meest eenvoudige tot
het meest complexe -> met bovenaan de mens (hierboven stonden enkel nog God en engelen)
• Onveranderlijkheid van de soorten: elke soort heeft een vaste essentie -> ze waren zoals ze werden geschapen, en
konden dus niet veranderen of evolueren
Renaissance (14e-16e eeuw)
• Er ontstaat een soort wetenschappelijk denken, met meer focus op observatie en experiment (men wordt kritischer)
• Menselijke anatomie -> kunstenaars gingen anatomie bestuderen en afbeelden -> deze afbeeldingen werden de
basis voor latere wetenschappen
o Leonardo da Vinci: maakte hiervan heel gedetailleerde anatomische tekeningen dankzij zijn kennis van de
wetenschap en de kunst
o Vesalius (stichter moderne anatomie)
▪ ‘Humani Corporis Fabrica’: gaat anatomie bestuderen via dissecties van lijken -> dit was in strijd
met de kerk
• Het grote monogenisme vs. polygenisme debat
o Voor 19e eeuw: geloof in Bijbelse schepping -> de kerkelijke leer stond centraal bij het wetenschappelijk
denken in Europa
, ▪ Wetenschappers waren vooral bezig met het ordenen en benoemen van soorten (zoals
Linnaeus), waardoor de biologische oorsprong van mensen wat opzij werd geduwd
▪ Oud testament als ‘bewijs’ voor berekening datum schepping (4004 v.C.) -> Ussher
o Samuel Stanhope Smith
▪ Geloofde in monogenisme, maar vond dat verschillen tussen mensen (zoals huidskleur) het
gevolg waren van omgeving en opvoeding
o Johann Friedrich Blumenbach
▪ Monogenist -> ontwikkelde een vroege indeling van mensenrassen
• Globale verkenning
o Eerste reis rond wereld, Europese ontdekkingen en verkenning van nieuwe wereld
o Men ontdekte dat de natuur veel complexer en gevarieerder was dan gedacht -> zette wetenschappers aan
tot systematische studie van planten, dieren én mensen
3. De natuurlijke classificatie van organisme volgens Linnaeus
-> Natuuronderzoekers waren veel bezig met het categoriseren van dieren & planten, maar geloofde nog steeds in die
onveranderlijkheid
Taxonomie (= wetenschap van de classificatie en benoeming van levende wezens)
• Carolus Linnaeus (1707-1778)
o Zweedse geoloog, zoöloog
o ‘Systema Naturae’ = probeerde alle planten en dieren op aarde in een overzichtelijk systeem te plaatsen,
op basis van zichtbare kenmerken
o Geloofde in de onveranderlijkheid van soorten
• Classificatiesysteem dat helpt bij herkennen patronen
o Fysieke kenmerken werden gebruikt om planten en dieren te ordenen
o Gaf elke organisme een dubbele naam: een voor geslacht én een voor soort (= binomiale nomenclatuur)
▪ Gebruikte Griekse en Latijnse benamingen -> waren de internationale wetenschappelijke talen
▪ Vb. Homo sapiens: mens, van de geslacht homo
• Linneaanse hiërarchie
o Rangschikte organismen in een hiërarchisch systeem, van brede groepen naar steeds kleinere, op basis
van gelijkenissen
▪ Rijk -> stam -> klasse -> orde -> familie -> geslacht -> soort
o Taxon = een eenheid in de formele hiërarchie
4. De weg naar de Darwiniaanse revolutie
2 tegengestelde opvattingen
• Comte de Buffon (1707 – 1788)
o Aanvaarde het idee van biologische verandering -> soorten konden veranderen door invloed van omgeving
• Georges Cuvier (1769-1832)
o Tegenstander biologische verandering
o Voorstander catastrofisme
▪ Aarde werd volgens hem gevormd door plotselinge rampen (vb. zondvloed) die telkens hele
soorten uitroeiden, waarna er een nieuwe schepping plaatsvond
▪ vb. Noahs ark
Lamarckisme -> Jean-Baptiste de Lamarck (18e -19e)
• Dacht dat individuen eigenschappen konden ontwikkelen tijdens hun leven en die doorgeven aan hun nakomelingen
o Vb. giraf die zijn nek rekt om de hogere blaadjes te kunnen eten krijgt een langere nek, en geeft die langere
nek dan door aan zijn kinderen
o Fout: verworven kenmerken kunnen niet genetisch doorgegeven worden
Lysenkoïsme -> Trofim Lysenko
• Hoge functionaris binnen communistisch regime van SU
• Verwierp Darwiniaans model omdat ‘kapitalistisch’ was
• Verwierp ook theorie Thomas Malthus
, o Malthus: Bevolkingsgroei is sneller dan groeien van middelen en daardoor concurrentie om die schaarse
middelen
• Lysenko gebruikte Lamarckiaans ideeën op landbouw, wat rampzalig uitpakte
o Hij bewaarde wintertarwe bij kou om die zogezegd "te laten wennen" aan kou voor de volgende generatie.
o Gevolg: mislukte oogsten en massale hongersnood in SU
Uniformisten -> gaan het evolutiedenken beïnvloeden (samen met het ‘gradualisme’)
• Geloofden dat dezelfde geologische processen die vandaag actief zijn, dat ook vroeger al waren
o Grote veranderingen bestaan dus niet plots, maar geleidelijk over een lange periode
• James Hutton (1726–1797)
o Bestudeerde ontstaan van rots- en aardlagen -> was d.m.v. trage processen
▪ Paste dit nog niet toe op levende wezens -> dit gebeurde pas later door o.a. Darwin
• Charles Lyell (1797–1875)
o Bevriend met Darwin (sterke invloed)
o Beweerde dat langzame, geleidelijke verandering de manier was waarop fysieke wereld in elkaar stak
▪ Overtuigde mensen dat men door geologie het verleden van de aarde kon reconstrueren (zonder
bijbel of geloof)
5. De Darwiniaans revolutie
Charles Darwin (1809–1882)
• Kleinzoon van Erasmus Darwin (1731-1802), een bekend arts.
• Studeerde eerst theologie aan Cambridge, maar raakte gefascineerd door de natuur en wetenschap -> werd
uiteindelijk een botanicus en naturalist
• Geïnspireerd door:
o John Henslow (prof aan Cambridge)
o Alexander von Humblodt: zijn avonturen en ontdekkingen inspireerden Darwin om zelf te reizen
• Reis met de HMS Beagle (1831–1836)
o Reisde vijf jaar lang rond de wereld, langs de Zuid-Amerikaanse kusten
▪ Verzamelde planten, dieren, fossielen en observeerde natuurlijke variaties tussen soorten
o De kapitein, FitzRoy, had eerst Henslow gevraagd, maar die stuurde Darwin in zijn plaats
• Publicatie ‘On the Origin of Species’ (1859) -> zijn theorie van natuurlijke selectie
6. De essentie van de evolutietheorie
Darwins drie observaties en twee deducties (afleidingen):
• OBSERVATIE 1: Alle organismen hebben het potentieel voor explosieve groei. (Dit idee sluit aan bij Malthus)
• OBSERVATIE 2: Toch blijven populaties vrij stabiel (het aantal dieren of mensen ontploft niet in werkelijkheid)
o Deductie 1: Er moet een zekere strijd zijn om te overleven.
• OBSERVATIE 3: De natuur zit vol van variatie.
o Deductie 2: Sommige variaties zijn gunstiger dan andere (voordeligere kenmerken)
De vijf onderdelen van het Darwiniaans model ter verklaring van de evolutie van het leven op aarde
• Evolutie
o Levende wezens gaan doorheen de tijd veranderen
o ‘Descent with modification from common ancestry by historical processes that did not require acts of
creation’-> afstamming met verandering, door natuurlijke processen
o De wereld is niet constant maar gaat gestaag veranderen
• Gemeenschappelijke afstamming
o Alle groepen organismen hebben gemeenschappelijke voorouders.
▪ Vb. mens en aap of kip en dino
• Vermenigvuldiging van de soorten
o Diversiteit ontstaat door vermenigvuldiging binnen een soort, waardoor er nieuwe soorten ontstaan, dit kan
door:
▪ Op te splitsen in dochtersoorten
▪ Ofwel door geografische afscheiding
, • Gradualisme
o Evolutie is een graduele verandering van populaties, doorheen verschillende generaties
▪ Niet door plotse verschijning van nieuwe individuen/types
• Natuurlijke selectie (=zeef)
o Elke generatie bevat veel genetische variatie
o Sommige individuen zijn beter aangepast aan hun omgeving -> hebben meer kans op overleving en
voortplanting
▪ Hun eigenschappen zijn dus diegene die worden doorgegeven naar volgende generaties
Basis voor natuurlijke selectie:
• Het kenmerk moet erfelijk zijn (‘genetische transmissie’).
• Er moet variatie zijn tussen individuen.
o Er kunnen geen goede/slechtte eigenschappen bestaan als alle individuen genetisch gelijk waren
• De omgeving moet een zekere druk uitoefenen op het kenmerk (= selectiedruk)
o Fitness (reproductive fitness) -> kans van individu om nakomeling voort te brengen (niet de sterkste, maar
de meest succesvolle voortplanten)
o Populatie -> Een groep van organismen van dezelfde soort die zich in eenzelfde gebied voortplanten
o Mutatie -> wijziging in DNA die functie van cel al dan niet kan veranderen (zorgen voor variatie = de motor
van evolutie)
Consequenties:
• Het wereldbeeld werd door elkaar geschud
o Statisch -> dynamisch wereldbeeld.
o Spiritualisme -> materialisme/ fysicalisme.
o Bovennatuurlijke determinanten -> natuurlijke determinanten.
o Antropocentrisme steeds meer in vraag gesteld
▪ Mens staat niet langer centraal, maar wij zijn één van de vele soorten die zijn ontstaan door
natuurlijke processen
• Het Darwiniaans algoritme geboren
o VSR: variatie, selectie, reproductie
o Evolutie is dus niet ‘doelgericht’, maar improvisatie, waarbij samenwerking tussen genen en
organismen samen met toeval tot leven leidt
7. de reacties op de ideeën van Darwin
• Aantasting van niet-dynamische wereldbeelden
o Darwin stelde dat soorten veranderen over tijd, wat inging tegen het toen gangbare idee dat de wereld
vaststond
• De kerk voelde zich beledigd -> theorieën van Darwin stonden recht tegenover het idee van de kerk waarbij god de
mens heeft geschapen
• Veel opschudding (zowel wetenschappelijk als maatschappelijk)
• De catastrofetheorie waar toen veel wetenschapper achterstonden, bleek compleet onhoudbaar -> veel
wetenschappers waren hun levenswerk kwijt en werden zwaar ontkracht
ANTROPOLOGIE
SAMENVATTING 2024/2025
,DEEL 1: MENSELIJKE EVOLUTIE EN SOCIAAL
GEDRAG
H1: algemene inleidende beschouwingen
1. Inleiding
• Bio-antropologie = fysiologische antropologie
o De (natuurwetenschappelijke) studie van de mens vanuit evolutionair oogpunt
o Multidisciplinair
o Dobzhansky: “niets in biologie is logisch behalve in licht van evolutie” -> men kan niets begrijpen zonder
een evolutionaire blik toe te passen
2. Antropologie en diens subvelden
Studie mensheid in alle vormen -> cross-cultureel en holistisch
• Innerlijke werking van groep mensen begrijpen die andere cultuur hebben dan wij
o We hebben 4 overkoepelende domeinen om een totaalbeeld te krijgen over de mens
▪ Cultureel, linguistisch, archeologie en biologische antropologie
o Onze biologie produceert cultuur, maar cultuur kan ook biologie beïnvloeden: bioculturele antropologie ->
zitten in een complexe samenwerking met elkaar
o Cultuur differentieert ons van dieren
4 field approach: deelgebieden antropologie
• Culturele antropologie
o Studie menselijke samenlevingen, vooral cross-cultureel
▪ Etnologie = vergelijkende studie van verschillende culturen om algemene patronen en verschillen
te begrijpen
▪ Etnografie = gedetailleerde beschrijving van een cultuur of gemeenschap op basis van
veldonderzoek -> inzicht krijgen in verschillende culturen
o Cultuur kan biologische neigingen afremmen of versterken
• Linguïstische antropologie
o Studie taal, diens geschiedenis en gebruik in diverse samenlevingen
o Linguïstische vorm = grammaticale regels
o Linguïstische functie = waarom wij spreken -> GOSSIP en grooming (hypothese Robin Dunbar)
o In welke sociale context ontwikkelde taal zich
o Taal is een bioculturele parasiet
o Taal is niet onveranderlijk en gaat dus ook continu evolueren
• Archeologie
o Vondsten uit het verleden -> gaan zo bijleveren aan onze kennis
o Artefacten (vb. stenen bijlen of zwaarden) en materiele cultuur van vroegere volkeren (vb. grotschilderingen)
o Archeogenetica -> nieuw en ontwikkeld zeer snel
• Biologische antropologie
o Elke wetenschapper die menselijke soort vanuit evolutionair perspectief bestudeert
o De totaal evolutionaire benadering van de mens als soort
Reikwijdte biologische antropologie
• Paleoantropologie
o Studie van fossiele overblijfselen van mensheid en primaten (naaste verwanten)
o Onderzoek via veldwerk en studie in musea en labo’s (a.d.h.v. dateringstechnieken)
o Vb. een schedel in uw tuin gevonden, men gaat kijken naar de leeftijd -> als de schedel al oud is ga jij kunnen
geschrapt worden af de lijst voor mogelijke verdachten, omdat je er toen nog net woonde.
• Skeletale biologie
, o De studie van het menselijk skelet en de patronen en processen van menselijke groei, fysiologie en
ontwikkeling.
o Er is veel variatie in hoe wij eruit zien, hierdoor leren we veel over vb. grootte van bepaalde variaties
o Osteologie = studie van skelet en botten hun structuur, functie en ontwikkeling
o Skeletbiologie = studie skelet en patronen en processen menselijke groei, fysiologie en ontwikkeling
o Antropometrici = eerste generatie biologische antropologen: deden metingen van het menselijk lichaam
• Paleopathologie (en bioarcheologie)
o Studie ziekten in oude menselijke populaties (bacteriën en virussen kunnen sporen achterlaten)
o Studie menselijke resten in archeologische context
o vb. als oude beschaving plots is ingestort, onderzoeken of komt door epidemie of kijken naar sporen van
infecties op schedel/botten -> wisselwerking van ziektes/bacteriën en gevolgen voor de mens
• Forensische antropologie
o Menselijke overblijfselen in legale (forensische) context -> vaak in een hedendaagse context, maar kan ook
vb. oude massagraven van oorlogen
▪ vb. doodsoorzaak, sporenonderzoek, verkrachting
o Studie oorlogsmisdrijven (genocide), moord (doodsoorzaak en sporenonderzoek) en verkrachting (‘rape kit’)
• Primatiologie
o Is onlosmakend verbonden met antropologie
o Studie niet-menselijke primaten hun anatomie, genetica, gedrag en ecologie -> inzicht geven hoe evolutie
menselijke soort gekneed heeft
▪ Niet menselijke primaten zijn evolutionair aangepast aan sociaal leven (groepsleven) -> grote
sekseverschillen (biologisch geslacht)
▪ Deze studies geven inzicht in evolutionaire verschillen en gelijkenissen
o Pioniers: Jane Goodall (chimpansees) & Diane Fossey (gorilla’s)
o Nu: Richard Wrangham (chimpansee) & Frans De Waal (Bonobo)
• Menselijke biologie
o Menselijke groei en ontwikkeling, adaptatie aan extreme omgevingsomstandigheden en menselijke
genetica (fysiologisch aanpassen)
o Men gaat zich aanpassen aan de omgeving (adaptieve wezens) maar dit kost energie -> er is geen
eindpunt, wij blijven ons continu aanpassen
o Voedingsantropologie: studie van samenhang tussen dieet, cultuur en evolutie (co-evolutie) -> variatie
tussen individuen en groepen
o Biomedische antropologie: effecten van vervuiling, giftige stoffen op menselijke groei
o Moleculaire antropologie: verschillen genoom tussen (en binnen) mensen en niet- menselijke primaten –
o Wij hebben impulsen, maar ook controle hierover (impulscontrole) -> varieert binnen genen en
samenlevingen
3. De oorsprong van de moderne bio-antropologie
• Begon met het ontdekken van fossielen van mens en mensachtigen (= homininen).
• Keerpunt -> boek van Charles Darwin: On the Origin of Species (1859)
o Hierin legt hij uit hoe soorten (ook mensen) via evolutie ontstaan zijn
• Originele benaming: ‘physical anthropology’
, o In de eerste helft van de 20ste eeuw was men vooral bezig met het meten van het lichaam en het
analyseren van verschillende fysieke kenmerken (= antropometrie)
o Belangrijk debat -> monogenisme: mensen komen van één enkele oorsprong (één ras) vs. polygenisme:
mensen komen van meerder oorsprongen (meerdere ‘rassen’)
‘Nieuwe’ fysische antropologie
• Veranderd rond het midden van de 20ste eeuw
• Gebaseerd op de ‘Neodarwinistische synthese’ -> combinatie van genetica, anatomie, ecologie, gedrag en Darwins
evolutietheorie
o Hierdoor komt er meer aandacht voor de samenwerking van disciplines en belang van wetenschappelijk
bewijs
Paleoantropologie
• Deel van de bio-antropologie dat zich focust op de evolutie van de mens via fossiele resten
• Nieuwe dateertechnieken ontstaan
o Men gaat fossiele preciezer kunnen dateren (vb. via koolstof datering)
o Archeogenetica: oude DNA gaan analyseren
• Vandaag is dit domein zeer multidisciplinair (= verschillende soorten wetenschappen gaan samenwerken)
H2: evolutie, selectie en adaptatie
1. Inleiding
Jaren 20 (‘roaring twenties’)
• Hevige strijd tussen wetenschap en creationisme
o Velen geloofden dat de wereld en de mens geschapen zijn door een goddelijke kracht (creationisme)
▪ De opkomst van nieuwe ideeën waren zeer controversieel omdat deze botste met deze religieuze
ideeën
• Verbod op lesgeven over de evolutietheorie in de VS
o The scopes monkey trial
▪ Men mocht geen les geven over de evolutietheorie, volgens de Butler Act, Tennessee
▪ Leraar John Scopes ging dit toch doen -> kreeg een boete van 100 $
2. De oorsprong van het moderne evolutie denken
De oude Grieken
• Waren de eersten die systematisch nadachten en schreven over hoe de natuur en de mens hierin werkte
• Aristoteles
o Griekse filosoof (384 v.C. – 322 v.C.)
o Great chain of being: al het leven is geordend in een hiërarchische ladder, van het meest eenvoudige tot
het meest complexe -> met bovenaan de mens (hierboven stonden enkel nog God en engelen)
• Onveranderlijkheid van de soorten: elke soort heeft een vaste essentie -> ze waren zoals ze werden geschapen, en
konden dus niet veranderen of evolueren
Renaissance (14e-16e eeuw)
• Er ontstaat een soort wetenschappelijk denken, met meer focus op observatie en experiment (men wordt kritischer)
• Menselijke anatomie -> kunstenaars gingen anatomie bestuderen en afbeelden -> deze afbeeldingen werden de
basis voor latere wetenschappen
o Leonardo da Vinci: maakte hiervan heel gedetailleerde anatomische tekeningen dankzij zijn kennis van de
wetenschap en de kunst
o Vesalius (stichter moderne anatomie)
▪ ‘Humani Corporis Fabrica’: gaat anatomie bestuderen via dissecties van lijken -> dit was in strijd
met de kerk
• Het grote monogenisme vs. polygenisme debat
o Voor 19e eeuw: geloof in Bijbelse schepping -> de kerkelijke leer stond centraal bij het wetenschappelijk
denken in Europa
, ▪ Wetenschappers waren vooral bezig met het ordenen en benoemen van soorten (zoals
Linnaeus), waardoor de biologische oorsprong van mensen wat opzij werd geduwd
▪ Oud testament als ‘bewijs’ voor berekening datum schepping (4004 v.C.) -> Ussher
o Samuel Stanhope Smith
▪ Geloofde in monogenisme, maar vond dat verschillen tussen mensen (zoals huidskleur) het
gevolg waren van omgeving en opvoeding
o Johann Friedrich Blumenbach
▪ Monogenist -> ontwikkelde een vroege indeling van mensenrassen
• Globale verkenning
o Eerste reis rond wereld, Europese ontdekkingen en verkenning van nieuwe wereld
o Men ontdekte dat de natuur veel complexer en gevarieerder was dan gedacht -> zette wetenschappers aan
tot systematische studie van planten, dieren én mensen
3. De natuurlijke classificatie van organisme volgens Linnaeus
-> Natuuronderzoekers waren veel bezig met het categoriseren van dieren & planten, maar geloofde nog steeds in die
onveranderlijkheid
Taxonomie (= wetenschap van de classificatie en benoeming van levende wezens)
• Carolus Linnaeus (1707-1778)
o Zweedse geoloog, zoöloog
o ‘Systema Naturae’ = probeerde alle planten en dieren op aarde in een overzichtelijk systeem te plaatsen,
op basis van zichtbare kenmerken
o Geloofde in de onveranderlijkheid van soorten
• Classificatiesysteem dat helpt bij herkennen patronen
o Fysieke kenmerken werden gebruikt om planten en dieren te ordenen
o Gaf elke organisme een dubbele naam: een voor geslacht én een voor soort (= binomiale nomenclatuur)
▪ Gebruikte Griekse en Latijnse benamingen -> waren de internationale wetenschappelijke talen
▪ Vb. Homo sapiens: mens, van de geslacht homo
• Linneaanse hiërarchie
o Rangschikte organismen in een hiërarchisch systeem, van brede groepen naar steeds kleinere, op basis
van gelijkenissen
▪ Rijk -> stam -> klasse -> orde -> familie -> geslacht -> soort
o Taxon = een eenheid in de formele hiërarchie
4. De weg naar de Darwiniaanse revolutie
2 tegengestelde opvattingen
• Comte de Buffon (1707 – 1788)
o Aanvaarde het idee van biologische verandering -> soorten konden veranderen door invloed van omgeving
• Georges Cuvier (1769-1832)
o Tegenstander biologische verandering
o Voorstander catastrofisme
▪ Aarde werd volgens hem gevormd door plotselinge rampen (vb. zondvloed) die telkens hele
soorten uitroeiden, waarna er een nieuwe schepping plaatsvond
▪ vb. Noahs ark
Lamarckisme -> Jean-Baptiste de Lamarck (18e -19e)
• Dacht dat individuen eigenschappen konden ontwikkelen tijdens hun leven en die doorgeven aan hun nakomelingen
o Vb. giraf die zijn nek rekt om de hogere blaadjes te kunnen eten krijgt een langere nek, en geeft die langere
nek dan door aan zijn kinderen
o Fout: verworven kenmerken kunnen niet genetisch doorgegeven worden
Lysenkoïsme -> Trofim Lysenko
• Hoge functionaris binnen communistisch regime van SU
• Verwierp Darwiniaans model omdat ‘kapitalistisch’ was
• Verwierp ook theorie Thomas Malthus
, o Malthus: Bevolkingsgroei is sneller dan groeien van middelen en daardoor concurrentie om die schaarse
middelen
• Lysenko gebruikte Lamarckiaans ideeën op landbouw, wat rampzalig uitpakte
o Hij bewaarde wintertarwe bij kou om die zogezegd "te laten wennen" aan kou voor de volgende generatie.
o Gevolg: mislukte oogsten en massale hongersnood in SU
Uniformisten -> gaan het evolutiedenken beïnvloeden (samen met het ‘gradualisme’)
• Geloofden dat dezelfde geologische processen die vandaag actief zijn, dat ook vroeger al waren
o Grote veranderingen bestaan dus niet plots, maar geleidelijk over een lange periode
• James Hutton (1726–1797)
o Bestudeerde ontstaan van rots- en aardlagen -> was d.m.v. trage processen
▪ Paste dit nog niet toe op levende wezens -> dit gebeurde pas later door o.a. Darwin
• Charles Lyell (1797–1875)
o Bevriend met Darwin (sterke invloed)
o Beweerde dat langzame, geleidelijke verandering de manier was waarop fysieke wereld in elkaar stak
▪ Overtuigde mensen dat men door geologie het verleden van de aarde kon reconstrueren (zonder
bijbel of geloof)
5. De Darwiniaans revolutie
Charles Darwin (1809–1882)
• Kleinzoon van Erasmus Darwin (1731-1802), een bekend arts.
• Studeerde eerst theologie aan Cambridge, maar raakte gefascineerd door de natuur en wetenschap -> werd
uiteindelijk een botanicus en naturalist
• Geïnspireerd door:
o John Henslow (prof aan Cambridge)
o Alexander von Humblodt: zijn avonturen en ontdekkingen inspireerden Darwin om zelf te reizen
• Reis met de HMS Beagle (1831–1836)
o Reisde vijf jaar lang rond de wereld, langs de Zuid-Amerikaanse kusten
▪ Verzamelde planten, dieren, fossielen en observeerde natuurlijke variaties tussen soorten
o De kapitein, FitzRoy, had eerst Henslow gevraagd, maar die stuurde Darwin in zijn plaats
• Publicatie ‘On the Origin of Species’ (1859) -> zijn theorie van natuurlijke selectie
6. De essentie van de evolutietheorie
Darwins drie observaties en twee deducties (afleidingen):
• OBSERVATIE 1: Alle organismen hebben het potentieel voor explosieve groei. (Dit idee sluit aan bij Malthus)
• OBSERVATIE 2: Toch blijven populaties vrij stabiel (het aantal dieren of mensen ontploft niet in werkelijkheid)
o Deductie 1: Er moet een zekere strijd zijn om te overleven.
• OBSERVATIE 3: De natuur zit vol van variatie.
o Deductie 2: Sommige variaties zijn gunstiger dan andere (voordeligere kenmerken)
De vijf onderdelen van het Darwiniaans model ter verklaring van de evolutie van het leven op aarde
• Evolutie
o Levende wezens gaan doorheen de tijd veranderen
o ‘Descent with modification from common ancestry by historical processes that did not require acts of
creation’-> afstamming met verandering, door natuurlijke processen
o De wereld is niet constant maar gaat gestaag veranderen
• Gemeenschappelijke afstamming
o Alle groepen organismen hebben gemeenschappelijke voorouders.
▪ Vb. mens en aap of kip en dino
• Vermenigvuldiging van de soorten
o Diversiteit ontstaat door vermenigvuldiging binnen een soort, waardoor er nieuwe soorten ontstaan, dit kan
door:
▪ Op te splitsen in dochtersoorten
▪ Ofwel door geografische afscheiding
, • Gradualisme
o Evolutie is een graduele verandering van populaties, doorheen verschillende generaties
▪ Niet door plotse verschijning van nieuwe individuen/types
• Natuurlijke selectie (=zeef)
o Elke generatie bevat veel genetische variatie
o Sommige individuen zijn beter aangepast aan hun omgeving -> hebben meer kans op overleving en
voortplanting
▪ Hun eigenschappen zijn dus diegene die worden doorgegeven naar volgende generaties
Basis voor natuurlijke selectie:
• Het kenmerk moet erfelijk zijn (‘genetische transmissie’).
• Er moet variatie zijn tussen individuen.
o Er kunnen geen goede/slechtte eigenschappen bestaan als alle individuen genetisch gelijk waren
• De omgeving moet een zekere druk uitoefenen op het kenmerk (= selectiedruk)
o Fitness (reproductive fitness) -> kans van individu om nakomeling voort te brengen (niet de sterkste, maar
de meest succesvolle voortplanten)
o Populatie -> Een groep van organismen van dezelfde soort die zich in eenzelfde gebied voortplanten
o Mutatie -> wijziging in DNA die functie van cel al dan niet kan veranderen (zorgen voor variatie = de motor
van evolutie)
Consequenties:
• Het wereldbeeld werd door elkaar geschud
o Statisch -> dynamisch wereldbeeld.
o Spiritualisme -> materialisme/ fysicalisme.
o Bovennatuurlijke determinanten -> natuurlijke determinanten.
o Antropocentrisme steeds meer in vraag gesteld
▪ Mens staat niet langer centraal, maar wij zijn één van de vele soorten die zijn ontstaan door
natuurlijke processen
• Het Darwiniaans algoritme geboren
o VSR: variatie, selectie, reproductie
o Evolutie is dus niet ‘doelgericht’, maar improvisatie, waarbij samenwerking tussen genen en
organismen samen met toeval tot leven leidt
7. de reacties op de ideeën van Darwin
• Aantasting van niet-dynamische wereldbeelden
o Darwin stelde dat soorten veranderen over tijd, wat inging tegen het toen gangbare idee dat de wereld
vaststond
• De kerk voelde zich beledigd -> theorieën van Darwin stonden recht tegenover het idee van de kerk waarbij god de
mens heeft geschapen
• Veel opschudding (zowel wetenschappelijk als maatschappelijk)
• De catastrofetheorie waar toen veel wetenschapper achterstonden, bleek compleet onhoudbaar -> veel
wetenschappers waren hun levenswerk kwijt en werden zwaar ontkracht