Hierbij een samenvatting voor het vak ouderenpsychologie (2024/2025). Alle verplichte literatuur is samengevat met
daarbij de desbetreffende hoorcolleges en bijbehorende leerdoelen.
Opmerkingen vooraf
- Belangrijke begrippen uit de hoorcolleges zijn oranje gekleurd
- Besproken theorie, aanvullend op de slides zijn licht roze gekleurd
- Aansluitende literatuur uit het handboek is donker bruin gekleurd
- Sommige hoofdstukken en artikelen zijn enkel aangevuld op informatie uit de dia’s
- Op de laatste pagina staat een link naar een map om te oefenen met de stof ☺
1
,Inhoudsopgave
Samenvatting ouderenpsychologie ....................................................................................................................... 1
Hoorcollege 1 – Ouder worden, ouderenzorg en sociale netwerk ............................................................................ 3
Handboek ouderenpsychologie – Hoofdstuk 3 (sociaal netwerk en persoonlijke relaties) ........................................... 9
Handboek ouderenpsychologie – Hoofdstuk 23 (Psychologische interventies voor mantelzorgers) ............................ 11
Hoorcollege 2 – Beeldvorming............................................................................................................................. 13
Handboek ouderenpsychologie – Hoofdstuk 1 (ouder worden en ouderenpsychologie) ............................................ 17
Handboek ouderenpsychologie – Hoofdstuk 2 (levenslooptheorieën) .................................................................... 18
Hoorcollege 3 & 4 – Psychologische interventies ................................................................................................. 21
Handboek ouderenpsychoogie – Hoofdstuk 15 (Preventie).................................................................................... 33
HAndboek ouderenpsychologie - Hoofdstuk 16 (Cognitieve gedragstherapie) ......................................................... 34
HAndboek ouderenpsychologie - Hoofdstuk 17 (mediatieve cognitieve gedragstherapie) ......................................... 35
Hoorcollege 5 (deel 1) – Seksualiteit .................................................................................................................... 36
Hoorcollege 5 (deel 2) – Liefde, intimiteit en seksualiteit bij dementie .................................................................. 40
Artikel - Care Staffs Sense making of intimate and seksual expressions of peaple with dementia (Waterschoot et al.
(2022) ................................................................................................................................................................ 42
Hoorcollege 6 – Werken als psycholoog in de ouderenzorg ................................................................................... 43
E-learning ‘ouderenpsychologie in beeld’ ........................................................................................................... 47
HAndboek ouderenpsychologie - Hoofdstuk 24 (teambegeleiding) ........................................................................ 47
Klinische ouderenpsychologie - Hoofdstuk 1 (Algemeen) ...................................................................................... 49
Klinische ouderenpsychologie - Hoofdstuk 4 (Het gesprekcontact) ........................................................................ 49
Hoorcollege 7 & 8 – Cognitie, emotie, stemming, gedrag & persoonlijkheidstoornissen ......................................... 51
Handboek ouderenpsychologie - Hoofdstuk 5 (emotie en stemming) ..................................................................... 67
Handboek ouderenpsychologie - Hoofdstuk 6 (Cognitie) ...................................................................................... 68
Handboek ouderenpsychologie - Hoofdstuk 8 (gedrag) ......................................................................................... 69
Hoorcollege 9 – Leven met dementie ................................................................................................................... 70
HAndboek ouderenpsychologie - Hoofdstuk 30 (mensen met dementie) ................................................................ 75
Hoorcollege 10 – Zingeving en levensvragen, wilsbekwaamheid, verlies en rouw, levenseinde .............................. 76
Artikel – The impact of resilience among older adults ........................................................................................... 82
Hoorcollege 11 – neurobiologische ontwikkelstoornissen .................................................................................... 83
Hoorcollege 12 – Ouderen met zwakbegaafdheid of verstandelijke beperking ....................................................... 92
2
,HOORCOLLEGE 1 – OUDER WORDEN, OUDERENZORG EN SOCIALE NETWERK
1.1 BEGRIPPEN
• Gerontologie: studie van het ouder worden en de ouderdom: lichamelijk,
psychologisch, sociaal & existentieel (ouder worden in het algemeen, meer de sociaal
wetenschappelijke kant)
• Ouderenpsychologie: studie van de psychologische fenomenen bij het ouder
worden en de ouderdom: gedrag, emoties, cognitie, competenties.
➢ Belangrijk uitgangspunt: ‘de oudere bestaat niet’; er is grote diversiteit onder
ouderen
• Klinische ouderenpsychologie: past psychodiagnostiek en psychotherapeutische
behandelingen van ouderen met psychische klachten en stoornissen
Leeftijd is subjectief – “men is zo oud als men zich voelt”. Er is namelijk grootte variatie in:
• Biologische leeftijd;
• Lichamelijke en mentale gezondheid
• Temperament en persoonlijkheid
• Levensgeschiedenissen
• Cohortverschillen (omstandigheden van opgroeien); mensen hebben andere verwachtingen en
manieren van omgaan met ouderdom
• Actief en sociale integratie
• Familiale toestand
• Culturele en religieuze achtergronden, Etc.
(NB: we spreken van ouderen in plaats van bejaarden, dit is een stigmatiserende term).
Daarnaast hebben sociaal-economische verschillen (opleiding, inkomen, levensomstandigheden),
migratieachtergrond en genderidentiteit invloed op hoe iemand ouder wordt
Er kunnen vier levensfasen onderscheiden worden:
1. Van baby tot adolescent
2. Volwassen; werk en kinderen krijgen
3. Gepensioneerd; mensen zijn vaak nog vitaal maar stoppen met werken
4. Beperkingen; afhankelijk van zorg. Maar hoe kun je omgaan met deze beperkingen?;
Positieve gezondheid
Gezondheid is niet de afwezigheid van ziekte of beperkingen. We hebben een brede kijk op
gezondheid. Positieve gezondheid = het vermogen om te gaan met lichamelijke, emotionele en
sociale uitdagingen in het leven.
Oud worden vs. Oud zijn
Iedereen hoopt oud te worden, maar niemand heeft zin in oud zijn. We associëren oud zijn met
beperkingen en afhankelijkheid (negatief beeld). Voor de samenleving als geheel is ouder worden wel
een probleem
1.2 LEEFTIJDSDISCRIMINATIE – A CONCEPTUAL ANALYSIS OF AGEISM
Leeftijdsdiscriminatie: algemeen beeld wat op iemand wordt ‘geplakt’. Butler beschreef dit als volgt:
• “Ageism is the prejudice by one age group toward other age groups (een vooroordeel van de ene
leeftijdsgroep naar de andere leeftijdsgroep). Later voegde hij daar nog aan toe;
• “Ageism is a process of systematic stereotyping and discrimination against people because they
are old, just as racism and sexism accomplish this for color and gender” (het is een proces van
systematische stereotypering en discriminatie van mensen, omdat ze oud zijn, net zoals seksisme
en racisme dit bewerkstelligen voor huidskleur en geslacht)
3
, Een nieuwe definitie is noodzakelijk, omdat:
• Leeftijd is ook een sociaal construct
• Creëert een wij – zij gevoel; het geeft tegenstellingen
• Vergelijking met racisme en seksisme klopt niet; je weet niet hoe het is om de andere kenmerken
te hebben en zal dit ook nooit meemaken, maar wel worden we allemaal ouder. Daarbij gebeurd
discriminatie van ouderen vaak onopgemerkt
• Nodigt uit tot stereotypering bijvoorbeeld door het woord ‘elderly’ (= synoniem aan bejaarden)
• Doet geen recht aan de complexiteit van het concept; leeftijdsdiscriminatie gebeurd nooit écht
met intentie maar het gebeurd wel heel vaak
Nieuwe definitie van leeftijdsdiscriminatie;
“Ageism is defined as negative or positive stereotypes, prejudice and/or discrimination against (or to
the advantage of) elderly people on the basis of their chronological age or on the basis of a perception
of them as being ‘old’ or ‘elderly’. Ageism can be implicit or explicit and can be expressed on micro-,
meso- or macro-level.”; de complexiteit komt hierbij meer tot uiting.
Kenmerkend voor deze nieuwe definitie;
• Betrekking op cognitieve (percepties en beelden van een object; hoe we over ouderen denken; bv
ouderen zien als kwetsbaar en afhankelijk), affectieve (evaluatie van positieve en negatieve
gevoelens; hoe we ons voelen tegenover ouderen, bv genieten of walging voelen in gezelschap van
ouderen) en gedragscomponenten (hoe we handelen tegenover ouderen, bv boodschappen tillen)
• Positieve en negatieve aspecten; leeftijdsdiscriminatie kan positief (bv ouderen zijn wijzer omdat
ze langer hebben geleefd = sageïsme, wat kan leiden tot overmatige zorg) of negatief zijn
• Bewust (expliciete vorm) en onbewust (impliciete vorm; automatisch uiten van steretoypen en
vooroordelen)
• Diverse niveaus; micro (individueel en interpersoonlijk), meso (binnen sociale netwerken), macro
(intentioneel en cultureel niveau, bv verplichte pensioenleeftijd)
LEERDOEL 3: BEARGUMENTEREN WAAROM ER IN EEN SITUATIE SPRAKE IS VAN LEEFTIJDSDISCRIMINATIE EN UITLEGGEN
WAT DE SCHADELIJKE GEVOLGEN DAARVAN ZIJN.
LEERDOEL 4: EEN OPLOSSING BEDENKEN OM LEEFTIJDSDISCRIMINATIE IN SPECIFIEKE SITUATIES TE VOORKOMEN.
Casus Mv Ali
“Mevrouw Ali heeft als hoogleraar aan een universiteit gewerkt. Net voor haar 80ste verjaardag, verdedigde haar laatste
promovendus zijn proefschrift. Jaarlijks verzorgde ze als gastdocent een college bij verschillende vakken in haar oude
departement. Tijdens de coronapandemie deed ze dat online. Door pensionering van haar oude collega’s, is ze het contact
met het departement waar ze werkte de laatste maanden kwijtgeraakt. Ze vragen haar ook niet meer voor incidentele
klussen, zoals college geven. Ze is daarom toe aan een nieuwe uitdaging en heeft zich aangemeld bij een politieke partij in
haar gemeente. Ze wordt met open armen ontvangen en uitgenodigd om ouderen te vertegenwoordigen in deze partij.
Vanwege haar biochemische expertise vindt ze het stikstof dossier veel interessanter. Ondanks haar vurige pleidooi om
inhoudelijk bij te dragen aan het stikstof dossier, is er binnen de partij alleen ruimte voor haar als ze ouderen wil
vertegenwoordigen. Argumenten die hierbij gegeven worden is dat er snel geschakeld moet worden in de verhitte
discussies over het stikstofbeleid, dat er veel digitale communicatie is en dat de stikstof discussie van 22 jaar geleden
anders is dan die van nu.
Waarom is hier sprake van leeftijdsdiscriminatie?: Er zijn vooroordelen (mevrouw zou niet digitaal vaardig zijn en niet snel
kunnen schakelen
Hoe kunnen we leeftijdsdiscriminatie verminderen?
- Mensen een kans geven; in gesprek gaan om te checken of je vooroordelen kloppen
- Bij beoordelaars het besef van leeftijdsdiscriminatie naar voren brengen
- Leeftijd ‘wegstrepen’ en iemand op kwaliteiten beoordelen
Gevolgen:
- Versterkt tegenstellingen tussen jong en oud (creëert een ‘wij-zij’-gevoel);Beïnvloedt hoe ouderen over zichzelf denken, wat hun
gezondheid en welzijn schaadt;
- Kan leiden tot overmatige zorg, betutteling of uitsluiting, bijvoorbeeld door sageïsme (positieve vooroordelen over ouderen
4