AI opgestelde examenvragen Neoplasie MOD
1. Wat is de meest accurate definitie van neoplasie?
a) Een goedaardige tumor.
b) Een kwaadaardige tumor.
c) Een synoniem voor kanker.
d) Een tumor die zowel goedaardig als kwaadaardig kan zijn.
2. Welke van de volgende beweringen beschrijft reactief tumorstroma het
beste?
a) Het is de belangrijkste component van een tumor.
b) Het bestaat uitsluitend uit clonale cellen.
c) Het kan een mineure of belangrijke rol spelen in een tumor.
d) Het is alleen zichtbaar in maligne tumoren.
3. Wat is de belangrijkste diagnostische methode om kanker te
identificeren volgens de bronnen?
a) MRI scans
b) CT scans
c) Microscopie van hematoxyline-eosine gekleurde coupes.
d) Genetische testen.
4. Welk van de volgende kenmerken is typisch voor een benigne tumor?
a) Snelle groei en metastasen.
b) Lokale begrenzing en niet-agressief.
c) Invasie van omliggend weefsel.
d) Hoge mate van anaplasie.
5. Wat is de correcte naam voor een goedaardige tumor die ontstaat uit
klierepitheel?
a) Adenocarcinoma
b) Papilloma
c) Adenoma.
d) Sarcoma
6. Welke van de volgende tumoren is altijd maligne?
a) Adenoom
b) Lipoom
c) Melanoom.
d) Papilloom
7. Wat is een hamartoma?
a) Een kwaadaardige tumor.
b) Een ectopische rest van weefsel.
c) Een goedaardige tumor met snelle groei.
d) Een tumor die uit meer dan één kiemblad bestaat.
1
,8. Wat is anaplasie?
a) De mate waarin tumorcellen lijken op normale cellen.
b) Een gebrek aan differentiatie in tumorcellen.
c) Een synoniem voor metastase.
d) Een kenmerk van goedaardige tumoren.
9. Welke celkenmerken zijn geassocieerd met verlies van differentiatie?
a) Regelmatige celvorm en kleine kernen.
b) Celpleomorfie en abnormale nucleaire morfologie.
c) Lage mitotische activiteit.
d) Goed gedefinieerde celpolariteit.
10.Wat is een aberrante mitosefiguur en wat betekent dit meestal?
a) Een normale mitosefase; duidt op goedaardigheid.
b) Een asymmetrische mitose; wijst altijd op maligniteit.
c) Een trage mitose; wijst op trage tumorgroei.
d) Een mitose met weinig chromosomen.
11.Wat is een belangrijk verschil in groeisnelheid tussen benigne en maligne
tumoren?
a) Benigne tumoren groeien snel, maligne tumoren traag.
b) Benigne tumoren groeien traag, maligne tumoren meestal snel.
c) Beide tumoren hebben dezelfde groeisnelheid.
d) Groeisnelheid is niet relevant in het onderscheid benigne en maligne
tumoren.
12.Wat is een belangrijk verschil in invasie tussen benigne en maligne
tumoren?
a) Benigne tumoren invaderen omliggende weefsels, maligne tumoren
niet.
b) Benigne tumoren blijven gelokaliseerd, maligne tumoren invaderen.
c) Beide tumoren vertonen dezelfde mate van invasie.
d) Invasie is geen relevant criterium voor de diagnose.
13.Welke van de volgende beweringen is correct over metastasen?
a) Ze komen frequent voor bij benigne tumoren.
b) Ze komen vaker voor bij goedaardige tumoren.
c) Ze komen frequenter voor bij grote en weinig gedifferentieerde
tumoren.
d) Ze zijn niet relevant bij het onderscheid tussen benigne en maligne
tumoren.
14.Wat zijn de drie meest frequente kankers bij mannen in België?
a) Long-, huid- en darmkanker
b) Prostaat-, long- en colonkanker.
c) Borst-, long- en colonkanker
d) Long-, blaas- en prostaatkanker
2
,15.Welke omgevingsfactor is sterk geassocieerd met
maagadenocarcinomen in Japan?
a) Roken
b) Overmatig alcoholgebruik
c) Voedselpreservatieven en zout.
d) Uv-licht
16.Welke omgevingsfactoren zijn belangrijke risicofactoren voor kanker?
a) Roken, alcohol, dieet, obesitas en infecties.
b) Alleen roken en alcohol
c) Alleen genetische factoren
d) Alleen dieet en lichaamsbeweging
17.Waarom hebben oudere mensen meer kans op kanker?
a) Minder blootstelling aan carcinogenen.
b) Accumulatie van somatische mutaties en verminderde
immuuncompetentie.
c) Betere DNA-herstelmechanismen
d) Betere immunocompetentie
18.Wat is het belangrijkste verschil tussen een somatische en een erfelijke
mutatie?
a) Somatische mutaties zijn aanwezig in alle lichaamscellen, erfelijke
niet.
b) Erfelijke mutaties zijn niet aanwezig in de geslachtscellen.
c) Somatische ontstaan later in het leven, erfelijke zijn aanwezig bij de
geboorte.
d) Erfelijke mutaties zijn altijd dominant.
19.Wat zijn "driver"-mutaties bij kanker?
a) Mutaties die geen effect hebben op de tumorgroei.
b) Mutaties die een selectief groeivoordeel geven.
c) Mutaties die alleen in benigne tumoren voorkomen.
d) Mutaties die alleen in het stroma voorkomen.
20.Wat wordt bedoeld met tumorheterogeniteit?
a) Tumoren zijn monoclonale celpopulaties die constant hetzelfde
blijven.
b) Tumoren bestaan uit subklonen door bijkomende mutaties.
c) Tumoren zijn homogeen, met een enkele mutatie.
d) Tumoren zijn enkel genetisch verschillend van elkaar, en niet
fenotypisch.
21.Wat is het effect van promotermethylatie op genexpressie?
a) Het verhoogt de genexpressie.
b) Het initieert de transcriptie van DNA naar RNA.
c) Het "silenced" een gen, waardoor het niet meer tot expressie komt.
d) Het heeft geen invloed op de genexpressie.
3
, 22.Welke van de volgende is een epigenetische afwijking in tumorcellen?
a) Een mutatie in de DNA-sequentie.
b) DNA-methylatie van promotersequenties.
c) Een translocatie van een gen.
d) Een substitutie van een base.
23.Wat is een oncogen?
a) Een gen dat celgroei inhibeert.
b) Een gen dat door mutatie celgroei stimuleert.
c) Een gen dat apoptose reguleert.
d) Een gen dat DNA-reparatie regelt.
24.Wat is de functie van een tyrosinekinase?
a) Het is een receptor voor groeifactoren.
b) Het fosforyleert een eiwit op tyrosine.
c) Het inhibeert de celgroei.
d) Het reguleert de transcriptie van genen.
25.Welke van de volgende is een voorbeeld van een gemuteerde receptor-
tyrosinekinase?
a) RAS
b) TP53
c) EGFR
d) MYC
26.Welke techniek wordt gebruikt om specifieke genen te visualiseren onder
de microscoop?
a) Immuunhistochemie
b) PCR
c) FISH (fluorescentie in situ hybridisatie)
d) Western blot
27.Wat is een fusiegen?
a) Een normaal gen dat celgroei remt
b) Gen dat codeert voor een eiwit dat betrokken is bij de DNA-herstel
c) Gen dat ontstaat door herschikking van 2 genen en codeert voor
een chimeer eiwit
d) Gen dat betrokken is bij apoptose
28.Wat is het Philadelphia-chromosoom?
a) Een deletie van chromosoom 13.
b) Een translocatie tussen chromosomen 9 en 22.
c) Een trisomie van chromosoom 21.
d) Een ringchromosoom.
29.Wat is de functie van de BCR-ABL fusie-eiwit?
a) Het herstelt DNA-schade
b) Het is constitutief actief.
c) Het activeert apoptose.
4
1. Wat is de meest accurate definitie van neoplasie?
a) Een goedaardige tumor.
b) Een kwaadaardige tumor.
c) Een synoniem voor kanker.
d) Een tumor die zowel goedaardig als kwaadaardig kan zijn.
2. Welke van de volgende beweringen beschrijft reactief tumorstroma het
beste?
a) Het is de belangrijkste component van een tumor.
b) Het bestaat uitsluitend uit clonale cellen.
c) Het kan een mineure of belangrijke rol spelen in een tumor.
d) Het is alleen zichtbaar in maligne tumoren.
3. Wat is de belangrijkste diagnostische methode om kanker te
identificeren volgens de bronnen?
a) MRI scans
b) CT scans
c) Microscopie van hematoxyline-eosine gekleurde coupes.
d) Genetische testen.
4. Welk van de volgende kenmerken is typisch voor een benigne tumor?
a) Snelle groei en metastasen.
b) Lokale begrenzing en niet-agressief.
c) Invasie van omliggend weefsel.
d) Hoge mate van anaplasie.
5. Wat is de correcte naam voor een goedaardige tumor die ontstaat uit
klierepitheel?
a) Adenocarcinoma
b) Papilloma
c) Adenoma.
d) Sarcoma
6. Welke van de volgende tumoren is altijd maligne?
a) Adenoom
b) Lipoom
c) Melanoom.
d) Papilloom
7. Wat is een hamartoma?
a) Een kwaadaardige tumor.
b) Een ectopische rest van weefsel.
c) Een goedaardige tumor met snelle groei.
d) Een tumor die uit meer dan één kiemblad bestaat.
1
,8. Wat is anaplasie?
a) De mate waarin tumorcellen lijken op normale cellen.
b) Een gebrek aan differentiatie in tumorcellen.
c) Een synoniem voor metastase.
d) Een kenmerk van goedaardige tumoren.
9. Welke celkenmerken zijn geassocieerd met verlies van differentiatie?
a) Regelmatige celvorm en kleine kernen.
b) Celpleomorfie en abnormale nucleaire morfologie.
c) Lage mitotische activiteit.
d) Goed gedefinieerde celpolariteit.
10.Wat is een aberrante mitosefiguur en wat betekent dit meestal?
a) Een normale mitosefase; duidt op goedaardigheid.
b) Een asymmetrische mitose; wijst altijd op maligniteit.
c) Een trage mitose; wijst op trage tumorgroei.
d) Een mitose met weinig chromosomen.
11.Wat is een belangrijk verschil in groeisnelheid tussen benigne en maligne
tumoren?
a) Benigne tumoren groeien snel, maligne tumoren traag.
b) Benigne tumoren groeien traag, maligne tumoren meestal snel.
c) Beide tumoren hebben dezelfde groeisnelheid.
d) Groeisnelheid is niet relevant in het onderscheid benigne en maligne
tumoren.
12.Wat is een belangrijk verschil in invasie tussen benigne en maligne
tumoren?
a) Benigne tumoren invaderen omliggende weefsels, maligne tumoren
niet.
b) Benigne tumoren blijven gelokaliseerd, maligne tumoren invaderen.
c) Beide tumoren vertonen dezelfde mate van invasie.
d) Invasie is geen relevant criterium voor de diagnose.
13.Welke van de volgende beweringen is correct over metastasen?
a) Ze komen frequent voor bij benigne tumoren.
b) Ze komen vaker voor bij goedaardige tumoren.
c) Ze komen frequenter voor bij grote en weinig gedifferentieerde
tumoren.
d) Ze zijn niet relevant bij het onderscheid tussen benigne en maligne
tumoren.
14.Wat zijn de drie meest frequente kankers bij mannen in België?
a) Long-, huid- en darmkanker
b) Prostaat-, long- en colonkanker.
c) Borst-, long- en colonkanker
d) Long-, blaas- en prostaatkanker
2
,15.Welke omgevingsfactor is sterk geassocieerd met
maagadenocarcinomen in Japan?
a) Roken
b) Overmatig alcoholgebruik
c) Voedselpreservatieven en zout.
d) Uv-licht
16.Welke omgevingsfactoren zijn belangrijke risicofactoren voor kanker?
a) Roken, alcohol, dieet, obesitas en infecties.
b) Alleen roken en alcohol
c) Alleen genetische factoren
d) Alleen dieet en lichaamsbeweging
17.Waarom hebben oudere mensen meer kans op kanker?
a) Minder blootstelling aan carcinogenen.
b) Accumulatie van somatische mutaties en verminderde
immuuncompetentie.
c) Betere DNA-herstelmechanismen
d) Betere immunocompetentie
18.Wat is het belangrijkste verschil tussen een somatische en een erfelijke
mutatie?
a) Somatische mutaties zijn aanwezig in alle lichaamscellen, erfelijke
niet.
b) Erfelijke mutaties zijn niet aanwezig in de geslachtscellen.
c) Somatische ontstaan later in het leven, erfelijke zijn aanwezig bij de
geboorte.
d) Erfelijke mutaties zijn altijd dominant.
19.Wat zijn "driver"-mutaties bij kanker?
a) Mutaties die geen effect hebben op de tumorgroei.
b) Mutaties die een selectief groeivoordeel geven.
c) Mutaties die alleen in benigne tumoren voorkomen.
d) Mutaties die alleen in het stroma voorkomen.
20.Wat wordt bedoeld met tumorheterogeniteit?
a) Tumoren zijn monoclonale celpopulaties die constant hetzelfde
blijven.
b) Tumoren bestaan uit subklonen door bijkomende mutaties.
c) Tumoren zijn homogeen, met een enkele mutatie.
d) Tumoren zijn enkel genetisch verschillend van elkaar, en niet
fenotypisch.
21.Wat is het effect van promotermethylatie op genexpressie?
a) Het verhoogt de genexpressie.
b) Het initieert de transcriptie van DNA naar RNA.
c) Het "silenced" een gen, waardoor het niet meer tot expressie komt.
d) Het heeft geen invloed op de genexpressie.
3
, 22.Welke van de volgende is een epigenetische afwijking in tumorcellen?
a) Een mutatie in de DNA-sequentie.
b) DNA-methylatie van promotersequenties.
c) Een translocatie van een gen.
d) Een substitutie van een base.
23.Wat is een oncogen?
a) Een gen dat celgroei inhibeert.
b) Een gen dat door mutatie celgroei stimuleert.
c) Een gen dat apoptose reguleert.
d) Een gen dat DNA-reparatie regelt.
24.Wat is de functie van een tyrosinekinase?
a) Het is een receptor voor groeifactoren.
b) Het fosforyleert een eiwit op tyrosine.
c) Het inhibeert de celgroei.
d) Het reguleert de transcriptie van genen.
25.Welke van de volgende is een voorbeeld van een gemuteerde receptor-
tyrosinekinase?
a) RAS
b) TP53
c) EGFR
d) MYC
26.Welke techniek wordt gebruikt om specifieke genen te visualiseren onder
de microscoop?
a) Immuunhistochemie
b) PCR
c) FISH (fluorescentie in situ hybridisatie)
d) Western blot
27.Wat is een fusiegen?
a) Een normaal gen dat celgroei remt
b) Gen dat codeert voor een eiwit dat betrokken is bij de DNA-herstel
c) Gen dat ontstaat door herschikking van 2 genen en codeert voor
een chimeer eiwit
d) Gen dat betrokken is bij apoptose
28.Wat is het Philadelphia-chromosoom?
a) Een deletie van chromosoom 13.
b) Een translocatie tussen chromosomen 9 en 22.
c) Een trisomie van chromosoom 21.
d) Een ringchromosoom.
29.Wat is de functie van de BCR-ABL fusie-eiwit?
a) Het herstelt DNA-schade
b) Het is constitutief actief.
c) Het activeert apoptose.
4