Arbeidsrecht
1 inleiding
Alles kennen behalve illustratiemateriaal. Ook alles van cursus kennen niet enkel powerpoint.
Sociaal recht
Arbeidsrecht socialezekerheidsrecht
(= privaatrecht) (= publiekrecht)
Privaatrecht = verhouding tussen burgers onderling met name arbeidsverhouding tussen:
Werknemer en wergever = individueel arbeidsrecht
Werknemers en werkgevers = collectief arbeidsrecht
= contractsvrijheid, gelijkwaardigheid van contractpartijen
De vrijheid om wel of niet contracten af te sluiten (mogelijkheid, geen verplichting)
Als je een ovk hebt afgesloten, mag je zelf kiezen welke afspraken, verbintenissen je
maakt
Arbeidsrecht bevat ook veel dwingend recht
Je mag er niet van afwijken
Ter bescherming van de werknemer
o Ze gaan er vanuit dat er geen gelijkwaardige partijen zijn, de werknemer
wordt gezien als ‘minderwaardig’ dan de werkgever
Er bestaat ook veel collectief arbeidsrecht
Examenvraag:
Er is in België een wettelijk minimumloon
FOUT: er is geen enkelijke wet die een minimumloon oplegt
Sociaalzekerheidsrecht
= publiekrecht (OH legt de regels vast)
= verhouding tussen burger en overheid, men name rechten op sociale zekerheid die de
burger kan inroepen/ opeisen tegenover de overheid ingeval van ‘sociale risico’s’
Eenzijdigheid, dominantie van overheid
Dwingend recht (dus niets van onderhandeling)
,2 Ontstaan van het arbeidsrecht
19e eeuw: industriee-kapitalistische productiewijze => loonarbeid
Contract tussen werkgever en werknemer
Principes van burgerlijk recht: gelijkheid en vrijehdi
Praktijk: gelijke onderhandelingsprartijen?
Art 1781 BW (werkgever heeft altijd gelijk bij twijfel) klopt niet
Art 415 SW ( wet le chapelier 1971; verboden om te staken)
Werkmansboekje
= boekje die je altijd moest bijhebben als je ergens ging gaan werken, je gaf deze af
aan de werkgever en kreeg die pas terug als je daar niet meer werkte. Werkgever
moest daar feedback in geven
Ontstaan van de ‘sociale kwestie’: de miserabele werk- en leefomstandigheden
werkvolk (arbeidersproletariaat)
Sociale onrusten (1886), opkomst socialisme
Eerste sociale wetten :
1887: loonbescherming
1889: vrouwen) en kinderarbeid
1896: werkplaatsreglement
1900: wet op arbeidsovereenkomsten
1905: verplichte zondagrust
Verdere ontwikkelingen door:
1893: algemeen meervoudig stemrecht
1921: vrijheid van vereniging
DUS:
Arbeidsrecht is:
1) Uitzonderingsrecht ten opzichte van het burgerlijk recht
2) Beschermend recht voor de werknemer => art. 6 WAO
,3 juridische tewerkstellingsvormen
Tewerstellingsvormen = sociale statuten
Onderscheiding door 2 vragen
Werk je onder gezag of niet?
Werk je voor een publiek of privaat persoon?
Eerste onderscheid: eigen baas of niet?
Werken als zelfstandige
Of
Werken in dienstverband
Juridisch onderscheid: element GEZAG
De zelfstanfige
Ervaart geen geag
Heeft meerdere klanten; ‘overeenkomsten van aanneming’ (= werken voor de klant)
o Valt onder burgerlijk of handelsrecht (ond. Rb en niet arbeidsrb)
Door wetgever als zelfstandigen beschouwd: mensen die winst maken met een
nijverheids-, handels- of landbouwbedrijf; bestuurders van vennootschappen;
beoefenaars van vrije beroepen
MAAR
Sommige beroepen kunnen zowel in dienstverband als zelfstandige
o Boekhouders
Combinatie is mogelijk => zelfstandige in bijberoep
o Fotograaf, nagelsyliste, ..
Tweede onderscheid: arbeidsovereenkomst of statuur
= werken in dienstverband
I in dienst van een privépersoon (= onderneming of natuurlijk persoon)
Door een arbeidsovk => sociaal recht
Wergever en werknemer (= loontrekkende)
Onderworpen aan Abriedsovereenkomstenwet (= WAO)
Verder onderscheid:
o Arbeiders
o Bedienden
o Handelsvertegenwoordigers
o Dienstboden
, II in dienst van de overheid (= publiek persoon)
Door een statuut of rechtspositieregeling (éénzijdig opgelegd en gewijzigd) =>
bestuursrecht
Ambtenaren
Een benoeming of aanstelling
MAAR
Er bestaat ook contractueel overheidspersoneel:
o Uitzonderlijk voor welbepaalde taken of reden
Voor niet persé overheidstaken (kuisen)
Voor bv.: een bepaalde tijd
o Arbeidsovk onderworpen aan WAO!
samenvatting:
1 inleiding
Alles kennen behalve illustratiemateriaal. Ook alles van cursus kennen niet enkel powerpoint.
Sociaal recht
Arbeidsrecht socialezekerheidsrecht
(= privaatrecht) (= publiekrecht)
Privaatrecht = verhouding tussen burgers onderling met name arbeidsverhouding tussen:
Werknemer en wergever = individueel arbeidsrecht
Werknemers en werkgevers = collectief arbeidsrecht
= contractsvrijheid, gelijkwaardigheid van contractpartijen
De vrijheid om wel of niet contracten af te sluiten (mogelijkheid, geen verplichting)
Als je een ovk hebt afgesloten, mag je zelf kiezen welke afspraken, verbintenissen je
maakt
Arbeidsrecht bevat ook veel dwingend recht
Je mag er niet van afwijken
Ter bescherming van de werknemer
o Ze gaan er vanuit dat er geen gelijkwaardige partijen zijn, de werknemer
wordt gezien als ‘minderwaardig’ dan de werkgever
Er bestaat ook veel collectief arbeidsrecht
Examenvraag:
Er is in België een wettelijk minimumloon
FOUT: er is geen enkelijke wet die een minimumloon oplegt
Sociaalzekerheidsrecht
= publiekrecht (OH legt de regels vast)
= verhouding tussen burger en overheid, men name rechten op sociale zekerheid die de
burger kan inroepen/ opeisen tegenover de overheid ingeval van ‘sociale risico’s’
Eenzijdigheid, dominantie van overheid
Dwingend recht (dus niets van onderhandeling)
,2 Ontstaan van het arbeidsrecht
19e eeuw: industriee-kapitalistische productiewijze => loonarbeid
Contract tussen werkgever en werknemer
Principes van burgerlijk recht: gelijkheid en vrijehdi
Praktijk: gelijke onderhandelingsprartijen?
Art 1781 BW (werkgever heeft altijd gelijk bij twijfel) klopt niet
Art 415 SW ( wet le chapelier 1971; verboden om te staken)
Werkmansboekje
= boekje die je altijd moest bijhebben als je ergens ging gaan werken, je gaf deze af
aan de werkgever en kreeg die pas terug als je daar niet meer werkte. Werkgever
moest daar feedback in geven
Ontstaan van de ‘sociale kwestie’: de miserabele werk- en leefomstandigheden
werkvolk (arbeidersproletariaat)
Sociale onrusten (1886), opkomst socialisme
Eerste sociale wetten :
1887: loonbescherming
1889: vrouwen) en kinderarbeid
1896: werkplaatsreglement
1900: wet op arbeidsovereenkomsten
1905: verplichte zondagrust
Verdere ontwikkelingen door:
1893: algemeen meervoudig stemrecht
1921: vrijheid van vereniging
DUS:
Arbeidsrecht is:
1) Uitzonderingsrecht ten opzichte van het burgerlijk recht
2) Beschermend recht voor de werknemer => art. 6 WAO
,3 juridische tewerkstellingsvormen
Tewerstellingsvormen = sociale statuten
Onderscheiding door 2 vragen
Werk je onder gezag of niet?
Werk je voor een publiek of privaat persoon?
Eerste onderscheid: eigen baas of niet?
Werken als zelfstandige
Of
Werken in dienstverband
Juridisch onderscheid: element GEZAG
De zelfstanfige
Ervaart geen geag
Heeft meerdere klanten; ‘overeenkomsten van aanneming’ (= werken voor de klant)
o Valt onder burgerlijk of handelsrecht (ond. Rb en niet arbeidsrb)
Door wetgever als zelfstandigen beschouwd: mensen die winst maken met een
nijverheids-, handels- of landbouwbedrijf; bestuurders van vennootschappen;
beoefenaars van vrije beroepen
MAAR
Sommige beroepen kunnen zowel in dienstverband als zelfstandige
o Boekhouders
Combinatie is mogelijk => zelfstandige in bijberoep
o Fotograaf, nagelsyliste, ..
Tweede onderscheid: arbeidsovereenkomst of statuur
= werken in dienstverband
I in dienst van een privépersoon (= onderneming of natuurlijk persoon)
Door een arbeidsovk => sociaal recht
Wergever en werknemer (= loontrekkende)
Onderworpen aan Abriedsovereenkomstenwet (= WAO)
Verder onderscheid:
o Arbeiders
o Bedienden
o Handelsvertegenwoordigers
o Dienstboden
, II in dienst van de overheid (= publiek persoon)
Door een statuut of rechtspositieregeling (éénzijdig opgelegd en gewijzigd) =>
bestuursrecht
Ambtenaren
Een benoeming of aanstelling
MAAR
Er bestaat ook contractueel overheidspersoneel:
o Uitzonderlijk voor welbepaalde taken of reden
Voor niet persé overheidstaken (kuisen)
Voor bv.: een bepaalde tijd
o Arbeidsovk onderworpen aan WAO!
samenvatting: