SAMENVATTING RUIMTE EN MOBILITEIT
1. INLEIDING
1.1. Het mobiliteitsprobleem
Eerste ideeën: file, mobiliteit op maat van mannen, polarisatie, …
Can Snow-Clearing be Sexist? Boek over sexisme in mobiliteit
Man als norm genomen vaak in mobiliteit, voorbeeld: crash testauto met mannelijke pop, vrouwen
hebben hogere kans op letsels in auto-ongeluk.
Vrouwen belanden vaker in het ziekenhuis in winter de in Zweden: sneeuw wordt vooral geruimd op
drukke auto wegen, pas later de kleinere wegen, op grote wegen rijden voornamelijk mannen, vrouwen
maken lokalere verplaatsingen i.v.m. zorgtaken, boodschappen, kinderen naar school brengen. Man
gaat vaak met de auto naar het werk pas vanaf het geproblematiseerd wordt inzien
1.2. Verkeer, vervoer, mobiliteit en het transportsysteem
Verkeer= de verplaatsingen op zich, bewegingen van auto’s, voetgangers, fietsers, …
Vervoer= iets van A naar B brengen, nadruk op transporteren of verplaatsen
Mobiliteit= veel complexer, omvat verkeer en vervoer
Bereikbaarheid= apart hoofdstuk over plaatsen bereiken
Startpunt schema is de wensen en
noden van mensen.
Transportweerstand: de energie
gebruikt om een afstand af te leggen,
de kost, de moeite, de tijd, de afstand
Milieuleefbaarheid: wat produceert
de mobiliteit, uitstoot, geld, …
, Maatschappelijke doelen van mobiliteit:
(2) Bereikbaarheid: recht op onderwijs en voeding
en daaraan geraken
(3) Toegankelijkheid: rekening houden met
beperkingen
(4) Sociale inclusie
Logistiek: hoeveel mensen op de weg, parking,
goederen, …
Impact van mobiliteit:
(8) Leefbaarheid: buurt of straat waarin je woont
moet leefbaar zijn
(9) Milieu: impact op milieu
(10) Veiligheid
1.3. De relatie tussen ruimte en mobiliteit
1.3.1. Verwevenheid ruimte en mobiliteit: historisch
Historisch: Steden groeien door stijgende mobiliteit, industriële revolutie, opkomst trein en auto
Chicago: ontwikkeling rond stations met lijnen richting centrum
of tramlijn
of treinspoor
, Groei van steden door transporttechnologie
Opkomst pendelen: mensen blijven in hun dorp wonen en werken in de stad, grote spoorlijnen in
België maakten dit mogelijk
Na 2de wereldoorlog: veel ingezet op autotransport
Passengers Mobility Transition
Industrieel: opkomst spoorwegen
Postindustrieel: opkomst gemotoriseerd verkeer (individueel)
Vlaanderen heeft een andere structuur:
Nevelstad= De steden dijen uit, maar ook het platteland verandert en krijgt een stedelijker
uitzicht. Zo ontstaat één grote, uitgesmeerde stad.
1.3.2. Verwevenheid ruimte en mobiliteit: ruimtelijk
Hoe verder weg van de stad, hoe meer gemotoriseerd
verkeer gebruikt wordt.
Pendelzones: Rond Antwerpen, Gent en Brussel
, Vervoer gebruikt in Brussel:
Enkel in centrum fiets, trein langs assen en OV rondom centrum
Ruimtelijk patroon dat terugkomt in Antwerpen en Gent en andere steden.
Comparatief
• Woon-en werkomgeving ~ verplaatsingsgedrag
– Individueel niveau: (bescheiden) significant effect
– Vooral zichtbaar op buurtniveau/gemeenteniveau
– Stadscentrum ~ openbaar vervoer, te voet
– Buitengebied ~ auto
– Inkomen bepaald welk vervoersmiddel gebruikt wordt
Hoe verder van centrum hoe meer autogebruik. Woontypologie ook verschillend, grotere auto's buiten centrum,
samenhang met inkomen.
1. INLEIDING
1.1. Het mobiliteitsprobleem
Eerste ideeën: file, mobiliteit op maat van mannen, polarisatie, …
Can Snow-Clearing be Sexist? Boek over sexisme in mobiliteit
Man als norm genomen vaak in mobiliteit, voorbeeld: crash testauto met mannelijke pop, vrouwen
hebben hogere kans op letsels in auto-ongeluk.
Vrouwen belanden vaker in het ziekenhuis in winter de in Zweden: sneeuw wordt vooral geruimd op
drukke auto wegen, pas later de kleinere wegen, op grote wegen rijden voornamelijk mannen, vrouwen
maken lokalere verplaatsingen i.v.m. zorgtaken, boodschappen, kinderen naar school brengen. Man
gaat vaak met de auto naar het werk pas vanaf het geproblematiseerd wordt inzien
1.2. Verkeer, vervoer, mobiliteit en het transportsysteem
Verkeer= de verplaatsingen op zich, bewegingen van auto’s, voetgangers, fietsers, …
Vervoer= iets van A naar B brengen, nadruk op transporteren of verplaatsen
Mobiliteit= veel complexer, omvat verkeer en vervoer
Bereikbaarheid= apart hoofdstuk over plaatsen bereiken
Startpunt schema is de wensen en
noden van mensen.
Transportweerstand: de energie
gebruikt om een afstand af te leggen,
de kost, de moeite, de tijd, de afstand
Milieuleefbaarheid: wat produceert
de mobiliteit, uitstoot, geld, …
, Maatschappelijke doelen van mobiliteit:
(2) Bereikbaarheid: recht op onderwijs en voeding
en daaraan geraken
(3) Toegankelijkheid: rekening houden met
beperkingen
(4) Sociale inclusie
Logistiek: hoeveel mensen op de weg, parking,
goederen, …
Impact van mobiliteit:
(8) Leefbaarheid: buurt of straat waarin je woont
moet leefbaar zijn
(9) Milieu: impact op milieu
(10) Veiligheid
1.3. De relatie tussen ruimte en mobiliteit
1.3.1. Verwevenheid ruimte en mobiliteit: historisch
Historisch: Steden groeien door stijgende mobiliteit, industriële revolutie, opkomst trein en auto
Chicago: ontwikkeling rond stations met lijnen richting centrum
of tramlijn
of treinspoor
, Groei van steden door transporttechnologie
Opkomst pendelen: mensen blijven in hun dorp wonen en werken in de stad, grote spoorlijnen in
België maakten dit mogelijk
Na 2de wereldoorlog: veel ingezet op autotransport
Passengers Mobility Transition
Industrieel: opkomst spoorwegen
Postindustrieel: opkomst gemotoriseerd verkeer (individueel)
Vlaanderen heeft een andere structuur:
Nevelstad= De steden dijen uit, maar ook het platteland verandert en krijgt een stedelijker
uitzicht. Zo ontstaat één grote, uitgesmeerde stad.
1.3.2. Verwevenheid ruimte en mobiliteit: ruimtelijk
Hoe verder weg van de stad, hoe meer gemotoriseerd
verkeer gebruikt wordt.
Pendelzones: Rond Antwerpen, Gent en Brussel
, Vervoer gebruikt in Brussel:
Enkel in centrum fiets, trein langs assen en OV rondom centrum
Ruimtelijk patroon dat terugkomt in Antwerpen en Gent en andere steden.
Comparatief
• Woon-en werkomgeving ~ verplaatsingsgedrag
– Individueel niveau: (bescheiden) significant effect
– Vooral zichtbaar op buurtniveau/gemeenteniveau
– Stadscentrum ~ openbaar vervoer, te voet
– Buitengebied ~ auto
– Inkomen bepaald welk vervoersmiddel gebruikt wordt
Hoe verder van centrum hoe meer autogebruik. Woontypologie ook verschillend, grotere auto's buiten centrum,
samenhang met inkomen.