HOOFDSTUK 2: VISIES OP
AFWIJKEND GEDRAG EN
BEHANDELMETHODE
TE KENNEN BEGRIPPEN
Afweermechanisme Angstremmers Angst-stimulus Antidepressiva
hiërarchie
Anti-psychotische Behaviorisme Bekrachtiging Bewuste
medicijnen of
antipsychotica
Centrale Cognitieve Diathese Diathese-
zenuwstelsel gedragstherapie stressmodel
Eclectische therapie Ego Egopsychologie Elektroconvulsieve
therapie
Fenotype Fixatie Geconditioneerde Geconditioneerde
respons stimulus
Gedragstherapie Geleidelijke Genotype Hechtingstheorie
blootstelling
Id Klassieke Modeling Negatieve
conditionering bekrachtigers
Neurotransmitters Objectrelatietheorie Onbewuste Ongeconditioneerde
respons
Ongeconditioneerde Onttrekkingsangst Operante Overdrachtsrelatie
stimulus conditionering
Persoonsgerichte Positieve Psychoanalyse Psychoanalytische
/cliencentered bekrachtigers theorie
therapie
Psychodynamische Psychofarmacologi Psychotherapie Rationeel-emotieve
therapie e gedragstherapie
Receptorplaats Sociaal-cognitieve Somatische Straf
leertheorie zenuwstelsel
Superego Sympathisch Synaps Systematische
zenuwstelsel desensitisatie
Tegenoverdracht Taken economy Voorbewuste Vrije associatie
1
,LEERDOELEN HOOFDSTUK 2
2.1 Je begrijpt het biologisch perspectief op afwijkend gedrag.
2.2 Je kent de besproken werking van neuronen, het centraal zenuwstelsel en de
hersenen in het kader van afwijkend gedrag
2.3 Je kent de besproken soorten psychofarmaca en begrijpt hun sterke en
zwakke punten.
2.4 Je kan biologische behandelingen die rechtstreeks op de hersenen ingrijpen,
beschrijven zoals ECT, hersenchirurgie, DBS en TMS en begrijpt hun sterke en
zwakke kanten en inzetbaarheid
2.5 Je kan de biomedische behandelmethodes beoordelen
2.6 Je kan de belangrijkste psychologische modellen van afwijkend gedrag
beschrijven en beoordelen.
2.7. Je kan doelstellingen en technieken van vormen van psychotherapie
beschrijven: psychodynamische therapie, gedragstherapie, humanistische en
cliëntgerichte therapie, cognitieve therapie, cognitieve gedragstherapie,
eclectische therapie, MBCT en EMDR en begrijpt hun sterke en zwakke kanten en
inzetbaarheid.
2.8 Je kan de effectiviteit van psychotherapie en de rol van niet-specifieke
behandelfactoren beoordelen.
2.9 Je kan het systemische en socioculturele perspectief op afwijkend gedrag
beschrijven en je kan het belang ervan voor het inzicht in afwijkend gedrag
beoordelen.
2.10 Je kan het belang beschrijven van systeemgericht werken, oog voor context
en het belang van multiculturele factoren in psychotherapie en je begrijpt de
extra drempels naar en in psychotherapie voor minderheidsgroepen in onze
samenleving.
2.11 Je kunt het biopsychosociale perspectief op afwijkend gedrag beschrijven en
beoordelen en je begrijpt de betekenis van het diathese-stressmodel en de
trauma-informed of traumasensitieve kijk.
2
,INLEIDING
OORZAKEN EN GEVOLGEN STOORNIS
- Diagnostisch proces naar oorzaken en gevolgen gaan kijken
o De persoon is een resultaat van de unieke mens
Specifiek verleden
Huidige leefsituaties
Problematiek met specifieke symptomen
Context waarin de persoon functioneert
Sociaal-relationeel vlak (leven, wonen, werken…)
Fysieke omgeving
Culturele context
o Houding, visie, kennis en vaardigheden van de professional +
culturele context
3 SOORTEN OORZAKEN
3 soorten oorzaken
- Voorbeschikkende
o Lange termijn oorzaken
o Maken met kwetsbaar om symptomen te ontwikkelen
o Erfelijk, somatisch, psychisch, sociaal
- Uitlokkende factoren
3
, o Vaak sneller opsporen op korte termijn
o Invloed hangt af van eventuele kwetsbaarheid
o Bv. middelengebruik, ingrijpende gebeurtenis…
- Bestendigde
o Verstoord gedrag, gedachten en gevoelens blijven langer duren
BIO-PSYCHO-SOCIAAL MODEL
Aantal perspectieven
- Geven allemaal een gedeeltelijk verklaring
Steeds uit van het biopsychosociaal model
o Oog hebben voor zowel psychologische, biologische als sociaal
culturele factoren + de onderlinge reacties bij het ontstaan, het
uitgelokt worden en het in stand houden van verstoorde emoties,
gedachten en gedrag
BIOLOGISCH PERSPECTIEF
4
AFWIJKEND GEDRAG EN
BEHANDELMETHODE
TE KENNEN BEGRIPPEN
Afweermechanisme Angstremmers Angst-stimulus Antidepressiva
hiërarchie
Anti-psychotische Behaviorisme Bekrachtiging Bewuste
medicijnen of
antipsychotica
Centrale Cognitieve Diathese Diathese-
zenuwstelsel gedragstherapie stressmodel
Eclectische therapie Ego Egopsychologie Elektroconvulsieve
therapie
Fenotype Fixatie Geconditioneerde Geconditioneerde
respons stimulus
Gedragstherapie Geleidelijke Genotype Hechtingstheorie
blootstelling
Id Klassieke Modeling Negatieve
conditionering bekrachtigers
Neurotransmitters Objectrelatietheorie Onbewuste Ongeconditioneerde
respons
Ongeconditioneerde Onttrekkingsangst Operante Overdrachtsrelatie
stimulus conditionering
Persoonsgerichte Positieve Psychoanalyse Psychoanalytische
/cliencentered bekrachtigers theorie
therapie
Psychodynamische Psychofarmacologi Psychotherapie Rationeel-emotieve
therapie e gedragstherapie
Receptorplaats Sociaal-cognitieve Somatische Straf
leertheorie zenuwstelsel
Superego Sympathisch Synaps Systematische
zenuwstelsel desensitisatie
Tegenoverdracht Taken economy Voorbewuste Vrije associatie
1
,LEERDOELEN HOOFDSTUK 2
2.1 Je begrijpt het biologisch perspectief op afwijkend gedrag.
2.2 Je kent de besproken werking van neuronen, het centraal zenuwstelsel en de
hersenen in het kader van afwijkend gedrag
2.3 Je kent de besproken soorten psychofarmaca en begrijpt hun sterke en
zwakke punten.
2.4 Je kan biologische behandelingen die rechtstreeks op de hersenen ingrijpen,
beschrijven zoals ECT, hersenchirurgie, DBS en TMS en begrijpt hun sterke en
zwakke kanten en inzetbaarheid
2.5 Je kan de biomedische behandelmethodes beoordelen
2.6 Je kan de belangrijkste psychologische modellen van afwijkend gedrag
beschrijven en beoordelen.
2.7. Je kan doelstellingen en technieken van vormen van psychotherapie
beschrijven: psychodynamische therapie, gedragstherapie, humanistische en
cliëntgerichte therapie, cognitieve therapie, cognitieve gedragstherapie,
eclectische therapie, MBCT en EMDR en begrijpt hun sterke en zwakke kanten en
inzetbaarheid.
2.8 Je kan de effectiviteit van psychotherapie en de rol van niet-specifieke
behandelfactoren beoordelen.
2.9 Je kan het systemische en socioculturele perspectief op afwijkend gedrag
beschrijven en je kan het belang ervan voor het inzicht in afwijkend gedrag
beoordelen.
2.10 Je kan het belang beschrijven van systeemgericht werken, oog voor context
en het belang van multiculturele factoren in psychotherapie en je begrijpt de
extra drempels naar en in psychotherapie voor minderheidsgroepen in onze
samenleving.
2.11 Je kunt het biopsychosociale perspectief op afwijkend gedrag beschrijven en
beoordelen en je begrijpt de betekenis van het diathese-stressmodel en de
trauma-informed of traumasensitieve kijk.
2
,INLEIDING
OORZAKEN EN GEVOLGEN STOORNIS
- Diagnostisch proces naar oorzaken en gevolgen gaan kijken
o De persoon is een resultaat van de unieke mens
Specifiek verleden
Huidige leefsituaties
Problematiek met specifieke symptomen
Context waarin de persoon functioneert
Sociaal-relationeel vlak (leven, wonen, werken…)
Fysieke omgeving
Culturele context
o Houding, visie, kennis en vaardigheden van de professional +
culturele context
3 SOORTEN OORZAKEN
3 soorten oorzaken
- Voorbeschikkende
o Lange termijn oorzaken
o Maken met kwetsbaar om symptomen te ontwikkelen
o Erfelijk, somatisch, psychisch, sociaal
- Uitlokkende factoren
3
, o Vaak sneller opsporen op korte termijn
o Invloed hangt af van eventuele kwetsbaarheid
o Bv. middelengebruik, ingrijpende gebeurtenis…
- Bestendigde
o Verstoord gedrag, gedachten en gevoelens blijven langer duren
BIO-PSYCHO-SOCIAAL MODEL
Aantal perspectieven
- Geven allemaal een gedeeltelijk verklaring
Steeds uit van het biopsychosociaal model
o Oog hebben voor zowel psychologische, biologische als sociaal
culturele factoren + de onderlinge reacties bij het ontstaan, het
uitgelokt worden en het in stand houden van verstoorde emoties,
gedachten en gedrag
BIOLOGISCH PERSPECTIEF
4