Economie
Examen: 25 vragen, max 20 punten want geen giscorrectie, slaagkansen relatief hoog
- 8 actua (wordt gezien in de les, niets vanbuiten kennen, wel korte tekstfragmenten en
daardoor de rest van de leerstof)
- Economische redeneringen (grafieken)
- Enkel grote mechanismen
- Meerkeuze
- Welvaartsanalyse, marktvormen, monetair beleid, en vraag en aanbodscurves = zwaarste
voor examen
H1: Wat is economie?
- huishuiden (gezin, bedrijf, overheid,..)
- bestuderen hoe een maatschappij haar schaarse middelen beheert
- geen exacte wetenschappen want assumpties, waarden en normen
- efficiëntie VS rechtvaardigheid
Oppurtuniteitskost: waarde vh beste alternatief, kosten van iets wat je moet opgeven om het te
krijgen
- Adam Smith: onzichtbare hand, vraag en aanbod, laisser faire, ..
- MAAR milieukosten worden niet bijgerekend: moeilijk in te schatten, verschillen van persoon
tot persoon en zijn een kost voor de volgende generatie
- Bedrijven willen niet betalen dus OH moet incentives creëren
Er zijn grenzen aan groei = donuteconomie
Marktfalen heeft 2 oorzaken:
- Externaliteit = de impact van de daden op het welzijn van een omstaander die er niets mee
te maken heeft
NEG: milieuvervuiling v/e bedrijf, obesitas -> belastingen, geluidsoverlast
POS: vaccinaties -> je wordt zelf niet ziek, broodjeszaak dichtbij
- marktmacht = staat voor de macht van een persoon of bedrijf om prijzen ongepast sterk te
beïnvloeden
Monopolie, oligopolie → kunnen zelf prijs betalen zonder rekening te moeten houden met
anderen/concurrentie
!! OH moet optreden als het bvb over privatisering of stijgende prijzen van levensgoederen
gaan (vb. water, elektriciteit,..)
Inflatie = prijzen stijgen → komt als OH te veel geld drukt, want waarde geld daalt want minder
schaars
- Vb. hyperinflatie (Argentinie ’90) -> geld is niets meer waard
- Inflatie met 2% = smeermiddeleconomie
- !!!! OH drukt geen geld, enkel ECB (Europese Centrale Bank) <-> FED in Amerika
- Hoge inflatie als economie het goed doet → weinig werkloosheid
- Frictiewerkloosheid = te veel banen en niet genoeg gepaste mensen, wel nog veel
werkloosheid
,H2: Marktkrachten van vraag en aanbod
Markt:
- de vraag en aanbod en interactie tussen de 2, bij welke vorm van markt dan ook.
- Wanneer kopers en verkopers contact hebben, heb je een markt.
- Vraag en aanbod zijn de krachten die een markteconomieën laten werken
- Moderne micro-economie bestudeert vraag, aanbod en marktevenwicht.
Competitieve markten:
een markt met vele kopers en verkopers zodat elke individuele partij een verwaarloosbare invloed
heeft op de marktprijs.
COMPETITIE
1. Perfecte concurrentie
- Producten zijn homogeen of identiek
Homogene producten bestaan bijna niet, puur theoretisch, vrij subjectief bv. Melk, varkens
- Talrijke kopers en verkopers zodat niemand invloed kan uitoefenen op de prijs
- Kopers en verkopers zijn prijsnemers = prijs aanvaarden, enige markt
2. Monopolie
- 1 verkoper die de prijs controleert (prijszetter)
- 1 aanbieder, veel vraag
- Bv. Nmbs, medicatie
- Er bestaan niet veel monopolies want consumentenbescherming door OH
- OH nationaliseert monopolies om inspraak op prijs te hebben, algemeen belang
- Hoe meer concurrenten, hoe lager de prijzen
3. Oligopolie
- Weinig verkopers, heel veel kopers
- Niet altijd agressieve concurrentie Bv. Een paar grote energieproducenten, elektrabel,
iPhone, telecom, Monsanto, VRT, OPEC
- Kartel = oligopolisten werken samen, spreken prijzen af als monopolist -> is in België niet
toegestaan vb. Colruyt en Delhaize lieten prijzen gezamenlijk stijgen, nergens ander
goedkoper vinden, dus betalen de mensen het sowieso <-> prijzenoorlog, steeds lager
4. Monopolistische concurrentie
- Veel verkopers, 100 kleine op dezelfde markt, beetje verschillend, heterogeen (kwaliteit,
smaak,..)
- Heterogene (gedifferentieerde) producten
- Elke verkoper kan de prijs voor zijn eigen product zelf zetten
- MAAR marge, beperkte marktmacht, kan niet te veel stijgen, anders consumenten kwijt
- Bv. Bier, magazines
,VRAAG
- Gevraagde hoeveelheid: de hoeveelheid van een goed die kopers willen en kunnen kopen.
- Wet van de Vraag: gevraagde hoeveelheid van een goed daalt indien de prijs van dit goed
stijgt, daling prijs → toename vraag, meer mensen zijn bereid
- Vraagschema: tabel die de relatie tussen de prijs van een goed en de gevraagde hoeveelheid
aangeeft.
- Vraagcurve: grafiek van de relatie tussen de prijs van een goed en de gevraagde hoeveelheid
- Marktvraag verwijst naar de som van alle individuele vragen naar een bepaald goed of
bepaalde dienst.
Beweging langs de vraagcurve: Veroorzaakt door een verandering in de prijs van het product.
DUS prijsverandering altijd op dezelfde rechte
Verschuiving van de vraagcurve: RECHTS toename van vraag, LINKS afname van de vraag
1. Consumenteninkomen
Wanneer inkomen stijgt → vraag naar normale goederen stijgt, vraag naar inferieure daalt (vraag
naar witte producten daalt, vraag cara,..)
Vb: groei, crisis, investeren in infrastructuur -> jobs -> inkomen stijgt -> economie groeit
2. Prijzen van verwante goederen
Substitutiegoederen = prijsdaling in het ene goed -> daling van de vraag naar een ander goed
➔ Overschakelen naar een alternatief als het 1ne goed te duur is
Complementaire goederen = prijsdaling in het ene goed -> stijging van de vraag naar een ander goed
Vb. auto’s goedkoper -> meer vraag naar benzine
Minder inkt als printers duur zijn
3. Smaken en voorkeuren
Vraag naar vegetarische producten stijgt, andere smaak dan vroeger → vraag naar vlees daalt
4. Verwachtingen
Gaat bijna altijd over speculaties
Mensen stellen hun aankopen uit tot ze verwachten dat het goedkoper wordt
Vb. aandelen
5. Aantal kopers
Vergrijzing van de bevolking -> vergrijzing van de markt
, Vraag naar diensten en producten stijgt
Vb. rusthuizen, hoorapparaten
Uitzonderingen op de wet van de vraag: luxeproducten, verzamelingsitems,..
➔ Inelastische goederen: ongeacht de prijs wordt het product toch verkocht + altijd zelfde
hoeveelheid. (vraagrechte = verticale lijn)
➔ Vb: water, medicijnen,.. worden sowieso gekocht, no matter de prijs
➔ Worden het meest belast door de OH, want mensen kopen het toch (vb tabak, sigaretten,..)
!! Stijging van de prijs helpt niet op de mensen te laten stoppen, want inelastisch goed
Verslavende goederen ook inelastisch, maar niet perfect verticaal
AANBOD
- Aangeboden hoeveelheid: hoeveelheid van een goed die de verkopers willen en kunnen
verkopen.
- De Wet van het Aanbod: aangeboden hoeveelheid van een goed stijgt wanneer de prijs van
dat goed stijgt, daling prijs → afname aanbod, alleen producenten met lage marginale kost
blijven aanbieden
- Aanbodschema
- Aanbodcurve: hoeveel wil je verkopen voor een bepaalde prijs? Lagere prijs -> minder willen
verkopen
- Marktaanbod: som van alle individuele aanbiedingen van een bepaald goed of bepaalde
dienst.
Beweging langs de aanbodcurve: Veroorzaakt door een verandering in de prijs van het product.
Verschuivingen van de aanbodcurve
1. Inputprijzen = prijs om het product te maken
Vb. lonen arbeiders
2. Technologie -> meer efficiëntie
Vb. visboer met koelinstallatie:
aanbod rechte eerst perfect inelastisch (alles moet op, no matter de prijs dat hij ervoor krijgt!)
met koelinstallatie -> iets minder stijl
Perfect elastisch = horizontale lijn!
3. Verwachtingen = speculeren van aanbieder
4. Aantal verkopers
VRAAG EN AANBOD SAMEN
- Evenwicht: aangeboden hoeveelheid = gevraagde hoeveelheid
- Evenwichtsprijs en evenwichtshoeveelheid: waar aanbod en vraagcurve elkaar snijden
- Gedrag van kopers en verkopers duwt de markt naar marktevenwicht
- Evenwichtsprijs: iedereen die wilt kopen en verkopen kan dit, geen overschotten of
tekorten, elk verkocht product genereert surplus
Examen: 25 vragen, max 20 punten want geen giscorrectie, slaagkansen relatief hoog
- 8 actua (wordt gezien in de les, niets vanbuiten kennen, wel korte tekstfragmenten en
daardoor de rest van de leerstof)
- Economische redeneringen (grafieken)
- Enkel grote mechanismen
- Meerkeuze
- Welvaartsanalyse, marktvormen, monetair beleid, en vraag en aanbodscurves = zwaarste
voor examen
H1: Wat is economie?
- huishuiden (gezin, bedrijf, overheid,..)
- bestuderen hoe een maatschappij haar schaarse middelen beheert
- geen exacte wetenschappen want assumpties, waarden en normen
- efficiëntie VS rechtvaardigheid
Oppurtuniteitskost: waarde vh beste alternatief, kosten van iets wat je moet opgeven om het te
krijgen
- Adam Smith: onzichtbare hand, vraag en aanbod, laisser faire, ..
- MAAR milieukosten worden niet bijgerekend: moeilijk in te schatten, verschillen van persoon
tot persoon en zijn een kost voor de volgende generatie
- Bedrijven willen niet betalen dus OH moet incentives creëren
Er zijn grenzen aan groei = donuteconomie
Marktfalen heeft 2 oorzaken:
- Externaliteit = de impact van de daden op het welzijn van een omstaander die er niets mee
te maken heeft
NEG: milieuvervuiling v/e bedrijf, obesitas -> belastingen, geluidsoverlast
POS: vaccinaties -> je wordt zelf niet ziek, broodjeszaak dichtbij
- marktmacht = staat voor de macht van een persoon of bedrijf om prijzen ongepast sterk te
beïnvloeden
Monopolie, oligopolie → kunnen zelf prijs betalen zonder rekening te moeten houden met
anderen/concurrentie
!! OH moet optreden als het bvb over privatisering of stijgende prijzen van levensgoederen
gaan (vb. water, elektriciteit,..)
Inflatie = prijzen stijgen → komt als OH te veel geld drukt, want waarde geld daalt want minder
schaars
- Vb. hyperinflatie (Argentinie ’90) -> geld is niets meer waard
- Inflatie met 2% = smeermiddeleconomie
- !!!! OH drukt geen geld, enkel ECB (Europese Centrale Bank) <-> FED in Amerika
- Hoge inflatie als economie het goed doet → weinig werkloosheid
- Frictiewerkloosheid = te veel banen en niet genoeg gepaste mensen, wel nog veel
werkloosheid
,H2: Marktkrachten van vraag en aanbod
Markt:
- de vraag en aanbod en interactie tussen de 2, bij welke vorm van markt dan ook.
- Wanneer kopers en verkopers contact hebben, heb je een markt.
- Vraag en aanbod zijn de krachten die een markteconomieën laten werken
- Moderne micro-economie bestudeert vraag, aanbod en marktevenwicht.
Competitieve markten:
een markt met vele kopers en verkopers zodat elke individuele partij een verwaarloosbare invloed
heeft op de marktprijs.
COMPETITIE
1. Perfecte concurrentie
- Producten zijn homogeen of identiek
Homogene producten bestaan bijna niet, puur theoretisch, vrij subjectief bv. Melk, varkens
- Talrijke kopers en verkopers zodat niemand invloed kan uitoefenen op de prijs
- Kopers en verkopers zijn prijsnemers = prijs aanvaarden, enige markt
2. Monopolie
- 1 verkoper die de prijs controleert (prijszetter)
- 1 aanbieder, veel vraag
- Bv. Nmbs, medicatie
- Er bestaan niet veel monopolies want consumentenbescherming door OH
- OH nationaliseert monopolies om inspraak op prijs te hebben, algemeen belang
- Hoe meer concurrenten, hoe lager de prijzen
3. Oligopolie
- Weinig verkopers, heel veel kopers
- Niet altijd agressieve concurrentie Bv. Een paar grote energieproducenten, elektrabel,
iPhone, telecom, Monsanto, VRT, OPEC
- Kartel = oligopolisten werken samen, spreken prijzen af als monopolist -> is in België niet
toegestaan vb. Colruyt en Delhaize lieten prijzen gezamenlijk stijgen, nergens ander
goedkoper vinden, dus betalen de mensen het sowieso <-> prijzenoorlog, steeds lager
4. Monopolistische concurrentie
- Veel verkopers, 100 kleine op dezelfde markt, beetje verschillend, heterogeen (kwaliteit,
smaak,..)
- Heterogene (gedifferentieerde) producten
- Elke verkoper kan de prijs voor zijn eigen product zelf zetten
- MAAR marge, beperkte marktmacht, kan niet te veel stijgen, anders consumenten kwijt
- Bv. Bier, magazines
,VRAAG
- Gevraagde hoeveelheid: de hoeveelheid van een goed die kopers willen en kunnen kopen.
- Wet van de Vraag: gevraagde hoeveelheid van een goed daalt indien de prijs van dit goed
stijgt, daling prijs → toename vraag, meer mensen zijn bereid
- Vraagschema: tabel die de relatie tussen de prijs van een goed en de gevraagde hoeveelheid
aangeeft.
- Vraagcurve: grafiek van de relatie tussen de prijs van een goed en de gevraagde hoeveelheid
- Marktvraag verwijst naar de som van alle individuele vragen naar een bepaald goed of
bepaalde dienst.
Beweging langs de vraagcurve: Veroorzaakt door een verandering in de prijs van het product.
DUS prijsverandering altijd op dezelfde rechte
Verschuiving van de vraagcurve: RECHTS toename van vraag, LINKS afname van de vraag
1. Consumenteninkomen
Wanneer inkomen stijgt → vraag naar normale goederen stijgt, vraag naar inferieure daalt (vraag
naar witte producten daalt, vraag cara,..)
Vb: groei, crisis, investeren in infrastructuur -> jobs -> inkomen stijgt -> economie groeit
2. Prijzen van verwante goederen
Substitutiegoederen = prijsdaling in het ene goed -> daling van de vraag naar een ander goed
➔ Overschakelen naar een alternatief als het 1ne goed te duur is
Complementaire goederen = prijsdaling in het ene goed -> stijging van de vraag naar een ander goed
Vb. auto’s goedkoper -> meer vraag naar benzine
Minder inkt als printers duur zijn
3. Smaken en voorkeuren
Vraag naar vegetarische producten stijgt, andere smaak dan vroeger → vraag naar vlees daalt
4. Verwachtingen
Gaat bijna altijd over speculaties
Mensen stellen hun aankopen uit tot ze verwachten dat het goedkoper wordt
Vb. aandelen
5. Aantal kopers
Vergrijzing van de bevolking -> vergrijzing van de markt
, Vraag naar diensten en producten stijgt
Vb. rusthuizen, hoorapparaten
Uitzonderingen op de wet van de vraag: luxeproducten, verzamelingsitems,..
➔ Inelastische goederen: ongeacht de prijs wordt het product toch verkocht + altijd zelfde
hoeveelheid. (vraagrechte = verticale lijn)
➔ Vb: water, medicijnen,.. worden sowieso gekocht, no matter de prijs
➔ Worden het meest belast door de OH, want mensen kopen het toch (vb tabak, sigaretten,..)
!! Stijging van de prijs helpt niet op de mensen te laten stoppen, want inelastisch goed
Verslavende goederen ook inelastisch, maar niet perfect verticaal
AANBOD
- Aangeboden hoeveelheid: hoeveelheid van een goed die de verkopers willen en kunnen
verkopen.
- De Wet van het Aanbod: aangeboden hoeveelheid van een goed stijgt wanneer de prijs van
dat goed stijgt, daling prijs → afname aanbod, alleen producenten met lage marginale kost
blijven aanbieden
- Aanbodschema
- Aanbodcurve: hoeveel wil je verkopen voor een bepaalde prijs? Lagere prijs -> minder willen
verkopen
- Marktaanbod: som van alle individuele aanbiedingen van een bepaald goed of bepaalde
dienst.
Beweging langs de aanbodcurve: Veroorzaakt door een verandering in de prijs van het product.
Verschuivingen van de aanbodcurve
1. Inputprijzen = prijs om het product te maken
Vb. lonen arbeiders
2. Technologie -> meer efficiëntie
Vb. visboer met koelinstallatie:
aanbod rechte eerst perfect inelastisch (alles moet op, no matter de prijs dat hij ervoor krijgt!)
met koelinstallatie -> iets minder stijl
Perfect elastisch = horizontale lijn!
3. Verwachtingen = speculeren van aanbieder
4. Aantal verkopers
VRAAG EN AANBOD SAMEN
- Evenwicht: aangeboden hoeveelheid = gevraagde hoeveelheid
- Evenwichtsprijs en evenwichtshoeveelheid: waar aanbod en vraagcurve elkaar snijden
- Gedrag van kopers en verkopers duwt de markt naar marktevenwicht
- Evenwichtsprijs: iedereen die wilt kopen en verkopen kan dit, geen overschotten of
tekorten, elk verkocht product genereert surplus