Les 1: 26/09
Handboek in Gent Zuid naast Standaard Boekhandel. Gender en diversiteit: een gids voor onderzoekers,
De Graeve.
Deadlines:
November: draft indienen
Tussentijdse feedback (geschreven): maart -> dan nog bijwerken
Eindbeoordeling: tijdens examens: 26/05 om 9u
Leerpad loopt samen met het boek.
1. Wat is onderzoek in Gender en Diversiteit?
Focus op machtsongelijkheden, wordt vaak vergeten. Hoe gaat dat samen met bepaalde structuren?
Ongelijke behandeling gaat samen met mensen die privileges hebben. Je gaat meerdere assen van
identiteit samenbrengen. Kijken naar samenspel tussen gender en andere factoren.
Discriminatie heeft te maken met wie een historisch machtsvoordeel heeft. Bv mensen met een
beperking komen samen en iemand met zonder beperking mag er niet bij -> er is geen discriminatie hier.
Indirecte discriminatie: geen dieren in een restaurant, als blinde binnen wil mag hij niet. Men is er zich
niet altijd bewust van.
Interpersoonlijke discriminatie: gaat tussen twee personen. Bv niet spreken met ene buurvouw omdat
die iets tegen haar heeft.
Institutionele discriminatie: tussen instituties, in het beleid, bv in Zuid-Afrika met de apartheid. Is ook
structurele discriminatie: maar dit is breder, kan zijn in de visies die er zijn, maar je vindt het niet in de
wetgeving. Maar maatschappelijk kan er dan wel discriminatie zijn.
Veel stereotypen die heersen door bv de media.
Machtsongelijkheden: als mensen meet controle, zeggenschap hebben in een bepaalde situatie, kan bv
ook in het gezin.. is heel breed. Vaak bestendigd het zichzelf, mensen gaan hun machtspositie niet zo snel
opgeven. Vaak historische machtsongelijkheden, bv door slavernij.
Ableisme: discriminatie bij mensen met een beperking.
Ageisme: op basis van leeftijd.
Recente termen, waarbij men specifieke discriminatie beschrijft
Hegemonie: er is een dominantie, vaak is een denken van een dominante groep.
Privilege:
Vaak iets niet zichtbaars, je hebt er geen zichtbare gevolgen van. Bv niemand zal zeggen dat je
wit bent want dit valt niet zo op.
, ‘Privilege walk’: lijn en dan mag je vooruit als je ja kan zeggen, bv heb je al iets negatiefs gehoord
over je huiskleur.
Onderzoek:
Je hoopt dat de kennis iets zal kunnen betekenen op maatschappelijk vlak
Vertrekken vanuit wetenschappelijk paradigma
o Niet vertrekken vanuit vooroordelen (= bias), je moet je ervan bewust zijn
o Verschillende paradigma’s:
Positivisme: nastreven van objectiviteit. Onderzoeker staat los van de wereld,
gaat waarnemen en wat je kan meten is de geldige kennis. Staat op een afstand.
Constructivisme: werkelijkheid kan je kennen, is vertekend door onze zintuigen.
Gender en diversiteitsstudies zitten vaak hierbinnen.
-> je moet je eigen positionaliteit bevragen!!
o Steunt en bouwt verder op een eerdere kennis/literatuur:
Lekenliteratuur: toegankelijk voor iedereen, gratis, kranten, artikels. Vage
bronvermelding, overdrijving, subjectief, 1 kant van het verhaal belichten.
Opiniërende factor. Kan wel inspirerend werken om tot een onderzoeksvraag te
komen. Ook opzoek gaan naar het onderzoek dat erin staat.
Grijze literatuur: rapporten, docu’s van overheden. Worden intern gedeeld. Geen
peer-review. Masterproef is geen wetenschappelijke bron. Wetteksten kan je wel
gebruiken. Prof die in eenvoudige taal een boek schrijft voor iedereen, kan
gelden als inspiratie, maar ook opzoek gaan naar oorspronkelijke onderzoek.
Wetenschappelijke vakliteratuur: papers, rapporten door een wetenschappelijke
uitgeverij. Objectiviteit en aandacht voor positionalisering. Peer-review.
o Gebruik wetenschappelijke methoden:
Nadruk op kwalitatief onderzoeksmethoden
Les 2: 3/10
Kernbegrippen gender en diversiteitsonderzoek:
Intersectionaliteit
Machtsverhoudingen
Marginaliteit: onderzoeker vertrekt vanuit de groep die niet in het centrum staat, bv vertrekken
vanuit de positie van de vrouw bij het kijken naar de representatie van vrouwen in de politiek
Sociale categorieën
Je moet hier rekening mee houden bij onderzoek. We gaan op zoek naar
onderbelichte/verborgen patronen.
Je kan ook vanuit je eigen positie vertrekken en soort gelijke mensen onderzoeken die dicht bij je staan.
Je doet dit door de positionaliteit. Iedereen vertrekt voor zijn onderzoek vanuit zijn
referentiekader/omgeving.
Niet enkel de marginaliseerde groepen onderzoeken, maar ook kijken naar andere groepen, bv kijken
naar de witte mannen in de politiek en niet enkel naar de vrouwen die in de minderheid zijn.