VOEDINGSLEER
HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEGRIPPEN
Voedingsleer = “de studie van voeding in relatie tot het brede begrip van gezondheid”
→ Omvat zowel de kennis van voedingswaarde van verschillende soorten voedingsmiddelen, als de kennis
van menselijke stofwisseling, na voedselinname, op niveau van weefsels, cellen en biomoleculen &
mineralen
Voedingswaarde: gehalte aan nuttige voedingsstoffen
Voedingsmiddelen: hetgeen we opeten
Voedingsstoffen: chemische componenten binnenin voedingsmiddel
Stofwisseling: geheel van chemische processen in een organisme die energie en bouwstoffen vrijmaken of
omzetten voor groei, herstel en functioneren
Weefsels: fysiologisch
Cellen: biologisch
Biomoleculen & mineralen: biochemisch
VOEDINGSPATROON VS VOEDINGSGEDRAG:
Voedingspatroon Voedingsgedrag
Maaltijdgewoontes (bv geen ontbijt, yoghurt als Manier waarop je eet: keuzes, gewoonten, emoties
ontbijt, warm avondeten, brood bij lunch…) en sociale invloeden die bepalen wat, wanneer en
hoe iemand eet
Stabiel & cultureel gebonden (Azië: rijst als ontbijt)
Food systems
o Interacties tussen mens en
omgeving
o Interactie in de mens
3 groepen voedingsstoffen:
1. Essentiële voedingsstoffen
→ Als we ze niet opnemen worden we ziek
→ Noodzakelijk voor groei, onderhoud & herstel lichaam
→ 6 klassen:
, 2. Non-nutriënten en bio-actieve componenten
→ Chemische stoffen die geen deel uitmaken van “klassieke” nutriënten (bv anti-oxidanten)
→ Geen gekend nadelig effect
→ Bio-actieve voedingscomponenten met gunstig effect
3. Xenobiotica en natuurlijke toxines
→ I.f.v. voedselveiligheid
→ Intentioneel (additieven) – niet intentioneel (vermijdbaar vs onvermijdbaar) – natuurlijke toxines
Voedingswaarde van voedingsmiddelen
o Indeling op basis van hoeveelheid voedingsstoffen
o Perfect voedingsmiddel bestaat niet
o Voedingswaarde vs nutriëntdensiteit (veel micronutriënten, weinig energie)
o Waarden op verpakking zijn de beste benadering
Biobeschikbaarheid
o = Deel van totale hoeveelheid (in %) aanwezig in voedingsmiddel of maaltijd dat (daadwerkelijk)
gebruikt wordt voor metabole functies (en niet in het toilet belandt)
o Inname vs opname
o Is vaak laag! (10-30%)
o Door veel (4) factoren beïnvloedt:
o Niet volledige hoeveelheid die op verpakking of
voedingsmiddelentabel staat kan effectief door lichaam
gebruikt worden
ANF’s = anti-nutritionele factoren (fytinezuur, oxaalzuur, tanninen)
Positieve invloed op BB: lactose, fructose, citroenzuur, Vit. C
Voedingsbehoefte: optimale inname van voedingsstoffen wordt langs 2 zijden begrensd
Homeostase = evenwicht = zone zonder verhoogd risico
Homeostase is de bestaande marge op vlak van innamedosis en (gezondheids-)respons
,Soorten voedingsaanbevelingen:
o EAR: estimated average requierment = geschatte gemiddelde behoefte
o RDA: recommended dietary allowances = aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH)
o AI: adequate inname
o NOAEL: no observed adverse effect level
o MTI: maximum toelaatbare inname
o LTI: lowest treshold intake
Individuele behoeften
→ Ieder individu heeft een eigen voedingsbehoefte, afhankelijk van factoren zoals leeftijd, geslacht,
lichaamsgewicht en metabolisme
→ Deze behoeften variëren binnen een populatie en volgen een normale verdeling (de klokvormige grafiek)
Normale verdeling van voedingsbehoeften
→ De grafiek toont hoe de voedingsbehoefte binnen een populatie is verspreid
→ De gemiddelde behoefte (piek in de grafiek) vertegenwoordigt de voedingsbehoefte van de
meerderheid
→ Aan de linkerzijde (-2 SD) bevinden zich mensen met een lage behoefte, terwijl aan de rechterzijde (+2
SD) mensen met een hogere behoefte staan.
Referentiewaarden
→ Omdat het moeilijk is om voor elk individu apart de exacte behoefte te bepalen, worden
referentiewaarden opgesteld voor groepen (bijv. de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid, ADH)
→ De aanbevolen hoeveelheid (C) wordt meestal hoger gezet dan de gemiddelde behoefte, zodat bijna
iedereen in de populatie voldoende krijgt.
Groepsnorm vs. individuele behoefte
→ De groepsnorm (referentiewaarde) is meestal groter dan een individuele behoefte, omdat het bedoeld is
om de meerderheid van de bevolking te dekken
→ Dit betekent dat sommige mensen minder nodig hebben
dan de aanbevolen hoeveelheid, maar ook dat anderen
meer nodig hebben
Juiste inneming: tussen ADH en MTI (kans op problemen het
kleinst)
, Voedingstoestand
= Resultaat in het lichaam van de samenstelling en hoeveelheid van ingenomen voedsel en de vertering,
absorptie, metabolisatie en excretie ervan
o Als inname = optimale behoefte → optimale voedingstoestand
o Als inname < optimale behoefte → reserves aanspreken → latente deficiëntie
➔ Klinische verschijnselen = deficiëntie
o Als inname > optimale behoefte → compensatie via verhoogde uitscheiding
➔ Klinische verschijnselen = intoxicatie
Bepalen van voedingstoestand:
1. Antropometrie (meten, wegen)
2. Biochemische gegevens (bloed, urine)
3. Klinische symptomen (diagnose)
4. Dieet en voedingsinname (registratie, bevraging inname)
5. Exercise of energiebalans (energieverbruik meten)
HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEGRIPPEN
Voedingsleer = “de studie van voeding in relatie tot het brede begrip van gezondheid”
→ Omvat zowel de kennis van voedingswaarde van verschillende soorten voedingsmiddelen, als de kennis
van menselijke stofwisseling, na voedselinname, op niveau van weefsels, cellen en biomoleculen &
mineralen
Voedingswaarde: gehalte aan nuttige voedingsstoffen
Voedingsmiddelen: hetgeen we opeten
Voedingsstoffen: chemische componenten binnenin voedingsmiddel
Stofwisseling: geheel van chemische processen in een organisme die energie en bouwstoffen vrijmaken of
omzetten voor groei, herstel en functioneren
Weefsels: fysiologisch
Cellen: biologisch
Biomoleculen & mineralen: biochemisch
VOEDINGSPATROON VS VOEDINGSGEDRAG:
Voedingspatroon Voedingsgedrag
Maaltijdgewoontes (bv geen ontbijt, yoghurt als Manier waarop je eet: keuzes, gewoonten, emoties
ontbijt, warm avondeten, brood bij lunch…) en sociale invloeden die bepalen wat, wanneer en
hoe iemand eet
Stabiel & cultureel gebonden (Azië: rijst als ontbijt)
Food systems
o Interacties tussen mens en
omgeving
o Interactie in de mens
3 groepen voedingsstoffen:
1. Essentiële voedingsstoffen
→ Als we ze niet opnemen worden we ziek
→ Noodzakelijk voor groei, onderhoud & herstel lichaam
→ 6 klassen:
, 2. Non-nutriënten en bio-actieve componenten
→ Chemische stoffen die geen deel uitmaken van “klassieke” nutriënten (bv anti-oxidanten)
→ Geen gekend nadelig effect
→ Bio-actieve voedingscomponenten met gunstig effect
3. Xenobiotica en natuurlijke toxines
→ I.f.v. voedselveiligheid
→ Intentioneel (additieven) – niet intentioneel (vermijdbaar vs onvermijdbaar) – natuurlijke toxines
Voedingswaarde van voedingsmiddelen
o Indeling op basis van hoeveelheid voedingsstoffen
o Perfect voedingsmiddel bestaat niet
o Voedingswaarde vs nutriëntdensiteit (veel micronutriënten, weinig energie)
o Waarden op verpakking zijn de beste benadering
Biobeschikbaarheid
o = Deel van totale hoeveelheid (in %) aanwezig in voedingsmiddel of maaltijd dat (daadwerkelijk)
gebruikt wordt voor metabole functies (en niet in het toilet belandt)
o Inname vs opname
o Is vaak laag! (10-30%)
o Door veel (4) factoren beïnvloedt:
o Niet volledige hoeveelheid die op verpakking of
voedingsmiddelentabel staat kan effectief door lichaam
gebruikt worden
ANF’s = anti-nutritionele factoren (fytinezuur, oxaalzuur, tanninen)
Positieve invloed op BB: lactose, fructose, citroenzuur, Vit. C
Voedingsbehoefte: optimale inname van voedingsstoffen wordt langs 2 zijden begrensd
Homeostase = evenwicht = zone zonder verhoogd risico
Homeostase is de bestaande marge op vlak van innamedosis en (gezondheids-)respons
,Soorten voedingsaanbevelingen:
o EAR: estimated average requierment = geschatte gemiddelde behoefte
o RDA: recommended dietary allowances = aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH)
o AI: adequate inname
o NOAEL: no observed adverse effect level
o MTI: maximum toelaatbare inname
o LTI: lowest treshold intake
Individuele behoeften
→ Ieder individu heeft een eigen voedingsbehoefte, afhankelijk van factoren zoals leeftijd, geslacht,
lichaamsgewicht en metabolisme
→ Deze behoeften variëren binnen een populatie en volgen een normale verdeling (de klokvormige grafiek)
Normale verdeling van voedingsbehoeften
→ De grafiek toont hoe de voedingsbehoefte binnen een populatie is verspreid
→ De gemiddelde behoefte (piek in de grafiek) vertegenwoordigt de voedingsbehoefte van de
meerderheid
→ Aan de linkerzijde (-2 SD) bevinden zich mensen met een lage behoefte, terwijl aan de rechterzijde (+2
SD) mensen met een hogere behoefte staan.
Referentiewaarden
→ Omdat het moeilijk is om voor elk individu apart de exacte behoefte te bepalen, worden
referentiewaarden opgesteld voor groepen (bijv. de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid, ADH)
→ De aanbevolen hoeveelheid (C) wordt meestal hoger gezet dan de gemiddelde behoefte, zodat bijna
iedereen in de populatie voldoende krijgt.
Groepsnorm vs. individuele behoefte
→ De groepsnorm (referentiewaarde) is meestal groter dan een individuele behoefte, omdat het bedoeld is
om de meerderheid van de bevolking te dekken
→ Dit betekent dat sommige mensen minder nodig hebben
dan de aanbevolen hoeveelheid, maar ook dat anderen
meer nodig hebben
Juiste inneming: tussen ADH en MTI (kans op problemen het
kleinst)
, Voedingstoestand
= Resultaat in het lichaam van de samenstelling en hoeveelheid van ingenomen voedsel en de vertering,
absorptie, metabolisatie en excretie ervan
o Als inname = optimale behoefte → optimale voedingstoestand
o Als inname < optimale behoefte → reserves aanspreken → latente deficiëntie
➔ Klinische verschijnselen = deficiëntie
o Als inname > optimale behoefte → compensatie via verhoogde uitscheiding
➔ Klinische verschijnselen = intoxicatie
Bepalen van voedingstoestand:
1. Antropometrie (meten, wegen)
2. Biochemische gegevens (bloed, urine)
3. Klinische symptomen (diagnose)
4. Dieet en voedingsinname (registratie, bevraging inname)
5. Exercise of energiebalans (energieverbruik meten)