1. Basis concepten van immunologie
Lymfocyten kunnen pathogene micro-organismen herkennen & targetten
→ moeten gestuurd worden door de aangeboren immuniteit
Alle cellulaire componenten van bloed komen voort uit een pluripotente hematopoëtische stamcel in het
beenmerg
→ leukocyten, lymfoïde & myeloïde cellen
⇒ aangeboren & verworven immuunsysteem
Pathogenen:
● Virussen: doden cellen door lyse te induceren tijdens virale replicatie
● Mycobacteria: doden cellen direct of brengen schade toe via toxines
● Parasieten: doden geïnfecteerde cellen
● Bacteriën & fungi: induceren shock & sepsis door toxines in het bloed of in weefsel vrij te geven
Anatomische barrière vermijd blootstelling aan microben
Complement = 30 verschillende plasmaproteïnen die samen 1 belangrijk effector
mechanisme vormen
Fagocyterende capaciteit: bacteriën opnemen & vernietigen
Aspecifieke reacties
Heel gericht tegen 1 bepaald pathogen
Resistentie = pathogenen reduceren of elimineren
→ effector mechanismen
,Tolerantie = uitbreiding van manieren waarop een weefsel schade door microben kan weerstaan
Immunologische resistentie = mechanismen die voorkomen dat een immuunrespons tegen eigen weefsels
opgezet wordt
Common myeloid progenitor (CMP) ⇒ macrofagen, granulocyten, mastcellen & dendritische cellen
Primaire of centrale lymfoïde organen ⇒ differentiatie van hematopoëtische stamcellen in verschillende
hematopoëtische cellen
→ thymus & beenmerg
Secundaire of perifere lymfoïde organen ⇒ activatie van immuuncellen ⇒ initiatie van adaptieve
immuunrespons
Lymfe & lymfevaten ⇒ vervoer van antigenen naar drainerende lymfeknopen + recirculerende lymfocyten
terug naar het bloed
Perifeer invaderende pathogenen worden opgenomen door dendritische cellen
→ migreren weg van de infectie plaats naar drainerende lymfeknopen via afferente lymfevaten
→ presenteren het antigen aan recirculerende T-lymfocyten
→ B-cellen worden geactiveerd door helper T-cellen
→ B- & T-cellen verlaten de lymfeknoop als effectorcellen via efferente lymfevaten
Infectie ⇒ grootte van follikels neemt toe ⇒ germinale centra ⇒ lymfeknoop zwelt op
Lymfeknoop:
Collecteert antigenen vanuit lymfe
Afferente lymfevaten voeren lymfe MET antigenen aan
Naïeve lymfocyten komen binnen via postcapillaire venules
(high endothelial venules (HEV))
→ afgevoerd via efferente lymfevaten
Peyerse platen:
Collecteren antigenen vanuit de darm
→ opgenomen via M-cellen
→ gespecialiseerde epitheelcellen
Antigenen worden doorgegeven aan dendritische cellen ⇒
activatie T-cellen in blauwe zone ⇒ activatie B-cellen in
gele zone
MALT = mucosal-associated lymphoid tissue = GALT + BALT
→ GALT = gut-associated lymphoid tissue
→ BALT = bronchial-associated lymphoid tissue
,Milt:
Collecteert antigenen vanuit het bloed
→ niet verbonden met lymfevaten
Rode pulp ⇒ oude RBC verwijderen
Witte pulp = lymfocyten die arteriolen omsingelen
Lymfocyten, dendritische cellen en macrofagen komen samen via
trabeculaire arterie & centrale arteriolen in het PALS
→ cellen & antigenen komen terecht in marginale sinus & daarna in de
trabeculaire vene
PALS = periarteriolar lymphoid sheath
2. Aangeboren immuniteit
Anatomische barrières & intiële chemische afweer
Respons op een initiële infectie gebeurt in 4 fases:
● Insluiting van het pathogeen door een anatomische barrière
→ preventie van infectie
● Herkenning van de infectie door aspecifieke effectormoleculen
→ oorzaak verwijderen
● Herkenning van PAMPs + activatie van effectorcellen & inflammatie
→ oorzaak verwijderen
→ vroeg geïnduceerde aangeboren immuunrespons
● Transport van antigenen naar lymfoïde organen
→ herkenning door naïeve B- & T-cellen ⇒ klonale expansie & differentiatie naar effectorcellen
→ oorzaak verwijderen
→ adaptieve immuunrespons
Pathogenen kunnen via verschillende wegen het lichaam invaderen
⇒ verschillende afweermechanismen nodig
Fysieke barrières:
● Epidermis
○ verschillende epitheelcellagen ⇒ water-ondoordringbare laag
○ epitheelcellen in stratum granulosum secreteren antimicrobiële defensines
● Longen/luchtwegen
○ bekercellen secreteren slijm
→ constant in beweging door trilhaarbewegingen
○ pneumocyten secreteren antimicrobiële defensines
● Darm
○ bekercellen secreteren slijm
○ paneth cellen secreteren antimicrobiële defensines
Microbiota = gezonde bacteriën die noodzakelijk zijn voor de werking van het lichaam
→ kunnen onderscheiden worden van pathogene bacteriën
, Antwoord op infectie via een wond in de huid:
● Epitheel is de eerste barrière
● Immediate innate immunity: macrofagen & complement
● Induced innate immunity: neutrofielen, macrofagen & complement
● Adaptieve immuunrespons
Complementsysteem & aangeboren immuniteit
Complementsysteem = verschillende plasmaproteïnen interageren met elkaar & veroorzaken een domino
effect
→ proteasen worden geactiveerd door proteolytische klieving
→ inactief in basisvorm ⇒ kunnen wijd verspreid worden zonder negatief effect
→ natieve componenten: hoofdletter + nummer
→ b = groot fragment ⇒ bindt op het pathogeen
→ a = klein fragment ⇒ solubele mediator
Deficiëntie van C3 of vroegere complement moleculen ⇒ meer bacteriële infecties
Deficiëntie van C5 of latere complement moleculen ⇒ meer Neisseria infecties
→ minder drastische gevolgen
C3a, C3b & C5a receptoren worden geëxpresseerd op fagocyten & endotheelcellen
→ belangrijk voor recruitment & activering van immuuncellen
C5a is actiever dan C3a
→ heeft een lokaal effect op het endotheel & de immuuncellen: activering & chemotaxis
⇒ bloedvaten verwijden ⇒ tragere bloedstroom ⇒ witte bloedcellen passeren trager bij de infectie ⇒ witte
bloedcellen kunnen makkelijker blijven hangen
⇒ makkelijkere penetratie van immuuncomponenten vanuit het bloed naar de plaats van infectie
Complement activatie ⇒ C3b bindt op oppervlak van bacteriën ⇒ bindt op complement receptor van
fagocyten
→ niet voldoende om fagocytose te induceren
⇒ C5a bindt op C5a receptor
Opsonisatie = proces waarbij een lichaamsvreemd deeltje beladen wordt met een antilichamen of complement
proteïnen (opsoninen), waardoor het kan opgenomen worden door fagocyten
Membrane-attack complex ⇒ porie in de lipid bilayer:
Pathogenen kunnen proteïnen produceren om aan het immuunsysteem te ontsnappen
→ schakelen vaak C3b uit door te binden