Woordleer
1. Het zelfstandig naamwoord (substantief)
1.1 Kenmerken
Semantisch: zelfstandigheid; betekenis, essentiële info
Morfologisch: meervoud, verkleinvorm, genitief, …
Syntactisch: kan voorafgegaan worden door ‘die’ of ‘dat’; zinsdeel(stuk);
samen met andere woorden zoals een lidwoord, bijvoeglijk naamwoord, …
1.2 Categorieën – semantisch
1.2.1 Soortnaam vs. eigennaam
Soortnaam: duiden een soort aan; de ene soort dingen/wezens
Bv. maatregel, huis, spoedopname, …
Eigennaam: iemand/iets unieks; individuele dingen/wezens
Bv. Louise, Dafalgan, …
Geschreven met een hoofdletter
1.2.2 Concretum vs. abstractum
Concretum: tastbare of waarneembare zelfstandigheden aan
o Voorwerpsnamen
Persoonsnamen
Bv. leraar, arts, …
Dierennamen
Bv. aap, beer, olifant, …
Zaaknamen (voorwerp)
Bv. stoel, fles, zak, …
o Stofnamen
Bv. diamant, lood, rubber, …
o Verzamelnamen
Bv. gebladerte, aantal, …
Meervoudsvorm mogelijk
Abstractum: niet tastbaar
Bv. Januari, misselijkheid, angst, verlies, …
Meervoudsvorm niet mogelijk
1.2.3 Telbaar vs. ontelbaar
Telbare substantieven
o Enkelvoud – meervoud
o Lidwoord ‘een’
o Meervoud: bepaalde en onbepaalde hoofdtelwoorden
Niet-telbare substantieven
o Geen enkelvoud – meervoud
o Geen lidwoord
o Geen meervoud
o Geen bepaalde hoofdtelwoorden
o Wel: zonder lidwoord en onbepaalde hoofdtelwoorden
, 1.3 Categorieën – syntactisch
DE-woorden: hij – hem – zijn /zij – ze – haar
HET-woorden: het – zijn
Verkleinwoorden: altijd HET
Soms zowel ‘de’ als ‘het’; soms betekenisverschil
Samenstellingen: hoofdwoord bepaalt het genus
1.4 Categorieën – grammaticaal
Datief: vaste verbindingen en archaïsch taalgebruik
Bv. ten tijde van, met voorbedachten rade, ten huize van, …
Genitief
o Tijdsbepalingen
Bv. ’s morgens, ’s avonds, …
o Bezitsvorm
Bv. Laura’s jurk, Arteveldes studenten, …
1.5 Categorieën – vormen van grondwoorden
Verkleinwoord: spotten, liefkozen, iets kleins aanduiden
Bv. konijntje
Grondwoord
Bv. konijn
Meervoud: meer dan één
Bv. konijnen
Samenstelling: met een ander grondwoord
Bv. konijnenhok
1.6 (De)nominaliseren
Nominaliseren: werkwoord gebruiken als een zelfstandig naamwoord
= naamwoordstijl
Bv. het eten van, het vinden van, …
Denominaliseren: naamwoordstijl vervangen door vervoegd
werkwoord/infinitief
Bv. we eten, we vonden, …
2. Het lidwoord (artikel)
2.1 Kenmerken
Semantisch: bepaald of onbepaald
o Bepaald: de/het
o Onbepaald: een
o Categoriaal
o Generiek
Morfologisch: de, het , een + oude restanten van oude naamvallen
Syntactisch: verbonden met een substantief of zelfstandig gebruikt woord
(adjectief/werkwoord)
2.2 Categorieën
Bepaald lidwoord
o Uit de context is duidelijk waarnaar verwezen wordt
1. Het zelfstandig naamwoord (substantief)
1.1 Kenmerken
Semantisch: zelfstandigheid; betekenis, essentiële info
Morfologisch: meervoud, verkleinvorm, genitief, …
Syntactisch: kan voorafgegaan worden door ‘die’ of ‘dat’; zinsdeel(stuk);
samen met andere woorden zoals een lidwoord, bijvoeglijk naamwoord, …
1.2 Categorieën – semantisch
1.2.1 Soortnaam vs. eigennaam
Soortnaam: duiden een soort aan; de ene soort dingen/wezens
Bv. maatregel, huis, spoedopname, …
Eigennaam: iemand/iets unieks; individuele dingen/wezens
Bv. Louise, Dafalgan, …
Geschreven met een hoofdletter
1.2.2 Concretum vs. abstractum
Concretum: tastbare of waarneembare zelfstandigheden aan
o Voorwerpsnamen
Persoonsnamen
Bv. leraar, arts, …
Dierennamen
Bv. aap, beer, olifant, …
Zaaknamen (voorwerp)
Bv. stoel, fles, zak, …
o Stofnamen
Bv. diamant, lood, rubber, …
o Verzamelnamen
Bv. gebladerte, aantal, …
Meervoudsvorm mogelijk
Abstractum: niet tastbaar
Bv. Januari, misselijkheid, angst, verlies, …
Meervoudsvorm niet mogelijk
1.2.3 Telbaar vs. ontelbaar
Telbare substantieven
o Enkelvoud – meervoud
o Lidwoord ‘een’
o Meervoud: bepaalde en onbepaalde hoofdtelwoorden
Niet-telbare substantieven
o Geen enkelvoud – meervoud
o Geen lidwoord
o Geen meervoud
o Geen bepaalde hoofdtelwoorden
o Wel: zonder lidwoord en onbepaalde hoofdtelwoorden
, 1.3 Categorieën – syntactisch
DE-woorden: hij – hem – zijn /zij – ze – haar
HET-woorden: het – zijn
Verkleinwoorden: altijd HET
Soms zowel ‘de’ als ‘het’; soms betekenisverschil
Samenstellingen: hoofdwoord bepaalt het genus
1.4 Categorieën – grammaticaal
Datief: vaste verbindingen en archaïsch taalgebruik
Bv. ten tijde van, met voorbedachten rade, ten huize van, …
Genitief
o Tijdsbepalingen
Bv. ’s morgens, ’s avonds, …
o Bezitsvorm
Bv. Laura’s jurk, Arteveldes studenten, …
1.5 Categorieën – vormen van grondwoorden
Verkleinwoord: spotten, liefkozen, iets kleins aanduiden
Bv. konijntje
Grondwoord
Bv. konijn
Meervoud: meer dan één
Bv. konijnen
Samenstelling: met een ander grondwoord
Bv. konijnenhok
1.6 (De)nominaliseren
Nominaliseren: werkwoord gebruiken als een zelfstandig naamwoord
= naamwoordstijl
Bv. het eten van, het vinden van, …
Denominaliseren: naamwoordstijl vervangen door vervoegd
werkwoord/infinitief
Bv. we eten, we vonden, …
2. Het lidwoord (artikel)
2.1 Kenmerken
Semantisch: bepaald of onbepaald
o Bepaald: de/het
o Onbepaald: een
o Categoriaal
o Generiek
Morfologisch: de, het , een + oude restanten van oude naamvallen
Syntactisch: verbonden met een substantief of zelfstandig gebruikt woord
(adjectief/werkwoord)
2.2 Categorieën
Bepaald lidwoord
o Uit de context is duidelijk waarnaar verwezen wordt