KINDEREN EN JONGEREN MET
GEDRAGS- EN EMOTIOELE PROBLEMEN
1 OMSCHRIJVING
1.1 OMSCHRIJVING VAN GEDRAGS- EN EMOTIONELE PROBLEMEN
Verschillende benaming
Continuüm in gedrag
o Licht tijdelijk – ernstig
o Internaliserend/ externaliserend
Op zichzelf gericht
Naar buiten gericht
Zichtbaar ongewoon of abnormaal gedrag
o Storend gedrag:
Woedebuien, hyperkinetisch
o Emotionele problemen:
Angst, depressie
o Somatoforme stoornissen:
Hoofdpijn, buikpijn
Indeling
o Leeftijds- of fasegebonden
o Licht tijdelijk - ernstig
1.1.1 GEDRAGS- EN EMOTIONELE PROVLEMEN VS
GEDRAGSSTOORNISSEN
Onderscheid
o Ernstige langdurige problemen = gedragsstoornissen
o Licht, tijdelijke gedragsproblemen
Gedragsprobleem
o Geen diagnose
o Een symptoom
Ijsbergtheorie
Gedragsstoornissen
o Ernstige gedragsproblemen of probleemgedragingen
o Minder situatiegebonden
o DSM IV-Tr DSM 5 = diagnostische criteria
o Oppositioneel opstandige gedragsstoornis
Verzet
o Normoverschrijdende gedragsstoornis
Antisociale gedragsstoornis
Overtreding van waarden en normen
1.1.2 DELINQUENT GEDRAG
= Continuüm van gedragingen waarbij een inbreuk gepleegd wordt op regels,
normen en wetten en/of schade berokkend wordt aan individuen of maatschappij.
Strafbare feiten of delicten
o Gewelds- en zedendelicten
o Eigendoms- vermogensdelicten
o Statusdelicten: leeftijd bv. spijbelen op 13 jaar
o Drugsdelicten
o Verkeersdelicten
o Vernieling en openbare orde delicten
1.1.3 ONDERSCHEID
, Ontwikkelingsstoornissen
o Vertraging in 1 of meer domeinen
Kinderpsychiatrische stoornissen
Opvoedingsproblemen
1.1.4 DEFENITIE GEDRAGSPROBLEMEN
= Gedragingen van een bepaald kind, die op een bepaald moment in de tijd, door
bepaalde personen uit de omgeving van het kind in een welbepaalde socio-
economische en culturele context opgemerkt en storend, ongewenst of
ongewoon genoemd. Rekening houdend met de criteria
1.2 BIJKOMENDE AANDACHTSPUNTEN BIJ HET OMSCHRIJVEN
Ontwikkelingsperspectief
o Hoe oud is het kind
o Wat is gepast voor zijn/haar leeftijd
o Gepast:
Nachtelijk huilgedrag baby 6 maanden
Koppig gedrag 2-jarig
Woedbuien kleuter 5 jaar
Protestgedrag puber 13 jaar
Kennis van ontwikkeling is noodzakelijk om gedrag in te schatten
Continuümgedachte
o Alle kinderen stellen wel eens gedragsproblemen
o Verschil in ernst, duur en frequentie
Context
o Soms 1 situatie
Thuis
Op school
Bij 1 persoon
o Soms meerdere situaties (pervasief)
Informant
o Wie meldt het gedragsprobleem
o Soms verschil in perceptie
Persoonlijkheidsfactoren
Andere band met kind
G van kind verschilt echt
2 EPIDEMIOLOGIE
= de studie naar prevalentie en de verspreiding van een ziekte of toestand in een
populatie.
De studie van het voorkomen en de verspreiding van gedragsproblemen in de
populatie van de 0 -18-jarigen
Populatie = bevolkingsgroep
Prevalentie = hoe vaak komt iets voor
Incidentie = het aantal nieuwe ‘gevallen’ binnen een bepaald tijdsbestek, per
aantal personen
Demografische variabelen
o Statische grootheden om kenmerken van volkeren of sociale en
politieke verschijnselen te beschrijven
Geslacht
Leeftijd
Socio-economische status van gezin
Gedragsproblemen komen frequent voor
o 80% van 3-jarigen kinderen fysiek agressief gedrag
, Vroege starters
o Vrije jonge leeftijd antisociaal gedrag, blijven dit doen
o Delicten plegen
o Impulsief, rusteloos en snel afgeleid
o Moeilijker temperament
o Minder gevoelig voor stress, vervelen zich sneller en schrikken minder
Laatbloeiers
o Moeilijk gedrag vanaf puberteit
o Grenzen verleggen en stoer doen
o Alcohol, drug en experimenteren
Gedragsproblemen blijken vaak stabiel te zijn
Prevalentie 10% > hulpzoekende ouders 2%
Prevalentie jongens > meisjes
Verschil in aard van het probleemgedrag
o Geslacht
Jongens: externaliserend gedrag
Meisjes: internaliserend gedrag
o Leeftijd
Jong: woedebuien, bedplassen, koppigheid
Ouder: psychosomatische klachten
o Socio- economische status van het gezin
Zwakkere status > hogere status
Verhoogde kwetsbaarheid
3 ETIOLOGIE + BEGELEIDING
Geen eenduidige oorzaak
Vroeger: monocausaliteit
Nu: multicausaliteit
Algemene aspecten van behandeling
o Doel: blijvende verandering teweegbrengen
Problemen verminderen in frequentie ernst en omvang
Hanteerbaar maken voor kind en omgeving
o Behandeling wint aan kracht – langdurig en positief effect (evidence-
based)
3.1 MONOCAUSALE VERKLARINGSMODELLEN
3.1.1 BIOLOGISCHE VERKLARINGSMODELLEN
Gedrag wordt intern gestuurd door biologische processen
Verklaring gedrag: samenspel van diverse biologische factoren
Oorzaken/ invalshoeken
o Neuroanatomische invalshoek
Verklaring gedrag: disfuncties in de structuur van de hersenen
Limbisch systeem belangrijke rol in gedragsregulatie
o Neurofunctionele invalshoek
Verklaring gedrag: niet optimale activatie van hersenregio’s
o Neurochemische invalshoek
Relatie tussen de chemische processen in de hersenen en gedrag
o Genetica
Onderzoek of gedragsproblemen erfelijk zijn
Behandeling
, o Farmacotherapie
Begeleiding
o Kinderpsychiatrie: farmacotherapie
o Eclecticisme: verschillende denkvormen versmelten tot iets nieuws
3.1.2 PSYCHOANALYSE
Oorzaak: intrapsychisch (interne psychische processen)
o Onbewuste conflicten
o Traumatische ervaringen
o Tijdens eerste levensjaren
Begeleiding
o Intrapsychoanalyse conflicten oplossen
Speltechnieken
Gesprekanalytische technieken
o Zorgen voor inzicht in probleemgedrag
3.1.3 LEERTHEORIE
Oorzaak
o Te veel of te weinig aangeleerde gedragsvormen
o Men spreekt niet over stoornissen, enkel verkeer aangeleerd gedrag
Patterson
o Interacties verlopen volgens een patroon
o 4 stappen, samen een dans
Stap 1: eis van de ouder
Stap 2: tegenaanval kind
Stap 3: eis opgeven
Stap 4: negatieve gedrag kind is weg
Begeleiding
o Tekort of teveel aan gedrag
o Te weinig of te veel leerervaringen
o Positieve en negatieve bekrachtiging
o Laatste jaren: denk- en gevoelswereld kin wordt betrokken
o Residentieel – mediator (transfer)
Patterson
o 5 opvoedingsvaardigheden
Betrokken ouder, positieve betrokkenheid
Supervisie, monitoring
Leiding nemen
Positieve aandacht geven, + bekrachtiging
Oplossingsstrategieën
o Vaardigheden zijn buffer tussen risicofactoren omgeving en
ontwikkeling gedragsproblemen (multicausaal model)
3.1.4 SYSTEEMTHEORIE/ GEZINSTHERAPEUTISCHE BENADERING
Oorzaken
o Disfuncties binnen het gezinssysteem
o Kind met probleemgedrag = bliksemafleider
o Gedragsstoornis wordt gesitueerd binnen relatie, patroon en netwerk
o Verklaring in gezinssysteem
Begeleiding
o Gezin staat centraal
o Begeleiding = wijzigen interacties
Los zand of kluwen
o Elk gezinslid =cliënt
o Er moet iets gebeuren met heel het gezin
GEDRAGS- EN EMOTIOELE PROBLEMEN
1 OMSCHRIJVING
1.1 OMSCHRIJVING VAN GEDRAGS- EN EMOTIONELE PROBLEMEN
Verschillende benaming
Continuüm in gedrag
o Licht tijdelijk – ernstig
o Internaliserend/ externaliserend
Op zichzelf gericht
Naar buiten gericht
Zichtbaar ongewoon of abnormaal gedrag
o Storend gedrag:
Woedebuien, hyperkinetisch
o Emotionele problemen:
Angst, depressie
o Somatoforme stoornissen:
Hoofdpijn, buikpijn
Indeling
o Leeftijds- of fasegebonden
o Licht tijdelijk - ernstig
1.1.1 GEDRAGS- EN EMOTIONELE PROVLEMEN VS
GEDRAGSSTOORNISSEN
Onderscheid
o Ernstige langdurige problemen = gedragsstoornissen
o Licht, tijdelijke gedragsproblemen
Gedragsprobleem
o Geen diagnose
o Een symptoom
Ijsbergtheorie
Gedragsstoornissen
o Ernstige gedragsproblemen of probleemgedragingen
o Minder situatiegebonden
o DSM IV-Tr DSM 5 = diagnostische criteria
o Oppositioneel opstandige gedragsstoornis
Verzet
o Normoverschrijdende gedragsstoornis
Antisociale gedragsstoornis
Overtreding van waarden en normen
1.1.2 DELINQUENT GEDRAG
= Continuüm van gedragingen waarbij een inbreuk gepleegd wordt op regels,
normen en wetten en/of schade berokkend wordt aan individuen of maatschappij.
Strafbare feiten of delicten
o Gewelds- en zedendelicten
o Eigendoms- vermogensdelicten
o Statusdelicten: leeftijd bv. spijbelen op 13 jaar
o Drugsdelicten
o Verkeersdelicten
o Vernieling en openbare orde delicten
1.1.3 ONDERSCHEID
, Ontwikkelingsstoornissen
o Vertraging in 1 of meer domeinen
Kinderpsychiatrische stoornissen
Opvoedingsproblemen
1.1.4 DEFENITIE GEDRAGSPROBLEMEN
= Gedragingen van een bepaald kind, die op een bepaald moment in de tijd, door
bepaalde personen uit de omgeving van het kind in een welbepaalde socio-
economische en culturele context opgemerkt en storend, ongewenst of
ongewoon genoemd. Rekening houdend met de criteria
1.2 BIJKOMENDE AANDACHTSPUNTEN BIJ HET OMSCHRIJVEN
Ontwikkelingsperspectief
o Hoe oud is het kind
o Wat is gepast voor zijn/haar leeftijd
o Gepast:
Nachtelijk huilgedrag baby 6 maanden
Koppig gedrag 2-jarig
Woedbuien kleuter 5 jaar
Protestgedrag puber 13 jaar
Kennis van ontwikkeling is noodzakelijk om gedrag in te schatten
Continuümgedachte
o Alle kinderen stellen wel eens gedragsproblemen
o Verschil in ernst, duur en frequentie
Context
o Soms 1 situatie
Thuis
Op school
Bij 1 persoon
o Soms meerdere situaties (pervasief)
Informant
o Wie meldt het gedragsprobleem
o Soms verschil in perceptie
Persoonlijkheidsfactoren
Andere band met kind
G van kind verschilt echt
2 EPIDEMIOLOGIE
= de studie naar prevalentie en de verspreiding van een ziekte of toestand in een
populatie.
De studie van het voorkomen en de verspreiding van gedragsproblemen in de
populatie van de 0 -18-jarigen
Populatie = bevolkingsgroep
Prevalentie = hoe vaak komt iets voor
Incidentie = het aantal nieuwe ‘gevallen’ binnen een bepaald tijdsbestek, per
aantal personen
Demografische variabelen
o Statische grootheden om kenmerken van volkeren of sociale en
politieke verschijnselen te beschrijven
Geslacht
Leeftijd
Socio-economische status van gezin
Gedragsproblemen komen frequent voor
o 80% van 3-jarigen kinderen fysiek agressief gedrag
, Vroege starters
o Vrije jonge leeftijd antisociaal gedrag, blijven dit doen
o Delicten plegen
o Impulsief, rusteloos en snel afgeleid
o Moeilijker temperament
o Minder gevoelig voor stress, vervelen zich sneller en schrikken minder
Laatbloeiers
o Moeilijk gedrag vanaf puberteit
o Grenzen verleggen en stoer doen
o Alcohol, drug en experimenteren
Gedragsproblemen blijken vaak stabiel te zijn
Prevalentie 10% > hulpzoekende ouders 2%
Prevalentie jongens > meisjes
Verschil in aard van het probleemgedrag
o Geslacht
Jongens: externaliserend gedrag
Meisjes: internaliserend gedrag
o Leeftijd
Jong: woedebuien, bedplassen, koppigheid
Ouder: psychosomatische klachten
o Socio- economische status van het gezin
Zwakkere status > hogere status
Verhoogde kwetsbaarheid
3 ETIOLOGIE + BEGELEIDING
Geen eenduidige oorzaak
Vroeger: monocausaliteit
Nu: multicausaliteit
Algemene aspecten van behandeling
o Doel: blijvende verandering teweegbrengen
Problemen verminderen in frequentie ernst en omvang
Hanteerbaar maken voor kind en omgeving
o Behandeling wint aan kracht – langdurig en positief effect (evidence-
based)
3.1 MONOCAUSALE VERKLARINGSMODELLEN
3.1.1 BIOLOGISCHE VERKLARINGSMODELLEN
Gedrag wordt intern gestuurd door biologische processen
Verklaring gedrag: samenspel van diverse biologische factoren
Oorzaken/ invalshoeken
o Neuroanatomische invalshoek
Verklaring gedrag: disfuncties in de structuur van de hersenen
Limbisch systeem belangrijke rol in gedragsregulatie
o Neurofunctionele invalshoek
Verklaring gedrag: niet optimale activatie van hersenregio’s
o Neurochemische invalshoek
Relatie tussen de chemische processen in de hersenen en gedrag
o Genetica
Onderzoek of gedragsproblemen erfelijk zijn
Behandeling
, o Farmacotherapie
Begeleiding
o Kinderpsychiatrie: farmacotherapie
o Eclecticisme: verschillende denkvormen versmelten tot iets nieuws
3.1.2 PSYCHOANALYSE
Oorzaak: intrapsychisch (interne psychische processen)
o Onbewuste conflicten
o Traumatische ervaringen
o Tijdens eerste levensjaren
Begeleiding
o Intrapsychoanalyse conflicten oplossen
Speltechnieken
Gesprekanalytische technieken
o Zorgen voor inzicht in probleemgedrag
3.1.3 LEERTHEORIE
Oorzaak
o Te veel of te weinig aangeleerde gedragsvormen
o Men spreekt niet over stoornissen, enkel verkeer aangeleerd gedrag
Patterson
o Interacties verlopen volgens een patroon
o 4 stappen, samen een dans
Stap 1: eis van de ouder
Stap 2: tegenaanval kind
Stap 3: eis opgeven
Stap 4: negatieve gedrag kind is weg
Begeleiding
o Tekort of teveel aan gedrag
o Te weinig of te veel leerervaringen
o Positieve en negatieve bekrachtiging
o Laatste jaren: denk- en gevoelswereld kin wordt betrokken
o Residentieel – mediator (transfer)
Patterson
o 5 opvoedingsvaardigheden
Betrokken ouder, positieve betrokkenheid
Supervisie, monitoring
Leiding nemen
Positieve aandacht geven, + bekrachtiging
Oplossingsstrategieën
o Vaardigheden zijn buffer tussen risicofactoren omgeving en
ontwikkeling gedragsproblemen (multicausaal model)
3.1.4 SYSTEEMTHEORIE/ GEZINSTHERAPEUTISCHE BENADERING
Oorzaken
o Disfuncties binnen het gezinssysteem
o Kind met probleemgedrag = bliksemafleider
o Gedragsstoornis wordt gesitueerd binnen relatie, patroon en netwerk
o Verklaring in gezinssysteem
Begeleiding
o Gezin staat centraal
o Begeleiding = wijzigen interacties
Los zand of kluwen
o Elk gezinslid =cliënt
o Er moet iets gebeuren met heel het gezin