DOGMA FYSIOLOGIE
Basis begrippen
❖ Diffusie: transport van zone met hoge conc naar zone met lage conc in een gasmengsel of
vloeistof.
o Hoe hoger de concentratie verschillen -> hoe sneller diffusie
o Diffusie afh van thermodynamische bewegingen
o Diffusie enkel bij cellen kleiner dan 100µm
o Korte afstand: 20-30µm
❖ Osmose: wanneer je te maken hebt met een semipermeabele membraan waarbij enkel de vrije
watermoleculen tussen kunnen migreren.
❖ Filtratie= water gaat door een kracht toch van hoge concentratie naar lage concentratie, actief
proces en heeft energie nodig
❖ hydrostatische druk: noodzakelijk voor vocht om van de bloedbaan naar interstitium te treden.
o Hyperosmotisch -> veel vrije watermoleculen
o Hypo-osmotisch -> minder vrije watermoleculen
❖ osmotische druk: noodzakelijk voor vocht om van het interstitium naar de venen te treden
❖ volume bloedcel
o hypertone vloeistof: veel partikels, weinig vrij water -> krimpen bloedcel
o hypotone vloeistof: weinig partikels, veel zuiver water -> opzwellen bloedcel
❖ de binnenkant van de celmembraan is negatief geladen
❖ transport
o diffusie
- steroïden, vetzuren, O2 en CO2
o ionkanalen (of lekkanalen)
- vervoer van hydrofiele substanties
- elektrochemische gradiënt
o gefaciliteerde diffusie
- binding transportEW
❖ de celmembraan in intracellulair – geladen en extracellulair + geladen, Na+ wil graag naar
binnen
o lage concentratie Na in de cel
o komt binnen via lek
o gaat buiten via pomp -> van laag naar hoog
❖ Als de celmembraan te veel uitgetrokken wordt dan wordt dat gecontroleerd door taurine,
kalium en chloor en deze worden naar buiten gezet en water zal volgen en dan krimpt de
cel zodat het niet zou ontploffen.
❖ Na-Ka pomp: 3x Na wordt naar buiten gezet en 2x kalium wordt naar binnen gehaald. Het
resultaat dat men wil bereiken in intracellulair negatief
❖ Transcytose: zowel exocytose als endocytose
o Exo -> naar buiten
- Constitutief -> inhoud in membraan uitstorten
- Gereguleerd -> neurotransmitter
o Endo -> naar binnen
- Pinocytose -> vocht opnemen
1
, - Receptor-gemedieerde endocytose -> op receptor binden, clathrine zorgt dat
membraan in vesikel kan komen
❖ weefselhormonen (komen het meest voor): deze worden lokaal geproduceerd in interstitium
en kunnen binden op cel zelf (autocriene secretie) of op naburige cellen (paracriene secretie).
Dit kan via diffusie want dit is een korte afstand en diffusie kan enkel via een korte afstand.
o Weefselhormonen ga je nooit in de bloedbaan vinden, enkel systemische
hormonen kan je hierin terug vinden zoals oxytocine.
❖ Systemische hormonen -> bloed, niet via diffusie
❖ Insulineresistentie -> overdaad aan insuline dan gaan de receptoren naar binnen klappen en
kan het zijn werking niet uitoefenen.
❖ Down-regulatie= de affiniteit die volledig verdwijnt -> denk aan de practica van tokla, na een
kwartier ruik je de stank niet meer. Het kan ook zijn dat op het moment de
hormoonconcentratie laag is dan kan je een up-regulatie krijgen en dan gaan de receptoren
toenemen.
o
❖ Belangrijke factoren van een receptor
o Specificiteit -> hoe specifieker, hoe meer effect -> bepaald neven effecten
o Verzadigdheid -> meer receptoren zorgt voor een hogere biologisch effect. Bij down
regulatie heb je minder receptoren en zal je biologisch effect kleiner zijn
o Affiniteit -> kleine dissociatie constante (uit elkaar gaan) -> hoge affiniteit
o Reversibiliteit -> bepaald werkingsduur medicatie
o Agonist vs antagonist
❖ Hoe kleiner de dissociatieconstante, hoe stabieler de complexe verbinding
❖ Agonisten gaan een biologische reactie uitlokken terwijl antagonisten zorgen voor blokkering
zodat de natuurlijke ligand (hormoon) niet meer kan binden.
❖ Depolarisatie: dit kan enkel gebeuren als de cel positiever wordt dus als er Na+ naar binnen
wordt gepompt. Als de cel negatief is dan wordt het moeilijk om een prikkel uit te lokken.
❖ systemische hormonen: bereiken bloedbaan, ze kunnen enkel hun boodschap afgeven aan
de doelwitweefsels en deze hebben een receptor voor dit signaal moleculen
o van hypothalamus naar adenohypofyse -> korte afstand dus lijkt diffusie maar
gebruikt bloedbaan dus het zijn systemische hormonen
peptide - TRH: een hormoon dat door de adenohypofyse
geproduceerd wordt en werkt in op de schildklier.
- PRL: prolactine is een eiwit hormoon
glycoproteïne - TRH -> TSH -> schildklier
- LH, HCG en FSH gaan inwerken op gonaden
2
, Steroïden zijn afgeleid - testosteron
uit cholesterol (vet - progesteron
oplosbaar) - oestrogeen
Tyrosine: - catecholamines
- schildklierhormoon
❖ weefselhormonen
AZ - serotinine: speelt een rol bij emoties, voorkomen van
depressie
- melatonine: geeft signaal voor slapen
- histamine: speelt een rol bij allergische reacties
eicosanoïden: afgeleid - prostaglandines: rol bij ontsteking, gaan zorgen dat het
uit arachidonzuur corpus luteum afgebroken worden zodat het dier
opnieuw gedekt kan worden en gaan ook zorgen dat
gladde spiercellen gaan samentrekken.
-prostacyclines: gaan zorgen dat er geen spontane
klontervorming in de bloedbaan gevormd wordt.
- tromboxanen: spelen een rol bij bloedplaatjes die een
wonde gaan dekken
- leukotrienen: rol bij ontsteking
Peptide -Langere AZ
adenosine - als melatonine het signaal geeft dan zal adenosine
maken dat we slaperig worden
❖ tyrosine kan zowel zorgen voor wateroplosbare hormonen zoals epinephrine (adrenaline)
als voor vetoplosbare hormonen zoals thyroxine.
❖ Hormonen
o Recombinante hormonen -> plasmide
❖ Hypothalamus gaat releasing of inhibitie factoren produceren, deze worden in de bloedbaan
gezet en gaan inwerken op de adenohypofyse en gaat zo zorgen dat er een hormoon wordt
vrijgesteld dat de schildklier gaat stimuleren= systemische hormonen want gebruiken
bloedbaan, ookal is de afstand hier enorm kort
❖ Wateroplosbare hormonen: transporteren makkelijk in bloedbaan maar zijn fragiel
o Kunnen niet doorheen de celmembraan -> werken via receptoren -> second
messenger
- Activatie, deactivatie of productie nieuwe eiwitten
o catecholamines o peptide
o eiwit hormonen o insuline
❖ Second messengers
o cAMP gevormd door adenylaat cyclase
o cGMP gevormd door guanylaat cyclase
o Proteïne kinase ATP -> ADP
o Ca Speelt een rol bij spiercontractie
o Inositial triposfaat Gevormd door fosfolipase C, spelen een rol bij
en diacylglycerol receptor gemedieerde endocytose
3
, ❖ Ion kanaal receptor voor wateroplosbare kanalen: een ligand geassocieerd ion kanaal dus
gaat enkel open als ligand bindt dus in normale omstandigheden zijn deze kanalen gesloten.
o Snelle signalering!
❖ Enzym-geassocieerde receptoren voor wateroplosbare hormonen: ligand kan binden en er
wordt een enzym geactiveerd. Dit enzym kan zorgen voor activatie, deactivatie of nieuwe
eiwitten aanmaken
o Tyrosine kinase geassocieerde receptor
o Vooral groeihormonen zoals insuline gaan hier op binden
❖ G-proteïne receptor voor wateroplosbare hormonen: ligand bindt zoals catecholamines-> G-
proteïne komt naar intracellulair stuk en bindt hierop -> alfa subunit komt los van bèta en
gamma en zorgt voor een biologische reactie
o Neurotransmitters, hormonen, feromonen, geuren, lichtgevoelige stoffen
o Second messengers -> cAMP en inositol trifosfaat en DAG
❖ Vet oplosbare hormonen: zijn gebonden in de bloedbaan, dit zorgt voor bescherming maar
kan ook negatieve effecten hebben zoals het maskeren van een tumor
o Gebonden aan een eiwit: inactief
o Receptoren zitten in het cytoplasma of in de celkern en zorgen enkel voor productie
van een eiwit
o Steroïden zoals progesteorn, o cortisol
testosteron, oestrogeen, aldosteron en
cortisol
o Schildklier hormoon o
o Vit ADEK o
o Receptoren zijn ligand afhankelijke transcriptie factoren. Moduleren genexpressie
(dus geen eiwit of wel eiwit aanmaken)
❖ Verschillende receptoren van vet oplosbare hormonen
o Structuur -> 1 polypeptideketen met 3 domeinen
- Hormoon bindt op COOH domein, wordt beschermd via inhibitor eiwit
❖ Afbraak hormonen
o Vet -> dagen
4
Basis begrippen
❖ Diffusie: transport van zone met hoge conc naar zone met lage conc in een gasmengsel of
vloeistof.
o Hoe hoger de concentratie verschillen -> hoe sneller diffusie
o Diffusie afh van thermodynamische bewegingen
o Diffusie enkel bij cellen kleiner dan 100µm
o Korte afstand: 20-30µm
❖ Osmose: wanneer je te maken hebt met een semipermeabele membraan waarbij enkel de vrije
watermoleculen tussen kunnen migreren.
❖ Filtratie= water gaat door een kracht toch van hoge concentratie naar lage concentratie, actief
proces en heeft energie nodig
❖ hydrostatische druk: noodzakelijk voor vocht om van de bloedbaan naar interstitium te treden.
o Hyperosmotisch -> veel vrije watermoleculen
o Hypo-osmotisch -> minder vrije watermoleculen
❖ osmotische druk: noodzakelijk voor vocht om van het interstitium naar de venen te treden
❖ volume bloedcel
o hypertone vloeistof: veel partikels, weinig vrij water -> krimpen bloedcel
o hypotone vloeistof: weinig partikels, veel zuiver water -> opzwellen bloedcel
❖ de binnenkant van de celmembraan is negatief geladen
❖ transport
o diffusie
- steroïden, vetzuren, O2 en CO2
o ionkanalen (of lekkanalen)
- vervoer van hydrofiele substanties
- elektrochemische gradiënt
o gefaciliteerde diffusie
- binding transportEW
❖ de celmembraan in intracellulair – geladen en extracellulair + geladen, Na+ wil graag naar
binnen
o lage concentratie Na in de cel
o komt binnen via lek
o gaat buiten via pomp -> van laag naar hoog
❖ Als de celmembraan te veel uitgetrokken wordt dan wordt dat gecontroleerd door taurine,
kalium en chloor en deze worden naar buiten gezet en water zal volgen en dan krimpt de
cel zodat het niet zou ontploffen.
❖ Na-Ka pomp: 3x Na wordt naar buiten gezet en 2x kalium wordt naar binnen gehaald. Het
resultaat dat men wil bereiken in intracellulair negatief
❖ Transcytose: zowel exocytose als endocytose
o Exo -> naar buiten
- Constitutief -> inhoud in membraan uitstorten
- Gereguleerd -> neurotransmitter
o Endo -> naar binnen
- Pinocytose -> vocht opnemen
1
, - Receptor-gemedieerde endocytose -> op receptor binden, clathrine zorgt dat
membraan in vesikel kan komen
❖ weefselhormonen (komen het meest voor): deze worden lokaal geproduceerd in interstitium
en kunnen binden op cel zelf (autocriene secretie) of op naburige cellen (paracriene secretie).
Dit kan via diffusie want dit is een korte afstand en diffusie kan enkel via een korte afstand.
o Weefselhormonen ga je nooit in de bloedbaan vinden, enkel systemische
hormonen kan je hierin terug vinden zoals oxytocine.
❖ Systemische hormonen -> bloed, niet via diffusie
❖ Insulineresistentie -> overdaad aan insuline dan gaan de receptoren naar binnen klappen en
kan het zijn werking niet uitoefenen.
❖ Down-regulatie= de affiniteit die volledig verdwijnt -> denk aan de practica van tokla, na een
kwartier ruik je de stank niet meer. Het kan ook zijn dat op het moment de
hormoonconcentratie laag is dan kan je een up-regulatie krijgen en dan gaan de receptoren
toenemen.
o
❖ Belangrijke factoren van een receptor
o Specificiteit -> hoe specifieker, hoe meer effect -> bepaald neven effecten
o Verzadigdheid -> meer receptoren zorgt voor een hogere biologisch effect. Bij down
regulatie heb je minder receptoren en zal je biologisch effect kleiner zijn
o Affiniteit -> kleine dissociatie constante (uit elkaar gaan) -> hoge affiniteit
o Reversibiliteit -> bepaald werkingsduur medicatie
o Agonist vs antagonist
❖ Hoe kleiner de dissociatieconstante, hoe stabieler de complexe verbinding
❖ Agonisten gaan een biologische reactie uitlokken terwijl antagonisten zorgen voor blokkering
zodat de natuurlijke ligand (hormoon) niet meer kan binden.
❖ Depolarisatie: dit kan enkel gebeuren als de cel positiever wordt dus als er Na+ naar binnen
wordt gepompt. Als de cel negatief is dan wordt het moeilijk om een prikkel uit te lokken.
❖ systemische hormonen: bereiken bloedbaan, ze kunnen enkel hun boodschap afgeven aan
de doelwitweefsels en deze hebben een receptor voor dit signaal moleculen
o van hypothalamus naar adenohypofyse -> korte afstand dus lijkt diffusie maar
gebruikt bloedbaan dus het zijn systemische hormonen
peptide - TRH: een hormoon dat door de adenohypofyse
geproduceerd wordt en werkt in op de schildklier.
- PRL: prolactine is een eiwit hormoon
glycoproteïne - TRH -> TSH -> schildklier
- LH, HCG en FSH gaan inwerken op gonaden
2
, Steroïden zijn afgeleid - testosteron
uit cholesterol (vet - progesteron
oplosbaar) - oestrogeen
Tyrosine: - catecholamines
- schildklierhormoon
❖ weefselhormonen
AZ - serotinine: speelt een rol bij emoties, voorkomen van
depressie
- melatonine: geeft signaal voor slapen
- histamine: speelt een rol bij allergische reacties
eicosanoïden: afgeleid - prostaglandines: rol bij ontsteking, gaan zorgen dat het
uit arachidonzuur corpus luteum afgebroken worden zodat het dier
opnieuw gedekt kan worden en gaan ook zorgen dat
gladde spiercellen gaan samentrekken.
-prostacyclines: gaan zorgen dat er geen spontane
klontervorming in de bloedbaan gevormd wordt.
- tromboxanen: spelen een rol bij bloedplaatjes die een
wonde gaan dekken
- leukotrienen: rol bij ontsteking
Peptide -Langere AZ
adenosine - als melatonine het signaal geeft dan zal adenosine
maken dat we slaperig worden
❖ tyrosine kan zowel zorgen voor wateroplosbare hormonen zoals epinephrine (adrenaline)
als voor vetoplosbare hormonen zoals thyroxine.
❖ Hormonen
o Recombinante hormonen -> plasmide
❖ Hypothalamus gaat releasing of inhibitie factoren produceren, deze worden in de bloedbaan
gezet en gaan inwerken op de adenohypofyse en gaat zo zorgen dat er een hormoon wordt
vrijgesteld dat de schildklier gaat stimuleren= systemische hormonen want gebruiken
bloedbaan, ookal is de afstand hier enorm kort
❖ Wateroplosbare hormonen: transporteren makkelijk in bloedbaan maar zijn fragiel
o Kunnen niet doorheen de celmembraan -> werken via receptoren -> second
messenger
- Activatie, deactivatie of productie nieuwe eiwitten
o catecholamines o peptide
o eiwit hormonen o insuline
❖ Second messengers
o cAMP gevormd door adenylaat cyclase
o cGMP gevormd door guanylaat cyclase
o Proteïne kinase ATP -> ADP
o Ca Speelt een rol bij spiercontractie
o Inositial triposfaat Gevormd door fosfolipase C, spelen een rol bij
en diacylglycerol receptor gemedieerde endocytose
3
, ❖ Ion kanaal receptor voor wateroplosbare kanalen: een ligand geassocieerd ion kanaal dus
gaat enkel open als ligand bindt dus in normale omstandigheden zijn deze kanalen gesloten.
o Snelle signalering!
❖ Enzym-geassocieerde receptoren voor wateroplosbare hormonen: ligand kan binden en er
wordt een enzym geactiveerd. Dit enzym kan zorgen voor activatie, deactivatie of nieuwe
eiwitten aanmaken
o Tyrosine kinase geassocieerde receptor
o Vooral groeihormonen zoals insuline gaan hier op binden
❖ G-proteïne receptor voor wateroplosbare hormonen: ligand bindt zoals catecholamines-> G-
proteïne komt naar intracellulair stuk en bindt hierop -> alfa subunit komt los van bèta en
gamma en zorgt voor een biologische reactie
o Neurotransmitters, hormonen, feromonen, geuren, lichtgevoelige stoffen
o Second messengers -> cAMP en inositol trifosfaat en DAG
❖ Vet oplosbare hormonen: zijn gebonden in de bloedbaan, dit zorgt voor bescherming maar
kan ook negatieve effecten hebben zoals het maskeren van een tumor
o Gebonden aan een eiwit: inactief
o Receptoren zitten in het cytoplasma of in de celkern en zorgen enkel voor productie
van een eiwit
o Steroïden zoals progesteorn, o cortisol
testosteron, oestrogeen, aldosteron en
cortisol
o Schildklier hormoon o
o Vit ADEK o
o Receptoren zijn ligand afhankelijke transcriptie factoren. Moduleren genexpressie
(dus geen eiwit of wel eiwit aanmaken)
❖ Verschillende receptoren van vet oplosbare hormonen
o Structuur -> 1 polypeptideketen met 3 domeinen
- Hormoon bindt op COOH domein, wordt beschermd via inhibitor eiwit
❖ Afbraak hormonen
o Vet -> dagen
4