Theorie: atletiek
Lopen: Algemeen
Basisbeweging: Lopen is essentieel in veel sporten en een
natuurlijke beweging die alleen geoptimaliseerd hoeft te worden.
Looptechniek: Bestaat uit de steunfase (schokopvangen, steun,
afstoot) en zweeffase (onderscheidt zich van wandelen).
Coördinatie: Armen en benen bewegen gekruist voor evenwicht,
armen helpen romprotatie tegen te gaan.
Snelheid: Afhankelijk van paslengte en pasfrequentie. Beide
moeten worden verbeterd voor een hogere snelheid.
Techniek van het Algemeen Lopen
Beweging benen: Schok wordt opgevangen door pronatie en
resupinatie van de voet. Afstoot is krachtig voor langere pas.
Beweging armen: Armen bewegen synchroon met de benen en
moeten in de looprichting blijven om romprotatie te voorkomen.
Bekken en romp: Stabiel bekken, rechte romp (licht voorwaarts bij
sprint).
Paslengte en frequentie: Invloed van lichaamsbouw, kracht,
snelheid en lenigheid. Beide moeten optimaal zijn.
Sprint (100m, 200m, 400m)
Afzet: Stuwt uit met gestrekt afzetbeen, knie naar achteren, romp
licht naar voren.
Zweeffase: Zwaaibeen beweegt actief naar voren met retroflexie,
afzetbeen buigt krachtig.
Landing: Landen met de voorvoet, knie van het zwaaibeen voorbij
het landingsbeen, en gestrekte heup en knie.
Fond en Halve Fond (800m, 1500m, 3000m, 5000m, 10000m,
Halve Marathon, Marathon)
Techniek: Minder hoge knieën en minder uitgesproken strekking
achteraan. Landen gebeurt eerst op de hiel, gevolgd door een
vloeiende afrol.
, De Start
Belang van de Start: Niet alleen techniek, maar ook concentratie,
reactievermogen en versnellingsvermogen zijn belangrijk. Het doel is
niet om als eerste uit de blokken te komen, maar om de eerste 40
meter met hoge snelheid en juiste houding te lopen.
Techniek Starthouding
Posities: Er zijn de 'close' en 'medium' starts, afhankelijk van de
afstand tussen de blokken en de startlijn. De blokken worden
ingesteld op basis van de antropometrische gegevens van de
sprinter.
Afstand en Hoek: Afstand tussen de blokken en de hoek van de
blokken kunnen variëren voor optimale afdrukmogelijkheden (45°
voor het voorste blok, 75-80° voor het achterste blok).
Startpositie: De atleet plaatst zijn handen en voeten correct en
maakt zich klaar in de "klaar"-houding met een hoek van 90° voor
het voorste been en 120° voor het achterste been. Het hoofd blijft
ontspannen en de schouders blijven boven de handen.
Reactietijd
De reactietijd is cruciaal, met een topatleet die gemiddeld 0,15
seconden reageert, maar de latentietijd (tijd om het bevel te
begrijpen) duurt ongeveer 0,05 seconden.
Techniek tijdens de Versnellingsfase
Actie uit de Blokken: Een explosieve strekking van beide benen is
nodig. De druk op het achterste blok is kleiner dan op het voorste
blok bij een short start, maar de medium start maakt een beter
gebruik van de beenstrekking.
Beweging van de Benen: Het achterste bovenbeen beweegt
voorwaarts, gevolgd door de pendelbeweging van het onderbeen.
De romp wordt naar voren geheven voor een optimale afstootkracht.
Armactie: De armen ondersteunen de versnelling en hebben een
hoek van 90° tussen boven- en onderarm tegen het einde van de
voorwaartse beweging.
Looptechniek tijdens de Versnellingsfase (ongeveer 40m)
De verhouding tussen paslengte en pasfrequentie is individueel
verschillend. De paslengte neemt toe naarmate de snelheid
toeneemt, met de romp neigend naar voren. De afstootkracht
Lopen: Algemeen
Basisbeweging: Lopen is essentieel in veel sporten en een
natuurlijke beweging die alleen geoptimaliseerd hoeft te worden.
Looptechniek: Bestaat uit de steunfase (schokopvangen, steun,
afstoot) en zweeffase (onderscheidt zich van wandelen).
Coördinatie: Armen en benen bewegen gekruist voor evenwicht,
armen helpen romprotatie tegen te gaan.
Snelheid: Afhankelijk van paslengte en pasfrequentie. Beide
moeten worden verbeterd voor een hogere snelheid.
Techniek van het Algemeen Lopen
Beweging benen: Schok wordt opgevangen door pronatie en
resupinatie van de voet. Afstoot is krachtig voor langere pas.
Beweging armen: Armen bewegen synchroon met de benen en
moeten in de looprichting blijven om romprotatie te voorkomen.
Bekken en romp: Stabiel bekken, rechte romp (licht voorwaarts bij
sprint).
Paslengte en frequentie: Invloed van lichaamsbouw, kracht,
snelheid en lenigheid. Beide moeten optimaal zijn.
Sprint (100m, 200m, 400m)
Afzet: Stuwt uit met gestrekt afzetbeen, knie naar achteren, romp
licht naar voren.
Zweeffase: Zwaaibeen beweegt actief naar voren met retroflexie,
afzetbeen buigt krachtig.
Landing: Landen met de voorvoet, knie van het zwaaibeen voorbij
het landingsbeen, en gestrekte heup en knie.
Fond en Halve Fond (800m, 1500m, 3000m, 5000m, 10000m,
Halve Marathon, Marathon)
Techniek: Minder hoge knieën en minder uitgesproken strekking
achteraan. Landen gebeurt eerst op de hiel, gevolgd door een
vloeiende afrol.
, De Start
Belang van de Start: Niet alleen techniek, maar ook concentratie,
reactievermogen en versnellingsvermogen zijn belangrijk. Het doel is
niet om als eerste uit de blokken te komen, maar om de eerste 40
meter met hoge snelheid en juiste houding te lopen.
Techniek Starthouding
Posities: Er zijn de 'close' en 'medium' starts, afhankelijk van de
afstand tussen de blokken en de startlijn. De blokken worden
ingesteld op basis van de antropometrische gegevens van de
sprinter.
Afstand en Hoek: Afstand tussen de blokken en de hoek van de
blokken kunnen variëren voor optimale afdrukmogelijkheden (45°
voor het voorste blok, 75-80° voor het achterste blok).
Startpositie: De atleet plaatst zijn handen en voeten correct en
maakt zich klaar in de "klaar"-houding met een hoek van 90° voor
het voorste been en 120° voor het achterste been. Het hoofd blijft
ontspannen en de schouders blijven boven de handen.
Reactietijd
De reactietijd is cruciaal, met een topatleet die gemiddeld 0,15
seconden reageert, maar de latentietijd (tijd om het bevel te
begrijpen) duurt ongeveer 0,05 seconden.
Techniek tijdens de Versnellingsfase
Actie uit de Blokken: Een explosieve strekking van beide benen is
nodig. De druk op het achterste blok is kleiner dan op het voorste
blok bij een short start, maar de medium start maakt een beter
gebruik van de beenstrekking.
Beweging van de Benen: Het achterste bovenbeen beweegt
voorwaarts, gevolgd door de pendelbeweging van het onderbeen.
De romp wordt naar voren geheven voor een optimale afstootkracht.
Armactie: De armen ondersteunen de versnelling en hebben een
hoek van 90° tussen boven- en onderarm tegen het einde van de
voorwaartse beweging.
Looptechniek tijdens de Versnellingsfase (ongeveer 40m)
De verhouding tussen paslengte en pasfrequentie is individueel
verschillend. De paslengte neemt toe naarmate de snelheid
toeneemt, met de romp neigend naar voren. De afstootkracht