Samenvatting anatomie van het kauwapparaat
Ook studeren via de prenten op gsm getrokken tijdens de practica.
En zeker studeren via de prenten van de Powerpoint (alles aangeduid volgens Professor).
1. Algemene inleiding
1.1 Situering
De nadruk zal voornamelijk liggen op de mechanische aspecten van het kauwapparaat.
1.2 Overzicht lessen
1.3 Leermiddelen
We maken gebruik van het boek en de slides aangevuld met notities tijdens de hoorcolleges. Figuren
gaan we in de Sobotta bekijken.
1.4 Examen
Het examen bestaat uit 40 meerkeuzevragen waarbij we minimum 25 op 40 moeten halen om
geslaagd te zijn voor dit onderdeel van Gebitsontwikkeling.
1.5 Zelftoets
Het kaakgewricht bestuderen aan de hand van Sobotta (figuur 8.66).
1 met welke anatomische term wordt naar het kaakgewricht verwezen?
2 waarnaar verwijst deze anatomische term?
3 welke spieren zijn zichtbaar op de figuur?
4 waaraan ontleden deze spieren hun naam?
5 leid de functie van de spieren af uit hun verloop
2. Inleiding tot de humane anatomie
Voor een goed begrip van structuur en functie van het kauwapparaat is een minimale basiskennis van
de menselijke anatomie en anatomische terminologie noodzakelijk.
2.1 Menselijke anatomie (ontleedkunde) en de terminologia anatomica
Het begrip anatomie is afgeleid van Griekse woord temnein (betekent snijden).
Een studie van het menselijk lichaam of ontleedkunde veronderstelt het uitvoeren van dissecties op
menselijk lichaam.
,Regionale anatomie: alle structuren in een bepaalde regio (gebied) (dissecties).
Systemische anatomie: alle structuren per orgaanstelsel.
Voor het beschrijven van organen gebruikt de anatomie zijn eigen taal terminologia anatomica). De
termen zijn afgeleid uit de Latijnse of Griekse taal.
Enkele regels die ons kunnen helpen om de correcte terminologie te gebruiken:
Enkelvoud en meervoud
vb. nervus naar nervi (zenuwen)
vb. arteria naar arteriae (slagaders)
vb. atrium naar atria (voorkamers)
vb. vertebra cervicalis naar vertebrae cervicales (nekwervels)
Genetivus
vb. vena portae (poortader)
Officiële afkortingen
N. radialis naar nn. radiales (nervus naar nervi)
A. radialis naar aa. radiales (arteria naar arteriae)
V. radialis naar vv. radiales (vene naar venae)
M. temporalis naar mm. temporalis (musculus naar musculi)
De anatomische terminologie vormt de basis van de bredere medische terminologie.
2.2 De anatomische positie
Referentiepositie waarbij de armen naast het lichaam worden gehouden met de handpalmen naar
voor (anatomische positie).
Rechts (dexter) en links (sinister) worden steeds gebruikt vanuit het standpunt van het lichaam.
Om de ligging van verschillende anatomische structuren te beschrijven worden enkele begrippen met
betrekking tot oriëntatie en ligging gedefinieerd:
1 mediaal (midden) en lateraal (zijkant)
2 mediaan (verwijst naar de middellijn)
3 superior (naar boven) en inferior (naar onder)
4 craniaal (richting hoofd) en caudaal (richting stuit of staarbeen)
5 proximaal (dichter bij centrale lichaamsas) en distaal (verder van
centrale lichaamsas)
6 anterior (naar voor) en posterior (naar achter)
7 ventraal (naar buik) en dorsaal (naar rug)
8 superficialis (oppervlakkig) en profundus (in de diepte)
9 palmair (aan kant van handpalm) en plantair (aan kant van voetzool)
, Enkele anatomische basisbegrippen:
1 Caput (hoofd)
2 Collum (nek)
3 Truncus (romp)
1 Thorax (borstkas)
2 Abdomen (buik)
3 Pelvis (bekken)
4 Dorsum (rug)
4 Membrum superius (arm) (lidmaat)
1 Brachium (bovenarm)
2 Antebrachium (onderarm)
3 Manus (hand)
5 Membrum inferius (been) (lidmaat)
1 Femur (bovenbeen)
2 Crus (onderbeen)
3 Pes (voet)
2.3 Anatomische vlakken en doorsneden
Om driedimensionale anatomische structuren te visualiseren wordt gebruik gemaakt van
anatomische vlakken (2 verticale en 1 horizontaal vlak):
1 transversale of dwarse vlak: horizontaal vlak waarin meeste structuren symmetrisch voorkomen
(vb. meest gebruikt in scans).
2 frontale of coronale vlak: verticaal vlak met links en rechts oriëntatie waarin meeste structuren
symmetrisch voorkomen.
3 sagittale vlak: verticaal vlak met voor en achter oriëntatie (asymmetrisch). Er wordt onderscheid
gemaakt tussen midsagittaal (sagittaal vlak gelegen op mediaan) en parasagittaal (naast middellijn).
3. Het kauwapparaat en de 11 orgaanstelsels
Een organisme zoals het menselijk lichaam kan bestudeerd worden op verschillende (organisatie)
niveaus.
1 molecuul
2 celorganel
3 cel
4 weefsel
5 orgaan
Ook studeren via de prenten op gsm getrokken tijdens de practica.
En zeker studeren via de prenten van de Powerpoint (alles aangeduid volgens Professor).
1. Algemene inleiding
1.1 Situering
De nadruk zal voornamelijk liggen op de mechanische aspecten van het kauwapparaat.
1.2 Overzicht lessen
1.3 Leermiddelen
We maken gebruik van het boek en de slides aangevuld met notities tijdens de hoorcolleges. Figuren
gaan we in de Sobotta bekijken.
1.4 Examen
Het examen bestaat uit 40 meerkeuzevragen waarbij we minimum 25 op 40 moeten halen om
geslaagd te zijn voor dit onderdeel van Gebitsontwikkeling.
1.5 Zelftoets
Het kaakgewricht bestuderen aan de hand van Sobotta (figuur 8.66).
1 met welke anatomische term wordt naar het kaakgewricht verwezen?
2 waarnaar verwijst deze anatomische term?
3 welke spieren zijn zichtbaar op de figuur?
4 waaraan ontleden deze spieren hun naam?
5 leid de functie van de spieren af uit hun verloop
2. Inleiding tot de humane anatomie
Voor een goed begrip van structuur en functie van het kauwapparaat is een minimale basiskennis van
de menselijke anatomie en anatomische terminologie noodzakelijk.
2.1 Menselijke anatomie (ontleedkunde) en de terminologia anatomica
Het begrip anatomie is afgeleid van Griekse woord temnein (betekent snijden).
Een studie van het menselijk lichaam of ontleedkunde veronderstelt het uitvoeren van dissecties op
menselijk lichaam.
,Regionale anatomie: alle structuren in een bepaalde regio (gebied) (dissecties).
Systemische anatomie: alle structuren per orgaanstelsel.
Voor het beschrijven van organen gebruikt de anatomie zijn eigen taal terminologia anatomica). De
termen zijn afgeleid uit de Latijnse of Griekse taal.
Enkele regels die ons kunnen helpen om de correcte terminologie te gebruiken:
Enkelvoud en meervoud
vb. nervus naar nervi (zenuwen)
vb. arteria naar arteriae (slagaders)
vb. atrium naar atria (voorkamers)
vb. vertebra cervicalis naar vertebrae cervicales (nekwervels)
Genetivus
vb. vena portae (poortader)
Officiële afkortingen
N. radialis naar nn. radiales (nervus naar nervi)
A. radialis naar aa. radiales (arteria naar arteriae)
V. radialis naar vv. radiales (vene naar venae)
M. temporalis naar mm. temporalis (musculus naar musculi)
De anatomische terminologie vormt de basis van de bredere medische terminologie.
2.2 De anatomische positie
Referentiepositie waarbij de armen naast het lichaam worden gehouden met de handpalmen naar
voor (anatomische positie).
Rechts (dexter) en links (sinister) worden steeds gebruikt vanuit het standpunt van het lichaam.
Om de ligging van verschillende anatomische structuren te beschrijven worden enkele begrippen met
betrekking tot oriëntatie en ligging gedefinieerd:
1 mediaal (midden) en lateraal (zijkant)
2 mediaan (verwijst naar de middellijn)
3 superior (naar boven) en inferior (naar onder)
4 craniaal (richting hoofd) en caudaal (richting stuit of staarbeen)
5 proximaal (dichter bij centrale lichaamsas) en distaal (verder van
centrale lichaamsas)
6 anterior (naar voor) en posterior (naar achter)
7 ventraal (naar buik) en dorsaal (naar rug)
8 superficialis (oppervlakkig) en profundus (in de diepte)
9 palmair (aan kant van handpalm) en plantair (aan kant van voetzool)
, Enkele anatomische basisbegrippen:
1 Caput (hoofd)
2 Collum (nek)
3 Truncus (romp)
1 Thorax (borstkas)
2 Abdomen (buik)
3 Pelvis (bekken)
4 Dorsum (rug)
4 Membrum superius (arm) (lidmaat)
1 Brachium (bovenarm)
2 Antebrachium (onderarm)
3 Manus (hand)
5 Membrum inferius (been) (lidmaat)
1 Femur (bovenbeen)
2 Crus (onderbeen)
3 Pes (voet)
2.3 Anatomische vlakken en doorsneden
Om driedimensionale anatomische structuren te visualiseren wordt gebruik gemaakt van
anatomische vlakken (2 verticale en 1 horizontaal vlak):
1 transversale of dwarse vlak: horizontaal vlak waarin meeste structuren symmetrisch voorkomen
(vb. meest gebruikt in scans).
2 frontale of coronale vlak: verticaal vlak met links en rechts oriëntatie waarin meeste structuren
symmetrisch voorkomen.
3 sagittale vlak: verticaal vlak met voor en achter oriëntatie (asymmetrisch). Er wordt onderscheid
gemaakt tussen midsagittaal (sagittaal vlak gelegen op mediaan) en parasagittaal (naast middellijn).
3. Het kauwapparaat en de 11 orgaanstelsels
Een organisme zoals het menselijk lichaam kan bestudeerd worden op verschillende (organisatie)
niveaus.
1 molecuul
2 celorganel
3 cel
4 weefsel
5 orgaan