Orthopedagogie
Pedagogiek = Opvoedingswetenschap: is de wetenschap die het opvoeden als object
heeft en waarin het denken over opvoeden centraal staat.
Pedagogie Het handelen, uitvoeren, de praktijk van het opvoeden
Aantal facetten van opvoeden
1. Omgaan met anderen De manier van omgang tussen volwassen en kinderen
2. De unieke omgang Omgang is uniek en persoonlijk met kernmerken geborgenheid en
veiligheid.
3. Omgang met invloed doelgerichte invloed= waarde en normen
4. Omgang met vrijheden en beperkingen “Grenzen”: neemt af hoe ouder een kind
wordt.
Innerlijke en uiterlijke factoren bij het opvoeden, die door het opvoedingsklimaat worden
beïnvloed
- Innerlijke factoren (erfelijk) bij geboorte meekrijgt
- Uiterlijke factoren de omstandigheden waarin het kind opgroeit: het milieu, de
omgeving en de situatie waarin het kind zich kan ontwikkelen
Opvoedingsproces
Orthopedagogiek recht/ juist maken wat krom gegroeid is. Het is de wetenschap die de
bijzondere opvoeding als object heeft. (kinderen en jongeren)
(Ortho) Agogiek Handelen wanneer we deskundig, methodisch en intentioneel omgaan
met veranderingsprocessen. (volwassenen)
Soorten functioneringsproblemen
Zintuigelijk Doof, blind, slechtziend,…
Motorisch Motoriek is belemmerd
Cognitief Problemen met denken,…
Gedrag- emotioneel Door factoren in conflict geraken met
zichzelf
Meervoudig Vanaf 2 functioneringsproblemen
,Maatschappijvisie
1. Separatie Apart van de samenleving.
Zo belasten ze de samenleving niet met de confrontatie. Vb: Ter bescherming van de
doelgroep, kinderen met een beperking volgen les in een buitengewoononderwijs.
2. Integratie Het proces van dichterbij de maatschappij komen.
Het individu dient zich aan te passen aan de normale maatschappij. Al in de
samenleving, maar toch nog apart personen met bespreking. Vb: Dichterbij de
maatschappij komen. Mensen met een beperking mogen gebruik maken van het
openbaar zwembad, maar wel op uren waar het niet druk is.
3. Normalisatie Het eind doel van integratie is geslaagd.
Normalisatie van leefgroepen: mensen met een handicap moeten een normaal dag-
en nachtritme hebben.
Normalisatie van een persoon: zo “normaal” mogelijk functioneren.
Vb: Mensen met een beperking hippe orthopedische schoenen laten dragen dien
eruit zien als sneakers. Villa Vip: een tuin voor een moestuintje, vers gekookt in de
open keuken, samen gezellig een film kijken in de grote woonkamer.
4. Emancipatie Het proces van vrijmaking van personen of groepen uit een toestand
van afhankelijkheid, het opheffen van vroegere beperkende maatregelen en het
geven of verkrijgen van gelijke rechten.
Vb: Geven van gelijke rechten, Vrijmaken van afhankelijkheid.
Empowerment Het verlenen van kracht: ondersteuning of support. Eigen leven in
handen houden/nemen. Het verlenen van macht: verschuiving of herverdeling.
Vrijheid en verantwoordelijkheid voor zichzelf te dragen, om ideeën te uiten en
beslissingen te nemen.
Op 2 vlakken:
Persoonlijk: zelf beslissingen nemen m.b.t hun persoonlijk leven.
Politiek: diensten toegankelijker maken.
Vb: Client neemt zelf beslissing, mensen in armoede mogen de keuze maken om
verschillende huisdieren, tv, gsm te kopen, ook al is dit niet de keuze van een andere.
5. Inclusie Insluiting. Iedereen wordt gezien als een volwaardige burger.
Vb: Iedereen geeft vorm aan de maatschappij. Kinderen met en zonder
ondersteuning worden opgevangen bij dezelfde opvangmoeder. Kinderen leren vanaf
jongs aan samenleven ‘in verschil’.
, Begeleidingsmodellen
1. Het medische model Het vertrekt vanuit de overtuiging dat iemand minder
goed functioneert ten gevolge van een ‘defect’.
Vb: welke medicatie om iets tegen te gaan.
2. Het sociologisch model Menselijk gedrag wordt sterk bepaald door
maatschappelijke structuur- en cultuurgegevens. Het gevolg van fundamentele
tegenstrijdigheid tussen eigen aangeboren aanleg en de maatstaven van de
maatschappij of het milieu waarin iemand leeft. ( werken, werken, werken,…)
Vb: Hoeveel tijd wordt er besteed aan schoolwerk of werk?
3. Het leertheoretisch model Positieve en negatieve bekrachtiger. Positieve en
negatieve straf.
Vb: Wanneer is iemand agressie f, Wat speelt er vooraf, Wat zijn de gevolgen?
4. Psychoanalytisch model Freud: Het ego (het ik), Het es (de driften), Het
superego (het geweten). Onverwerkte trauma’s.
Vb: Welke driften zijn er, zijn de basisbehoefte vervuld?
5. Het humanistisch model Vertrouwen in de menselijke mogelijkheden en
zelfontplooiing. Belangrijke elementen: gelijkwaardig, uniciteit van de client en
respect. Client staat centraal.
Vb: Wat zijn haar capaciteiten, wat wilt ze, hoe kan zij haar uitleven?
6. Het interactiemodel Oorzaken van functioneringsproblemen liggen, volgens
dit model, niet bij de samenleving en niet bij het individu, maar vooral bij
stoornissen op het niveau van relaties. Men gaat er vanuit dat menselijk gedrag,
gedrag oproept. Gedrag veranderen? Moet men de relaties en de interacties
tussen mensen aanpakken.
Vb: Met wie gaat ze om, Hoe ziet zij de rest, hoe zien zij haar?
Het systeemdenken Gedrag wordt beïnvloed door de
omgeving. Iedereen is lid van een systeem. Het netwerk van
sociale relaties waarin je functioneert bepaalt je leven. Bv: de
relatie van je gezinsleden (gezinssysteem).
Welke plaats neemt ze in, in het systeem?
Pedagogiek = Opvoedingswetenschap: is de wetenschap die het opvoeden als object
heeft en waarin het denken over opvoeden centraal staat.
Pedagogie Het handelen, uitvoeren, de praktijk van het opvoeden
Aantal facetten van opvoeden
1. Omgaan met anderen De manier van omgang tussen volwassen en kinderen
2. De unieke omgang Omgang is uniek en persoonlijk met kernmerken geborgenheid en
veiligheid.
3. Omgang met invloed doelgerichte invloed= waarde en normen
4. Omgang met vrijheden en beperkingen “Grenzen”: neemt af hoe ouder een kind
wordt.
Innerlijke en uiterlijke factoren bij het opvoeden, die door het opvoedingsklimaat worden
beïnvloed
- Innerlijke factoren (erfelijk) bij geboorte meekrijgt
- Uiterlijke factoren de omstandigheden waarin het kind opgroeit: het milieu, de
omgeving en de situatie waarin het kind zich kan ontwikkelen
Opvoedingsproces
Orthopedagogiek recht/ juist maken wat krom gegroeid is. Het is de wetenschap die de
bijzondere opvoeding als object heeft. (kinderen en jongeren)
(Ortho) Agogiek Handelen wanneer we deskundig, methodisch en intentioneel omgaan
met veranderingsprocessen. (volwassenen)
Soorten functioneringsproblemen
Zintuigelijk Doof, blind, slechtziend,…
Motorisch Motoriek is belemmerd
Cognitief Problemen met denken,…
Gedrag- emotioneel Door factoren in conflict geraken met
zichzelf
Meervoudig Vanaf 2 functioneringsproblemen
,Maatschappijvisie
1. Separatie Apart van de samenleving.
Zo belasten ze de samenleving niet met de confrontatie. Vb: Ter bescherming van de
doelgroep, kinderen met een beperking volgen les in een buitengewoononderwijs.
2. Integratie Het proces van dichterbij de maatschappij komen.
Het individu dient zich aan te passen aan de normale maatschappij. Al in de
samenleving, maar toch nog apart personen met bespreking. Vb: Dichterbij de
maatschappij komen. Mensen met een beperking mogen gebruik maken van het
openbaar zwembad, maar wel op uren waar het niet druk is.
3. Normalisatie Het eind doel van integratie is geslaagd.
Normalisatie van leefgroepen: mensen met een handicap moeten een normaal dag-
en nachtritme hebben.
Normalisatie van een persoon: zo “normaal” mogelijk functioneren.
Vb: Mensen met een beperking hippe orthopedische schoenen laten dragen dien
eruit zien als sneakers. Villa Vip: een tuin voor een moestuintje, vers gekookt in de
open keuken, samen gezellig een film kijken in de grote woonkamer.
4. Emancipatie Het proces van vrijmaking van personen of groepen uit een toestand
van afhankelijkheid, het opheffen van vroegere beperkende maatregelen en het
geven of verkrijgen van gelijke rechten.
Vb: Geven van gelijke rechten, Vrijmaken van afhankelijkheid.
Empowerment Het verlenen van kracht: ondersteuning of support. Eigen leven in
handen houden/nemen. Het verlenen van macht: verschuiving of herverdeling.
Vrijheid en verantwoordelijkheid voor zichzelf te dragen, om ideeën te uiten en
beslissingen te nemen.
Op 2 vlakken:
Persoonlijk: zelf beslissingen nemen m.b.t hun persoonlijk leven.
Politiek: diensten toegankelijker maken.
Vb: Client neemt zelf beslissing, mensen in armoede mogen de keuze maken om
verschillende huisdieren, tv, gsm te kopen, ook al is dit niet de keuze van een andere.
5. Inclusie Insluiting. Iedereen wordt gezien als een volwaardige burger.
Vb: Iedereen geeft vorm aan de maatschappij. Kinderen met en zonder
ondersteuning worden opgevangen bij dezelfde opvangmoeder. Kinderen leren vanaf
jongs aan samenleven ‘in verschil’.
, Begeleidingsmodellen
1. Het medische model Het vertrekt vanuit de overtuiging dat iemand minder
goed functioneert ten gevolge van een ‘defect’.
Vb: welke medicatie om iets tegen te gaan.
2. Het sociologisch model Menselijk gedrag wordt sterk bepaald door
maatschappelijke structuur- en cultuurgegevens. Het gevolg van fundamentele
tegenstrijdigheid tussen eigen aangeboren aanleg en de maatstaven van de
maatschappij of het milieu waarin iemand leeft. ( werken, werken, werken,…)
Vb: Hoeveel tijd wordt er besteed aan schoolwerk of werk?
3. Het leertheoretisch model Positieve en negatieve bekrachtiger. Positieve en
negatieve straf.
Vb: Wanneer is iemand agressie f, Wat speelt er vooraf, Wat zijn de gevolgen?
4. Psychoanalytisch model Freud: Het ego (het ik), Het es (de driften), Het
superego (het geweten). Onverwerkte trauma’s.
Vb: Welke driften zijn er, zijn de basisbehoefte vervuld?
5. Het humanistisch model Vertrouwen in de menselijke mogelijkheden en
zelfontplooiing. Belangrijke elementen: gelijkwaardig, uniciteit van de client en
respect. Client staat centraal.
Vb: Wat zijn haar capaciteiten, wat wilt ze, hoe kan zij haar uitleven?
6. Het interactiemodel Oorzaken van functioneringsproblemen liggen, volgens
dit model, niet bij de samenleving en niet bij het individu, maar vooral bij
stoornissen op het niveau van relaties. Men gaat er vanuit dat menselijk gedrag,
gedrag oproept. Gedrag veranderen? Moet men de relaties en de interacties
tussen mensen aanpakken.
Vb: Met wie gaat ze om, Hoe ziet zij de rest, hoe zien zij haar?
Het systeemdenken Gedrag wordt beïnvloed door de
omgeving. Iedereen is lid van een systeem. Het netwerk van
sociale relaties waarin je functioneert bepaalt je leven. Bv: de
relatie van je gezinsleden (gezinssysteem).
Welke plaats neemt ze in, in het systeem?