STUDENT DIVERSITY IN THE (INCLUSIVE) CLASSROOM
COLLEGE 1: LEERLINGEN MET SPECIFIEKE L EERPROBLEMEN (IN LEZEN, SPELLEN,
SCHRIJVEN EN REKENEN)
PREVALENTIE VAN LEERPROBLEMEN EN ONTWIKKELINGSSTOORNISSEN:
- AD(H)D: 5-10% (50% tot volwassenheid; B:G = 3:1).
- Leesproblemen: 5-10% (B:G = 4:1)
- Dyslexie: 3-5% (25% ook ADHD)
- Dyscalculie: 3-5% (?)
- Taalvertraging: 5-10% van de leeftijdsgroep 0-7 jaar
- ASS: 1 op de 44 kinderen (CDC-rapport van maart 2022 / B:G = 4:1)
- Faalangst/toetsenangst: 10-15% (laatste jaar SE: 1 op 4 !!)
- Depressie: 2% (B:G = 1:3)
- Door de pandemie: 34% van de wereldbevolking met depressie en 32% met ernstige
angstgevoelens (Salari et al., 2020).
DSM-5: A 08 EEN SPECIFIEKE LEERSTOORNIS
De diagnose van specifieke leerstoornis wordt gesteld op basis van een klinische synthese van de
voorgeschiedenis van het individu (ontwikkeling, medische situatie, familie, opleiding), psycho-
educatieve rapporten van testscores en observaties, en de respons op interventie, waarbij gebruik
wordt gemaakt van de volgende diagnostische criteria (DSM-5, 2013).
Bij specifieke leerstoornissen gaat het om problemen met spellen, lezen, reken, schrijven wanneer je
een normaal IQ hebt. Je hebt dus geen problemen met andere dingen, zoals IQ of motoriek, maar ALLEEN
met het specifiek vakgebied. Bijvoorbeeld dyslexie of dyscalculie.
Tijdens de diagnose wordt ook altijd gekeken naar de kwaliteit van het onderwijs. Dit is erg complex.
Als bijvoorbeeld een kind vanuit Finland (waar school start op de leeftijd van 7 jaar) naar Nederland komt
en hier naar school gaat, dan is het logisch dat het kind problemen ervaart doordat het kind onderwijs
‘gemist’ heeft.
Criteria voor een specifieke leerstoornis:
A. Geschiedenis of huidige presentatie van aanhoudende moeilijkheden bij het verwerven van
lees-, schrijf-, reken- of wiskundige redeneervaardigheden tijdens de formele schooljaren
(d.w.z. tijdens de ontwikkelingsperiode). Het individu moet ten minste een van de volgende
hebben:
1. Onnauwkeurig of langzaam en inspannend woordlezen.
2. Moeite met het begrijpen van de betekenis van wat er gelezen wordt (bijv. kan tekst
nauwkeurig lezen, maar niet de volgorde, relaties, gevolgtrekkingen of diepere
betekenissen van wat er gelezen wordt begrijpen).
3. Slechte spelling (bijv. kan klinkers of medeklinkers toevoegen, weglaten of vervangen).
4. Slechte schriftelijke uitdrukking (bijv. maakt meerdere grammaticale of leestekenfouten
in zinnen, schriftelijke uitdrukking van ideeën is onduidelijk, slechte alinea-indeling of
buitengewoon slecht handschrift).
5. Moeite met het onthouden van getallenfeiten.
6. Onnauwkeurige of langzame rekenkundige berekeningen.
7. Ineffectieve of onnauwkeurige wiskundige redeneringen.
, 8. Vermijden van activiteiten die lezen, spellen, schrijven of rekenen vereisen.
B. De huidige vaardigheden in een of meer van deze academische vaardigheden liggen ver onder
het gemiddelde bereik voor de leeftijd of intelligentie, culturele groep of taalgroep, geslacht of
opleidingsniveau van het individu, zoals blijkt uit de scores op individueel afgenomen,
gestandaardiseerde, cultureel en taalkundig passende tests van academische prestaties in
lezen, schrijven of wiskunde.
C. De leermoeilijkheden kunnen niet beter worden verklaard door een verstandelijke
ontwikkelingsstoornis, een algemene ontwikkelingsachterstand, neurologische, sensorische
(gezichtsvermogen, gehoor) of motorische stoornissen.
→ wanneer een kind zuurstofgebrek had bij de geboorte kan dit ook zorgen voor moeilijkheden
met bijvoorbeeld spelling.
D. Leermoeilijkheden die zijn vastgesteld in criterium A (bij afwezigheid van de hulpmiddelen,
ondersteuning of diensten die zijn verstrekt om de persoon in staat te stellen deze moeilijkheden
te compenseren) vormen een aanzienlijke belemmering voor academische prestaties,
beroepsmatige prestaties of activiteiten van het dagelijks leven waarvoor deze academische
vaardigheden vereist zijn, op zichzelf of in een combinatie daarvan.
Beschrijvende kenmerkspecificaties: Geef aan welke van de volgende domeinen van academische
moeilijkheden en hun subvaardigheden zijn aangetast op het moment van beoordeling:
1. Lezen
a. Woordleesnauwkeurigheid
b. Leessnelheid of vloeiendheid
c. Leesbegrip
2. Schriftelijke expressie
a. Spellingnauwkeurigheid
b. Grammatica en leestekennauwkeurigheid
c. Leesbaar of vloeiend handschrift
d. Duidelijkheid en organisatie van schriftelijke expressie
3. Rekenen
a. Rekenkundige feiten onthouden
b. Nauwkeurige of vloeiende berekeningen
c. Effectieve wiskundige redenering
AANGEBOREN PROBLEMEN MET DEFINITIE EN OPERATIONALISERING VAN
‘AANHOUDENDE MOEILIJKHEDEN’ (VAN DEN BROECK, 2002; MINNAERT, 2005)
SDN (Stichting Dyslexie Nederland) hanteert de criteria van vertraging en van ‘didactische weerstand’
(aanhoudende moeilijkheden).
- De vraag is of ‘didactische weerstand’ een diagnostisch criterium is van een specifieke
leerstoornis of dat het ons informeert over de ernst van het probleem.
- Tegenslagen van ‘didactische weerstand’ als diagnostisch criterium: wat is het bewijs van
didactische weerstand + hoe lang remediëring en wat is de kwaliteit?
Of een kind dyslexie heeft moet bewezen worden. Dit kan een kind hebben wanneer de stoornis persistent
is over de tijd (niet alleen één dag dat je ergens moeite mee hebt), ondanks de aangeboden hulp.
Het onderwijs is hierbij van belang. Wanneer een kind problemen ervaart met lezen, kan het kind:
- Een slecht leraar hebben waarbij het kind waarschijnlijk dyslexie krijgt;
, - Of de beste leraar hebben die misschien kan voorkomen dat het kind dyslexie krijgt.
Als de leraar dus in staat is om het onderwijs aan te passen op een kind, kan dat problemen verminderen.
Kan een leraar dat niet, dan zullen kinderen sneller problemen ervaren.
SPECIFIEKE LEES/SPELLING STOORNIS
In bovenstaande afbeelding zie je dat het kind ‘saw’ schrijft in plaats van ‘was'. Dit kan komen doordat in
het woord ‘was’ de 's’ dominant is waardoor het kind deze letter beter onthoudt en eerder opschrijft.
LET OP TEKENEN VAN EEN LEERSTOORNIS
Wanneer een kind een leerstoornis heeft gebeurt er veel in de hersenen. Als een onderwerp uitgelegd
wordt en erg lastig is gaat het kind afdwalen en aan andere dingen denken, hierdoor neemt de procestijd
af en de concentratie van het kind.
Deze problemen in het brein zijn niet zichtbaar!
EEN THEORETISCH MODEL MET BETREKKING TOT DE HERSENCIRCUITS VOOR LEZEN
(PUGH, SHAYWITZ, EDEN, SIMOS)
Verschillende gebieden die specifieke karakteristieken hebben in de hersenen tijdens het lezen:
- Broca: articulatie van woorden.
- Wernicke: connectie tussen grafemen en fonemen (letter en klank). Bijvoorbeeld de letters 'b’ en
'd'. Het zijn dezelfde letters alleen in een ander perspectief. Als je ze omdraait kan een tekst
opeens een hele andere betekenis hebben, bijvoorbeeld ‘bread’ en ‘dead'.
- Angular: gebied waar alles samenkomt.
- Visuele associtatie: hoe je iets moet schrijven.
Wanneer je een goede lezer bent, dan gebruik je alleen het Angular gebied (de rest is geautomatiseerd),
maar heb je moeite met lezen dan gebruik je ook alle andere gebieden. Het lezen kost dan dus meer tijd.
Het probleem hierbij is dat alles in het onderwijs snel en accuraat moet gaan, omdat er niet alle tijd is.
, Specifieke lees-/spellingstoornis (dyslexie) is een specifieke taalstoornis die wordt gekenmerkt door
moeilijkheden bij de ontwikkeling van nauwkeurige en vloeiende vaardigheden voor het decoderen van
één woord, meestal geassocieerd met onvoldoende fonologische verwerking (PA) en snelle
geautomatiseerde naamgeving (RAN) vaardigheden.
Deze moeilijkheden bij het decoderen van één woord zijn vaak onverwacht in relatie tot leeftijd en andere
cognitieve en academische vaardigheden; ze zijn niet het gevolg van een algemene ontwikkelingsstoornis
of sensorische beperking.
PA, RAN OF BEIDE?
- PA: fonologische decoderingsvaardigheden (fonemen): de klank en de letter (uitspraak klanken)
koppelen en het vlot decoderen van woorden.
o Kinderen met gehoorproblemen hebben hier moeite mee, omdat ze niet alles goed
horen.
- RAN: benoemsnelheid. Wanneer je weet hoe woorden opgebouwd zijn dan kun je sneller lezen.
- PA + RAN = dubbel tekort model; zowel een tekort in de fonologie als in de benoemsnelheid.
(Slechtste lezers)
- Implicaties voor de praktijk: oefenen helpt om PA en RAN te verbeteren, en herhaling zorgt
ervoor dat deze vaardigheden geautomatiseerd worden, waardoor het lezen uiteindelijk
makkelijker gaat.
LET OP DE KLINISCHE SYMPTOMEN!
Symptomen in de kinderopvang en kleuterklas:
- Verwarring over de richting van woorden (links/rechts, over/onder, voor/na).
- Niet in staat zijn om letterklanken in woorden te identificeren of basisrijmpjes te identificeren.
- Klanken in sommige woorden door elkaar halen (bijvoorbeeld ‘aminal’ zeggen i.p.v. ‘animal').
Symptomen in het basisonderwijs:
- Woorden niet kunnen uitspreken.
- Moeite hebben met het lezen van woorden die geen deel uitmaken van een zin of geen plaatje
bevatten.
- De letters in een andere volgorde uitspreken dan ze van nature zijn (bijvoorbeeld 'how’ lezen i.p.v.
‘who').
- Woorden verkeerd spellen, zelfs bij visueel kopiëren.
- Moeite hebben met elk type van uit het hoofd leren (vermenigvuldigingstabellen leren,
wetenschappelijke feiten of geschiedenisfeiten onthouden).
Bovenaan = normale lezer.
COLLEGE 1: LEERLINGEN MET SPECIFIEKE L EERPROBLEMEN (IN LEZEN, SPELLEN,
SCHRIJVEN EN REKENEN)
PREVALENTIE VAN LEERPROBLEMEN EN ONTWIKKELINGSSTOORNISSEN:
- AD(H)D: 5-10% (50% tot volwassenheid; B:G = 3:1).
- Leesproblemen: 5-10% (B:G = 4:1)
- Dyslexie: 3-5% (25% ook ADHD)
- Dyscalculie: 3-5% (?)
- Taalvertraging: 5-10% van de leeftijdsgroep 0-7 jaar
- ASS: 1 op de 44 kinderen (CDC-rapport van maart 2022 / B:G = 4:1)
- Faalangst/toetsenangst: 10-15% (laatste jaar SE: 1 op 4 !!)
- Depressie: 2% (B:G = 1:3)
- Door de pandemie: 34% van de wereldbevolking met depressie en 32% met ernstige
angstgevoelens (Salari et al., 2020).
DSM-5: A 08 EEN SPECIFIEKE LEERSTOORNIS
De diagnose van specifieke leerstoornis wordt gesteld op basis van een klinische synthese van de
voorgeschiedenis van het individu (ontwikkeling, medische situatie, familie, opleiding), psycho-
educatieve rapporten van testscores en observaties, en de respons op interventie, waarbij gebruik
wordt gemaakt van de volgende diagnostische criteria (DSM-5, 2013).
Bij specifieke leerstoornissen gaat het om problemen met spellen, lezen, reken, schrijven wanneer je
een normaal IQ hebt. Je hebt dus geen problemen met andere dingen, zoals IQ of motoriek, maar ALLEEN
met het specifiek vakgebied. Bijvoorbeeld dyslexie of dyscalculie.
Tijdens de diagnose wordt ook altijd gekeken naar de kwaliteit van het onderwijs. Dit is erg complex.
Als bijvoorbeeld een kind vanuit Finland (waar school start op de leeftijd van 7 jaar) naar Nederland komt
en hier naar school gaat, dan is het logisch dat het kind problemen ervaart doordat het kind onderwijs
‘gemist’ heeft.
Criteria voor een specifieke leerstoornis:
A. Geschiedenis of huidige presentatie van aanhoudende moeilijkheden bij het verwerven van
lees-, schrijf-, reken- of wiskundige redeneervaardigheden tijdens de formele schooljaren
(d.w.z. tijdens de ontwikkelingsperiode). Het individu moet ten minste een van de volgende
hebben:
1. Onnauwkeurig of langzaam en inspannend woordlezen.
2. Moeite met het begrijpen van de betekenis van wat er gelezen wordt (bijv. kan tekst
nauwkeurig lezen, maar niet de volgorde, relaties, gevolgtrekkingen of diepere
betekenissen van wat er gelezen wordt begrijpen).
3. Slechte spelling (bijv. kan klinkers of medeklinkers toevoegen, weglaten of vervangen).
4. Slechte schriftelijke uitdrukking (bijv. maakt meerdere grammaticale of leestekenfouten
in zinnen, schriftelijke uitdrukking van ideeën is onduidelijk, slechte alinea-indeling of
buitengewoon slecht handschrift).
5. Moeite met het onthouden van getallenfeiten.
6. Onnauwkeurige of langzame rekenkundige berekeningen.
7. Ineffectieve of onnauwkeurige wiskundige redeneringen.
, 8. Vermijden van activiteiten die lezen, spellen, schrijven of rekenen vereisen.
B. De huidige vaardigheden in een of meer van deze academische vaardigheden liggen ver onder
het gemiddelde bereik voor de leeftijd of intelligentie, culturele groep of taalgroep, geslacht of
opleidingsniveau van het individu, zoals blijkt uit de scores op individueel afgenomen,
gestandaardiseerde, cultureel en taalkundig passende tests van academische prestaties in
lezen, schrijven of wiskunde.
C. De leermoeilijkheden kunnen niet beter worden verklaard door een verstandelijke
ontwikkelingsstoornis, een algemene ontwikkelingsachterstand, neurologische, sensorische
(gezichtsvermogen, gehoor) of motorische stoornissen.
→ wanneer een kind zuurstofgebrek had bij de geboorte kan dit ook zorgen voor moeilijkheden
met bijvoorbeeld spelling.
D. Leermoeilijkheden die zijn vastgesteld in criterium A (bij afwezigheid van de hulpmiddelen,
ondersteuning of diensten die zijn verstrekt om de persoon in staat te stellen deze moeilijkheden
te compenseren) vormen een aanzienlijke belemmering voor academische prestaties,
beroepsmatige prestaties of activiteiten van het dagelijks leven waarvoor deze academische
vaardigheden vereist zijn, op zichzelf of in een combinatie daarvan.
Beschrijvende kenmerkspecificaties: Geef aan welke van de volgende domeinen van academische
moeilijkheden en hun subvaardigheden zijn aangetast op het moment van beoordeling:
1. Lezen
a. Woordleesnauwkeurigheid
b. Leessnelheid of vloeiendheid
c. Leesbegrip
2. Schriftelijke expressie
a. Spellingnauwkeurigheid
b. Grammatica en leestekennauwkeurigheid
c. Leesbaar of vloeiend handschrift
d. Duidelijkheid en organisatie van schriftelijke expressie
3. Rekenen
a. Rekenkundige feiten onthouden
b. Nauwkeurige of vloeiende berekeningen
c. Effectieve wiskundige redenering
AANGEBOREN PROBLEMEN MET DEFINITIE EN OPERATIONALISERING VAN
‘AANHOUDENDE MOEILIJKHEDEN’ (VAN DEN BROECK, 2002; MINNAERT, 2005)
SDN (Stichting Dyslexie Nederland) hanteert de criteria van vertraging en van ‘didactische weerstand’
(aanhoudende moeilijkheden).
- De vraag is of ‘didactische weerstand’ een diagnostisch criterium is van een specifieke
leerstoornis of dat het ons informeert over de ernst van het probleem.
- Tegenslagen van ‘didactische weerstand’ als diagnostisch criterium: wat is het bewijs van
didactische weerstand + hoe lang remediëring en wat is de kwaliteit?
Of een kind dyslexie heeft moet bewezen worden. Dit kan een kind hebben wanneer de stoornis persistent
is over de tijd (niet alleen één dag dat je ergens moeite mee hebt), ondanks de aangeboden hulp.
Het onderwijs is hierbij van belang. Wanneer een kind problemen ervaart met lezen, kan het kind:
- Een slecht leraar hebben waarbij het kind waarschijnlijk dyslexie krijgt;
, - Of de beste leraar hebben die misschien kan voorkomen dat het kind dyslexie krijgt.
Als de leraar dus in staat is om het onderwijs aan te passen op een kind, kan dat problemen verminderen.
Kan een leraar dat niet, dan zullen kinderen sneller problemen ervaren.
SPECIFIEKE LEES/SPELLING STOORNIS
In bovenstaande afbeelding zie je dat het kind ‘saw’ schrijft in plaats van ‘was'. Dit kan komen doordat in
het woord ‘was’ de 's’ dominant is waardoor het kind deze letter beter onthoudt en eerder opschrijft.
LET OP TEKENEN VAN EEN LEERSTOORNIS
Wanneer een kind een leerstoornis heeft gebeurt er veel in de hersenen. Als een onderwerp uitgelegd
wordt en erg lastig is gaat het kind afdwalen en aan andere dingen denken, hierdoor neemt de procestijd
af en de concentratie van het kind.
Deze problemen in het brein zijn niet zichtbaar!
EEN THEORETISCH MODEL MET BETREKKING TOT DE HERSENCIRCUITS VOOR LEZEN
(PUGH, SHAYWITZ, EDEN, SIMOS)
Verschillende gebieden die specifieke karakteristieken hebben in de hersenen tijdens het lezen:
- Broca: articulatie van woorden.
- Wernicke: connectie tussen grafemen en fonemen (letter en klank). Bijvoorbeeld de letters 'b’ en
'd'. Het zijn dezelfde letters alleen in een ander perspectief. Als je ze omdraait kan een tekst
opeens een hele andere betekenis hebben, bijvoorbeeld ‘bread’ en ‘dead'.
- Angular: gebied waar alles samenkomt.
- Visuele associtatie: hoe je iets moet schrijven.
Wanneer je een goede lezer bent, dan gebruik je alleen het Angular gebied (de rest is geautomatiseerd),
maar heb je moeite met lezen dan gebruik je ook alle andere gebieden. Het lezen kost dan dus meer tijd.
Het probleem hierbij is dat alles in het onderwijs snel en accuraat moet gaan, omdat er niet alle tijd is.
, Specifieke lees-/spellingstoornis (dyslexie) is een specifieke taalstoornis die wordt gekenmerkt door
moeilijkheden bij de ontwikkeling van nauwkeurige en vloeiende vaardigheden voor het decoderen van
één woord, meestal geassocieerd met onvoldoende fonologische verwerking (PA) en snelle
geautomatiseerde naamgeving (RAN) vaardigheden.
Deze moeilijkheden bij het decoderen van één woord zijn vaak onverwacht in relatie tot leeftijd en andere
cognitieve en academische vaardigheden; ze zijn niet het gevolg van een algemene ontwikkelingsstoornis
of sensorische beperking.
PA, RAN OF BEIDE?
- PA: fonologische decoderingsvaardigheden (fonemen): de klank en de letter (uitspraak klanken)
koppelen en het vlot decoderen van woorden.
o Kinderen met gehoorproblemen hebben hier moeite mee, omdat ze niet alles goed
horen.
- RAN: benoemsnelheid. Wanneer je weet hoe woorden opgebouwd zijn dan kun je sneller lezen.
- PA + RAN = dubbel tekort model; zowel een tekort in de fonologie als in de benoemsnelheid.
(Slechtste lezers)
- Implicaties voor de praktijk: oefenen helpt om PA en RAN te verbeteren, en herhaling zorgt
ervoor dat deze vaardigheden geautomatiseerd worden, waardoor het lezen uiteindelijk
makkelijker gaat.
LET OP DE KLINISCHE SYMPTOMEN!
Symptomen in de kinderopvang en kleuterklas:
- Verwarring over de richting van woorden (links/rechts, over/onder, voor/na).
- Niet in staat zijn om letterklanken in woorden te identificeren of basisrijmpjes te identificeren.
- Klanken in sommige woorden door elkaar halen (bijvoorbeeld ‘aminal’ zeggen i.p.v. ‘animal').
Symptomen in het basisonderwijs:
- Woorden niet kunnen uitspreken.
- Moeite hebben met het lezen van woorden die geen deel uitmaken van een zin of geen plaatje
bevatten.
- De letters in een andere volgorde uitspreken dan ze van nature zijn (bijvoorbeeld 'how’ lezen i.p.v.
‘who').
- Woorden verkeerd spellen, zelfs bij visueel kopiëren.
- Moeite hebben met elk type van uit het hoofd leren (vermenigvuldigingstabellen leren,
wetenschappelijke feiten of geschiedenisfeiten onthouden).
Bovenaan = normale lezer.