2025
EMBRYOLOGIE &
TERATOLOGIE
Deel 3: vroege
embryogenese
3E BACHELOR
1
,2
,HOOFDSTUK 5: KLIEVING EN VORMING
VAN DE BLASTOCYST
A. KLIEVING BIJ DE ZOOGDIEREN
1. Eerste klievingsstadia
3
, 1. Type klieving:
• Het zoogdierenei ondergaat een totale of holoblastische klieving (holos = geheel,
blastos = kiem):
o Vergelijkbaar met de isolecitale eicellen van lagere diersoorten.
o De resulterende blastomeren (meros = deel) zijn gelijk in grootte (egale
klieving).
o Tussen opeenvolgende klievingen wordt nauwelijks cytoplasma aangemaakt,
waardoor het embryo dezelfde omvang behoudt als de oorspronkelijke zygote
tot het uitkippen uit de zona pellucida.
2. Unieke kenmerken van de zoogdierklieving:
• Trage delingen:
o Eerste klievingen verlopen traag (12-24 uur tussen opeenvolgende
delingen).
o Mannelijke embryo's (XY) delen iets sneller dan vrouwelijke (XX).
• Asynchrone delingen:
o Niet alle blastomeren delen tegelijk.
o Tussenstadia (zoals 3-cellig of 6-cellig) kunnen optreden tussen klassieke
stadia (2-4-8-16 cellen).
o De cel met de intredeplaats van het spermatozoön deelt vaak sneller en
heeft een grotere kans om bij te dragen aan de kiemknop.
• Rotationele klieving:
o Eerste klieving gebeurt in het meridiaanvlak.
o Bij de volgende klievingen:
▪ Eén dochtercel klieft opnieuw in het meridiaanvlak (loodrecht op de eerste
klieving).
▪ De andere klieft in het equatoriale vlak.
• Vroegtijdige genoomactivatie:
o Het embryo schakelt vroeg over van maternale naar zygotische controle:
▪ Bij de geit al in het 2-cellige stadium.
▪ Bij de mens en de meeste huisdieren tussen het 4- en 8-cellige stadium.
3. Celmorfologie tijdens de klieving:
• Tot het 4-cellige stadium:
o Blastomeren liggen vrij in de zona pellucida.
o Celoppervlak volledig bedekt met microvilli.
o Celkerne ligt vaak excentrisch.
• Vanaf het 8-cellige stadium:
o Microvilli verdwijnen aan de zijden waar cellen contact maken, en blijven
enkel aanwezig aan de zijde gericht naar de zona pellucida.
o Celkernen verplaatsen zich meer naar het centrum van de cellen.
o (Deze observaties zijn vooral gebaseerd op onderzoek bij de muis).
4